[p. 441]

Een uurtje met Vondel1)
Non coquis sed convivis.
Door Mr. C. Bake.

De volgende bladzijden zijn gewijd aan Vondel. Niet aan den geheelen Vondel, maar aan den Vondel, die de liefde bezongen heeft tusschen ouders en kinderen, tusschen man en vrouw. En wie handelen wil over Vondel, kan niet beter doen dan, zooveel mogelijk, Vondel zelf te laten spreken. Op die wijze leert men hem het beste kennen.

 

Een der schoonste, tevens een der meest bekende gedichten van Joost van den Vondel is de Vertroostinge aen Geeraerdt Vossius. Geeraerdt Vossius was Hoogleeraar aan het Amsterdamsch Athenaeum. Beroemd geleerde, muntte hij vooral uit als kenner van het Grieksch. Het was op zijn portret door Sandrart geschilderd, dat Vondel de bekende regels schreef:

 
Laet sestigh winters vry het Vossenhooft besneeuwen,
 
Noch gryser is het brein dan dat besneeuwde hooft;
 
Dat brein heeft heughenis van vijftigh hondert eeuwen,
[p. 442]
 
En al haer wetenschap, in schriften afgeslooft.
 
Sandrart, beschans hem niet met boecken en met blâren:
 
Al wat in boecken steeckt, is in zyn hooft gevaren1).

Vossius' kinderen waren hunnen vader waardig en wekten ieders bewondering door hunne buitengewone geestesontwikkeling en kennis.

In het laatst van 1634 trof hem een zware slag. Zijn zoon Dionysius, die reeds naam had gemaakt als geleerde, overleed, op 21 jarigen leeftijd.

Toen schreef Vondel zijn bekend gedicht, met den aanhef:

 
Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos,
 
En fronst het voorhooft van verdriet?
 
Beny uw zoon den hemel niet,
 
De hemel treckt: ay, laat hem los.

En dan vervolgt de dichter, na den diepbedroefden vader te hebben vermaand om het puik van zijnen aardschen schat welgetroost en blij te offeren aan den allerbesten Vader:

 
Men klaaght, indien de kiele strandt,
 
Maar niet, wanneerse rijck gelaên,
 
Uit den verbolgen Oceaan
 
In een behoude haven landt.
 
 
 
Men klaaght, indien de balsem stort,
 
Om 't spillen van den dieren reuck:
 
Maar niet, soo 't glas bekoomt een breuck,
 
Als 't edel nat geborgen wordt.

Soo draait de weereltkloot - laat de dichter volgen:

 
Soo draait de weereltkloot: het sy
 
De vader 't liefste kindt beweent:
 
Of 't kindt op vaders lichaam steent,
 
De doodt slaat huis noch deur voorby.
[p. 443]

En hij eindigt met deze verzekering, die ons wel wat Stoïcijnsch in de ooren klinkt:

 
Gelukkigh is een vast gemoedt,
 
Dat in geen blijde weelde smilt,
 
En stuit, gelijck een taeie schildt
 
Den onvermybren tegenspoedt.

Dat vast gemoed had Vondel zelf wel in de laatste jaren noodig gehad: want de dood was ook zijn huis niet voorbijgegaan. Ruim een jaar geleden had hij zijn achtjarig dochtertje naar het graf in de Oude Kerk gebracht, het aardige kind, dat de vreugd was van de buurt, dat vlug te voet, in 't slingertouwtje sprong

 
Of ‘zoet Fiane’ zong
 
 
 
Of dreef, gevolght van eenen wackren troep
 
Den rinckelenden hoep
 
De straten door, of schaterde op een schop;
 
Of speelde met de pop1).
 
 

En zijn zoontje Constantijn was nog vóór Saartjes dood, toen hij nog heel klein was, weer heengegaan.

Bekend is het verhaal, hoe dat zoontje aan dien naam kwam.

Vondel was bezig aan een heldendicht over Constantijn den Groote, toen het jongske verwacht werd. Zoo geheel was hij van dit dichtwerk vervuld, dat hij zijn zoontje Constantijn wilde heeten. Zijn vrouw was daartegen; niemand in de familie heette zoo. Dan nog liever een bijbelschen naam. ‘Noem het dan Gad’ - zeide Vondel. Maar dat beviel haar nog minder. Dies kreeg de vader zijn zin, wat hem genoegen deed, ‘hoopende’ - zegt zijn levensbeschrijver Gerardt Brandt - ‘twee Konstantijnen naa te laaten’2). Die hoop is niet vervuld. Het

[p. 444]

heldendicht is onvoltooid gebleven en het knaapje stierf kort na de geboorte.

Toen dichtte Vondel zijn Kinder-lyck, waarin hij zijn gestorven zoontje, het zalige kijntje, als een Cherubijntje, dat met een lodderoog de ijdelheden van beneden uitlacht, zijne moeder laat troosten, met deze woorden:

 
.......... Waarom schreit ghy?
 
Waarom greit ghy op mijn lijck?
 
Boven leef ick, boven zweef ick,
 
Engeltje van 't hemelrijck:
 
En ick blinck er, en ick drinck er,
 
't Geen de schencker alles goets,
 
Schenckt de zielen, die daar krielen
 
Dertel van veel overvloets.

En de dichter eindigt met deze opwekking:

 
Leer dan reizen, met gepeizen,
 
Naar pallaizen uit het slick
 
Dezer werelt, die zoo dwerrelt:
 
Eeuwigh gaat voor oogenblick.

Onwillekeurig denkt men hierbij aan het bekende gedichtje van Hubert Korneliszoon Poot, zijn zwanezang1).

 
Jakoba tradt met tegenzin
 
Ter snode werelt in;
 
En heeft zich aen het endt geschreit
 
In hare onnozelheit.
 
Zy was hier naeu verscheenen
 
Of ging, wel graeg, weer heenen.
 
 
 
De moeder kuste 't lieve wicht
 
Voor 't levenloos gezight
 
En riep het zieltje nogh terug.....
 
Maer dat, te snel en vlug,
 
Was nu al opgevaren
 
By Godts verheugde schaeren.
[p. 445]
 
Daer lacht en speelt het nu zoo schoon,
 
Rontom den hoogsten troon;
 
En spreidt de wiekjes luchtigh uit,
 
Door wee noch smart gestuit.....
 
O bloem van dertien dagen,
 
Uw heil verbiedt ons 't klagen.

En wellicht ook aan den Lijkkrans, dien de Rotterdamsche dichter Dirk Smits in 1740 vlocht voor zijn gestorven dochtertje Margaretha (deze naam beteekent parel):

 
Een rei van Englen zag,
 
Door 't dunne wolkfloers heen,
 
Of ergens hier benêen,
 
Een zuivre parel lag,
 
Die waardig was te pralen
 
In 't goudt van 's hemels zalen.
 
 
 
In 't einde viel het oog
 
Op Margareetje, een wicht
 
Dat pas, door 't levenslicht,
 
Bestraelt werd van omhoog
 
En blydschap, noch ellende,
 
Noch deugt, noch ondeugdt kende.
 
 
 
Dat Pareltje vol glans
 
Behaegde 't Engeldom,
 
Des daelde 't, in een' drom,
 
Van 's hemels hoogen transs',
 
En streek, met penne en veder,
 
By Grietjes wiegje neder.
 
 
 
Hier nam het, met een vaert,
 
Dat Pareltje in zyn magt
 
Belonkte en kuste 't zacht,
 
En vloog' er mêe, van de aerd',
 
Naar 't ryk der zaligheden,
 
Doch liet de schulp beneden1).

Maar hoe schoon die gedichtjes ook zijn, de lieve gedachte om het gestorven kindje zelf zijn moeder te laten troosten, vindt men toch alleen bij Vondel.

[p. 446]

Zoo moest de man die geschreven heeft:

 
Der kindren wackere oogen zijn
 
De spiegels en het kristalijn
 
Waer in der ouderen gelaet
 
En schijn en aenschijn voor ons staet -

binnen een korte spanne tijds een zoontje en een dochtertje ten grave brengen.

Maar niet alleen door den dood heeft Vondels vaderhart geleden.

Van zijn zoon Just heeft hij veel verdriet gehad. Gerardt Brandt - Vondels veertig jaar jongere tijdgenoot - schrijft van hem: ‘Den zoon, die kleen van geest, en los van hoofde was, hadt men tot neering en koopmanschap opgebracht; maar was er de man niet toe’1). Op 31 jarigen leeftijd gehuwd met Aaltje van Bancken, kwam hij met zijne vrouw bij vader en zuster inwonen (moeder Vondel was kort te voren overleden). Maar hij mocht zijne vrouw niet lang behouden. Ruim vijf jaar later stierf zij. De weduwnaar bleef met drie kinderen achter - en hertrouwde spoedig, zooals weduwnaars wel meer doen.

Zijne tweede vrouw was de schoone Baertje Hooft, weduwe van Dirck Hooft, ‘woonende tot Amersfoort’, en een nichtje van den Muider drost. Dat huwelijk was niet tegen den zin van vader Vondel; de eerste zoon werd dan ook naar zijn grootvader genoemd. Veel geld bracht de jonge vrouw niet mede, maar hare familie was wel wat deftiger dan die van haar tweeden echtgenoot. Men weet het, Vader Vondel had - zoolang hij nog in zaken was - een kousenwinkel. Nu moet men daar niet te gering over denken. ‘Een kousenhandel’ - schrijft Hendrik C. Diferee in zijn voor eenige jaren verschenen boek over Vondel's Leven en Kunstontwikkeling2) - ‘was in die dagen eene voordeelige zaak. In 1618 kwamen hier uit Engeland 441.264 paar kousen à f 3.- per paar en 45.476 paar zijden kousen, die f 10.- per paar inkoop kosten. Toe-

[p. 447]

vallig weten we van de duurste soort ook den verkoopsprijs, door Dr. Vos in verband met eene preek van Trigland tegen de weelde, in 1614 gehouden, medegedeeld. Deze bedroeg f 14.- per paar.’

Ter loops zij hier nog medegedeeld dat er onder Vondels gedichten maar één is, waaruit men zien kan, dat onze dichter een kousenhandel had. 't Is eigenlijk een hatelijk versje. Het heet Blauwe scheentje, en 't is gemaakt op Cornelis Blaeu, die zulke mooie atlassen gedrukt heeft.

 
Blauwtje zouw een meysje drucken;
 
(niet als plaatdrukker, maar aan zijn hart - teekent Professor
 
van Vloten er bij aan)
 
Maer de kunst en wouw niet lucken:
 
Blauwtje kreeg een blauwe scheen,
 
En hy liep al hinckend' heen.
 
Blauwtje, met jouw blauwe scheentje!
 
Lieve treurt doch niet om eentje.
 
Hebje een blauwe kous van doen?
 
'k Hebber noch van goed fatzoen1).

Baertje Hooft was voor den jongen Vondel nu juist niet de meest geschikte vrouw. Brandt noemt hem ‘qualyk gepaart met een vrouw die zijn losse zinnen voort aan 't ‘hollen hielp, en veel geldts verdeê’. Zuinig was het echtpaar dan ook niet. Kort na het huwelijk werd er van Baertje een gekleurd wassenbeeld gemaakt, heel mooi maar ook heel kostbaar, met een paarl aan ieder oor, een fraaien gouden ketting om den hals, met een diamanten kruis er aan. Als het een present was van haar man, dan was het stellig een duur present.

Toen Vader Vondel het zag was hij in verrukking. En hij kon niet nalaten er een vers op te maken.

 
Zoo volght de Kunst Natuur van pas
 
En schept uit zuiver maeghdewas
 
Geen dootse schaduw van een beelt,
 
Maar 't wezen, daer de Ziel in speelt,
[p. 448]
 
Een ziel, die, zeker waert geeërt,
 
Ons aangebore zeden leert
 
En door den zwier der leden toont,
 
Wat waardigheit daar binnen woont....1)

Dat was in 1651. Acht jaar later voer de jonge Joost naar Indië. Zijne zaken - hij was zijn vader in den kousenhandel opgevolgd - waren hoe langer hoe meer achteruitgegaan. Van koopman was hij makelaar geworden. Tegenwoordig heeft men deftige en rijke makelaars. Maar een koopman kijkt toch altijd nog min of meer neer op een makelaar, en een makelaar ziet in een koopman zijn patroon dien hij bedient. Makelaar kan men zijn zonder kapitaal te bezitten, koopman niet.

Vrouw van een makelaar te zijn geworden, zal Baertje Hooft dan ook wel niet erg naar den zin zijn geweest. De verhouding tusschen de echtgenooten werd er trouwens niet beter op; 't kwam zelfs tot een scheiding. Eenmaal aan het glijden, gleed Just hoe langer hoe sneller. Brandt verhaalt, dat ‘de vrienden den zoon met reedenen (zochten) te beweegen dat hy naar Oost-Indië zoude varen: maar hy hadt' er geen ooren toe, en de vader vondt zich eindelyk genoodtzaakt, nevens de vrienden, van de Heeren Burgemeesteren te verzoeken, dat men hem met dwang derwaarts moght zenden, 't welk daatlyk werdtingewillight.’ ‘Hy voer heenen’ - vervolgt Brandt - ‘maar storf op de reize’2).

‘Wat er in het hart van den vader moet zijn omgegaan’ - schrijft een van Vondels jongste levensbeschrijvers3) - ‘toen hij zelf verzoeken moest zijn zoon als een verloren individu met dwang te zenden naar het land, vanwaar hij op zijn leeftijd zeker niet zou terugkeeren, dien zoon, waar hij eens al zijne hoop op gebouwd had, wien hij met trots zijn eigen naam had gegeven - wij wagen het niet hierin door te dringen.’

[p. 449]

Zoo herhaalde zich - merkt te recht L. Simons op - in 's dichters eigen leven het slotakkoord uit den Joseph in Dothan:

 
Och d'ouders teelen 't kind en maeken 't groot met smart
 
Het kleene treet op 't kleet; de groote trêen op 't hart1).

Tot de bijbelsche treurspelen van Joost van den Vondel behoort Koning David Herstelt2). Het dagteekent van 1660. Vondel was toen 73 jaar oud. Men kent het bijbelverhaal: David heeft voor zijn weerbarstigen zoon Absolon de wijk moeten nemen buiten Jeruzalem. Met zijn heir trekt Absolon tegen zijn vader op. Deze stelt zijn legermacht onder bevel van Joab en geeft dien veldheer en allen oversten last, Absolon te verschoonen en genadig te behandelen. Men weet wat verder gebeurde. Joab blijft overwinnaar. Absolon vlucht op zijn muildier: maar - schrijft Vondel - ‘de haarlocken slingerden om eenen eick, daer de muil onder hem doorging, hij levendigh hangen bleef. Joab, hiervan verkuntschapt, wenschte dat de bode hem doorstooten hadde, die het uit ontzagh voor den koning weigerde; dies reedt de veltheer zelf derwaert en stiet den hangenden drie schichten in het harte, en Joabs schiltknapen sloegen hem voort doot. Toen liet de veltheer den aftoght blazen, Absolon in eenen grooten kuil begraven en met eenen hoop steenen overstulpen.’

Als David verneemt, wat er is geschied, barst hij in bittere klachten uit:

 
Och Absolon, mijn zoon, hoe vreesde ick voor dien toght!
 
Och Absolon, och of ick voor u sterven moght!
 
Och Absolon, mijn zoon, de waerdste van mijne erven,
 
Gaf Godt, och Absolon, dat ick voor u moght sterven!
 
 
 
.............. Och, Absolon, dit gelt
 
Uw' vader 't leven, Och, ter goeder tyt geboren,
 
Ter quader tyt in 't velt verslagen al verloren
[p. 450]
 
O Koningsbloem, te vroegh van uwen steel gemaeit,
 
Getroffen van een buy, die door mijn bloemhof waeit!
 
Och had ick schrap gestaen, toen 't heir u spits quam bieden,
 
Myn bloote borst geboôn de wraeckzucht, heet aan 't zieden, -
 
Ick duwde, ô zoon, den dolck u in die schoone borst.
 
Uw vader draeght de schult. Myn handen zien bemorst
 
Van 't kinderlijcke bloet, dat koningsbloet, mijn leven.
 
De geest van Absolon komt dootsch my tegenstreven.
 
Waar berge ick mijnen rou?

En dan, iets later, tot Joab, wien hij toch gelast had, zijn zoon te verschoonen en genadig te behandelen:

 
Heer Joab, och gemoete ick u in dezen schyn,
 
Berooft van mynen zoon? ô hartewee! ô pyn!
 
Is dat uw' konings last en hoogh bevel uitvoeren?
 
Zyn dit deze oversten, die mynen standert zwoeren?
 
En gelt een konings woort, het koningklyck gezagh
 
Zoo luttel by het heir? helaes, de zon, de dagh
 
Gaet met myn Absolon en zynen vader onder.
 
Waer bergh, waer bergh ick my van rouwe? ô vader zonder
 
O vader, zonder zoon, die glori van myn ryck!
 
Waer leghtge, ô Absolon? waer leght dat schoone lyck?
 
Waer anders dan in 't hart des vaders, na zyn sterven?
 
Daar leght myn Absolon: gy zult geene uitvaert derven,
 
Mijn zoon, myn liefste vrucht. Uw vaders hart is 't graf.
 
Daar gy begraven leght. Helaas, ick had dees straf,
 
Dien doot, by Godt verdient, een doot van duizent dooden.
 
Breng wech dees leeusbanier, hem tegens myn geboden
 
Ontweldight. Dit's geen zege, ô neen, een oorloghsplaeg,
 
Dit is geen ryxtriomf, maer eene nederlaegh.
 
Daer leght myn ryck, myn staf, en kroon, en troon in d'assche.
 
Wech purperengewaet, en pracht, en prael. Ick wassche
 
Myn aanzicht nacht en dagh in traenen, in geklagh.
 
Wat brengtge my een' hoop gevangens uit den slagh!
 
Broght gy myn Absolon noch levendigh gevangen,
 
Ick hadde u met triomfe en snaerespel ontfangen,
 
Met blyschap ingehaelt, ô bloedige overhant.
 
Breng wech myn harp! Men hang' haer eeuwigh aen den want!
 
Och, Absolon, myn zoon, moet ick u eeuwigh derven?
 
Och, Absolon, gaef Godt dat ick voor u moght sterven!
[p. 451]

Joab ontsteekt in toorn. Is dat het loon zijner dapperheid?

 
Is dit uw Joab met triomfen ingehaelt
 
Nu zulck een zon van zege uw aengezicht bestraelt?
 
Is dit uwe oversten en helden blyde ontmoeten?
 
................ Zy hebben u geredt.
 
Zy hebben heden u de kroon op 't hoofd gezet,
 
Hun leven opgezet, om u in staet te houden;
 
En wordt deze oorlogsdeught dus avrechts hun vergouden?

Bedenk, als uw zoon den slag gewonnen had, hij zou u niet hebben gespaard. Acht gij een booswicht hooger dan 's volks behoudenis en het geslacht van Abraham? Gaat gij zoo voort:

 
'k zie morgen u verlaeten
 
Van al uw' aenhang, niet een' halsvrient meer ten hoof,
 
Uw kroon en scepter en uw koningkryck ten roof
 
Voor al uw vyanden; en hoor een' storm verheffen
 
Veel schrickelycker dan uw hooft oit quam te treffen,
 
Van uwe jonkheit aen, tot heden dezen dagh.
 
Waeck op dan: stryck, en bergh uw kroon en ryx gezagh.

Och Joab - herneemt David -

 
Och Joab, wanneer kan het vaders hart oit liegen?
 
Natuur ontlast zich, die kan veinzen, noch bedriegen.
 
Dit's aangeboren. Dit's eene ingeschapenheit.
 
Natuur, Godts dochter, heeft dien bloetbant vast geleit.

Hooren wij hier niet een naklank van hetgeen Vondel kort te voren geschreven had?1)

 
Tusschen bloet en bloetverwant
 
Is een band
 
Van natuur, niet licht te breken
 
Van een' boom scheurt nimmer tack
 
Zonder krack
 
Zonder zucht en jammerteken.
 
Tusschen vader, en zijn kint,
 
Dat hy mint,
 
Is de taeiste band van magen
 
Daer natuur, geraeckt in strijt,
 
Maghtigh lyt
 
Watze kan en niet kan draegen.
[p. 452]

Dan komt Davids vrouw Berseba tusschen beide en zegt hoog en streng:

 
Aertsvader Abraham had wel natuur verwonnen.

Maar David antwoordt, echt menschelijk, schoon ietwat nuchter:

 
Wat vaders vint men, die dat voetspoor houden konnen?

Ik behoef wel niet te zeggen, dat hier gedoeld wordt op Abrahams offerande.

Reeds in een zijner eerste gedichten ‘de Vaderen’, naar het Fransch van Du Bartas bewerkt, had Vondel dat onderwerp behandeld1).

En als hij in later dagen, in Jeftha, den lof der gehoorzaamheid zingt, in dien schoonen rei2) waaruit men zich de treffende woorden zal herinneren:

 
Keur en zinlijckheden
 
Met den voet te treden
 
Godt ten prijs, tot 's naesten baet,
 
Is een' strijt gestreden
 
Hooger dan de reden,
 
En 't verstand der wijzen gaet,

dan denkt hij weder aan Abraham en Izak:

 
Isack, Abrahams zoon,
 
Volghde zijnen vader,
 
Hielt dien hoogen toon.
 
Zietze bey te gader.
 
't Outer staet gebout.
 
Isack, 's vaders zegen,
 
Knielt op 't offerhout.
 
Abraham treckt den degen
 
Om te slaen, als hem
 
d'Engel, met zijn stem
 
Uit den hemel tegenhiel
 
En beval den ram
 
t' Offren in de vlam
[p. 453]
 
Dat den hemel meer beviel
 
Dan den eerstgeboren
 
In zijn bloed te smooren,
 
Met des offraers hart vernoeght,
 
Gode, op zijn behaegen,
 
Willigh opgedraegen.
 
Ziet hoe hier die kroon op voeght.

Daar is nog een ander treurspel van Vondel waarin de liefde van een vader voor zijn zoon geschilderd wordt. Het is een zijner laatste werken, en werd geschreven in 1663, toen de dichter reeds 76 jaren telde. Ik bedoel Faëton of reuckelooze stoutheit1).

Faeton, zoon van Phebus en Klymene is door zijn oom Epafus getergd en beschimpt omdat hij niet weet wie zijn vader is. ‘Hier op’ - en nu geef ik aan Vondel zelf het woord - ‘Hier op trecktze (d.i. Klymene) met den zoone en haere dry dochteren, Faetuze, Lampetie, en Febe, uit Aethiopië door Oost-Indië, naer Febus hof en den opgangk der zonne, daer Febus haer en de kinders wellekomt, Faeton verzekert, dat hy zyn eigen vader is, en tot een onderpant van dien, met eenen hoogen eedt zweert den zoon te schencken, wat hy op zynen vader zal begeeren. Faeton eischt, den zonnewagen eenen dagh te mogen regeeren, het welck Febus hem ongaerne, doch door den hoogen eedt verbonden, ten leste inwillight. Faton styght hierop vrolyck te wagen, ruckt voort, en, onbedreven in het mennen der zonnepaerden, verbystert, mist de rechte heirbaan, en helpt de paerden, ten bederve der weerelt, aen 't hollen. Jupiter wert hierom van Juno en den Hemelraet gedwongen, dien brant te blusschen, en treft den reuckeloozen wagenaer, dat hy in den Padus [sedert den Eridaen naer hem genoemt] nederplompt, daer de moeder en gezusters met Cycnus het begraven lyck beklagen, en Klymene haere dochters in popelierboomen, Cycnus in eene zwaen ziet veranderen. Febus, in zijnen rouwe van de Goden beklaegt, en treurigh, laet

[p. 454]

zich eindelijck troosten, en gaet henen, om den gerabraeckten zonnewagen te herstellen, en weder te regeeren.’

Ik gaf dezen inhoud hier in Vondels eigen woorden weer, ook om nog eens duidelijk te doen uitkomen, welk pittig proza onze dichter schreef. Het is alsof wij dat nederplompen in den Padus hooren. Wij zouden misschien geschreven hebben nederploffen, maar Vondel maakt te recht tusschen ploffen en plompen een onderscheid. Als in Joseph in Dothan Ruben wil onderzoeken of de put, waarin straks Jozef zal worden neergelaten, wel droog is, laat hij een zwaren steen in dien put vallen, luistert even naar 't geluid dat de steen maakt en zegt:

 
Hy plompt niet eens, maer ploft; droogh is 't er; klaer ben ick.

Dat is het onderscheid tusschen plompen en ploffen. Hadden wij allen maar zooveel taalgevoel als Vondel! Maar hoe weinig Bataven zijn er die hun taal kennen in al haar overvloed!

 
Dit tusschen haakjes.
 
Keeren we nu terug tot ons drama.

Op het vernemen van Faëtons rampzalige keus roept Febus uit:

 
Och Faëton, myn zoon, indienge een aertspalais,
 
Een oostersch errefleen verzocht naer stijl en orden:
 
Of woudtge uw lichaem met een kleed van licht omgorden,
 
Het waer u toegestaen. Nu quetstme naberou.
 
Gy overschryt uw perck. Bera u met mevrou,
 
Uw lieve moeder. Eisch onoverwinbre standers,
 
En moedigheit in 't velt, een goutmyn, of iets anders,
 
Een konings dochter, die geen gade in schoonheit kent.

Maar herroep uw eersten eisch. Klymene voegt zich bij haar gemaal; beiden smeeken hun zoon, van zijn verlangen af te zien.

 
Myn waertste zoon - hervat Febus -
 
gy ziet uw moeder root bekreten,
 
Uw zusters dootsch van schrick. Wat durftge u nog vermeten?
 
De zonnebaen loopt eerst zoo steil en recht omhoogh,
 
Van's aerdtrijx kimmen naer den starrelichten boogh,
[p. 455]
 
Dat zelfs de paerden, in den koelen uchtend weigeren
 
Het spoor te houden, en bezwycken onder 't steigeren.
 
De renbaen, midden aen het hemelsche gewelf,
 
Leght zooveel hooger van den aerdtkloot, dat my zelf
 
Het hart in 't lichaem beeft, en popelt onder 't vaeren,
 
Wanneer ick neêrzie naer den aerdtboôm, en de baren.
 
In 't ende helt de wegh voorover, en begeert
 
In 't nederryden een gematightheit, volleert
 
Op 't onbekende spoor: en Tethys, vol verlangen,
 
Gewoon my 's avonts in haer' open schoot t'ontfangen,
 
Bestorf, uit vreeze dat ick niet met paert en wiel
 
Voorover nederplompte en in haer golven viel.

Niets helpt. De zoon is onverzettelijk. De vader gebonden aan zijn eed. Ten einde raad, onderricht Febus Faeton, hoe hij den wagen besturen moet om (als 't kan) behouden den tocht te volbrengen.

 
Gebruick de zweep, doch schaers, en hou den teugel kort.
 
Zy (de paarden) loopen willigh uit hunn' aert, als snelle stroomen,
 
Men kanze in 't rennen pas met arbeit innetoomen;
 
Vermy te rijden langs den wegh, die regelrecht
 
Door vijf starriemen loopt, en voor u open leght;
 
Naerdien mijn heirbaen breet en dwers valt, nochtans binnen
 
Dry hemelriemen blyft. Gebruick verstant en zinnen.
 
Vermy de zuidas en het noortsche Beerespoor.
 
En volgh mijn heldre streeck. Hier reedt u vader voor.
 
Zal aerde en hemel elck van pas uw warmte deelen,
 
Hou niet te hoogh, noch ook te laegh met uw garreelen:
 
Want rijdtge hoogh, zoo steeckt uw torts den hemel aen:
 
En rijdtge laagh, zoo ziet gy d'aerde in kolen staen.
 
De middelwegh alleen is veiligh, hoe men rijde.
 
Vermy de Slang aen d'een, 't Altaer aen d'andre zijde.
 
Blijf binnen uw besteck van wederzy vooral
 
Al 't overigh beveele ick 't hachelyck geval,
 
Dat helpe en hoede u voort, in 't op en nedervaeren,
 
Bewaere u beter dan ge u zelven kunt bewaeren.

Wij kennen den afloop.

 
Faëton - snikt de vader als hij den dood zijns zoons vernomen
 
heeft - och waert ge noit geboren!
 
'K heb mijnen Faëton, mijn' Faëton verloren.
[p. 456]

Wel mocht het koor zingen:

 
Wat is de kinderliefde krachtigh

(d.i. de liefde van de ouders voor hun kinderen)

 
En ouderliefde koud en kil!

Hoe krachtig spreekt die ‘kinderliefde’ ook uit de roerende lijkklacht over den dood van Jozef, die, in een ander treurspel van Vondel, Ruben zijn stokouden vader Jacob in den mond legt (de eisch van eenheid van tijd en plaats verbood den dichter den aartsvader zelf ten tooneele te voeren):

 
O hondert zeven jaer wat stapelt ghy op een?
 
'k Heb in myn jeught verdriet en dienstbaerheit geleen;
 
Myn broeders wrock bezuurt, veel jaeren moeten zwerven,
 
Maer 't leste valt my 't zwaerste. Ick ga met Joseph sterven1).

Daar straks werd Jeftha genoemd. Hier ziet men wederom een vader die door een lichtvaardige belofte zich in het ongeluk stort: maar tegenover dien vader staat thans niet een overmoedige zoon, maar een godvruchtige dochter, voor wie gehoorzaamheid de hoogste wet is.

Laat gehoorzaamheid - zingt de rei na het vierde bedrijf van dit treurspel -

 
Laet gehoorzaemheit
 
Toonen haer vermogen
 
In dees maeght, bereid
 
Zonder traen in d'oogen,
 
Jammer en misbaar
 
In haer lentedagen
 
Willigh, op 't altaer
 
Godt zich op te dragen
 
Tot een offerhant
 
Voor het vaderlant,
 
Om den vaderlycken eedt
 
En het vast verbont
 
Godt met vryen mont
 
Toegezworen, eer men street,
 
In zyn kracht te zetten
[p. 457]
 
Zonder dwangh van wetten,
 
Tot een' spiegel voor de jeught
 
Die hier uit zal leeren,
 
Godt in d'oudren eeren
 
O hoe zeldzaem is dees deught1).

Het zou ons te ver voeren uit dit schoone dichtwerk nog meer stukken aan te halen; liever wil ik nog, zij het ietwat korter, iets meedeelen over de liefde tusschen bruid en bruidegom, tusschen man en vrouw, bij Vondel.

Van Vondels eigen huwelijksleven weten wij niet veel. Het heeft bijna vijf en twintig jaren geduurd. Maaike de Wolf schijnt eene goede huisvrouw geweest te zijn, die haar man flink hielp in zijne zaken. Toen zij, in Februari 1635, stierf, kort na den dood van twee kinderen, was Vondel nog geen 48 jaar oud. Vier en veertig jaar heeft hij daarna als weduwnaar geleefd, niet hertrouwend als Hooft, maar deelend in het lot van Huygens en Cats, die evenmin als hij hun geluk hebben gezocht in een tweede huwelijk. Vondel placht zijne vrouw bij haar leven niet te bezingen - zooals Bilderdijk, Beets en anderen in later eeuw deden - maar toen hij haar in de Oude Kerk grafwaarts gebracht had, wijdde hij eene roerende Lyckklaght aan het Vrouwekoor over het verlies van (zijne) ega2), waarvan de aanhef aldus luidt:

 
O heiligh Koor, dat van de mynen
 
't Vergaen en onvergaen gebeent
 
Bewaert, en sachte rust verleent,
 
Tot dat de son vergeet te schynen.

En diep bedroeft vervolgt de dichter:

 
Nu groeit 't getal van uwe lycken
 
Door een, dat meest myn geest bedroeft,
 
En met een lyckschroef 't harte schroeft
 
Die voor geen jammerklaght sal wycken,
 
 
 
Nu parst uw harde serck het kermen
 
En traenen uit het hart en oogh
[p. 458]
 
Om myn Kreuse, die om hoogh
 
Gevaren, smolt in bey myn armen.

Dan herhaalt hij de laatste woorden van de afgestorvene, waarmee zij hem heeft getroost en bemoedigd en aangespoord om het groote dichtwerk, waaraan hij bezig is, voort te zetten, en hem haar uitersten wil heeft doen kennen:

 
Bestel myn sterflijck deel ter aerde
 
In 't Koor der segenrijcke Maeghd,
 
Daer zulck een schaar den naam af draagt,
 
En die myn naam oock gaf zyn waarde.
 
 
 
'k Verhuis, van 't aardsche juck ontslagen
 
Om hoogh, in 't hemelsche gebouw.
 
Besorgh de panden van ons trouw,
 
Twee kinders, die ick heb gedragen.

(Een dier panden was Joost, van wien boven reeds een en ander gezegd werd, het andere, Anna, die de steun haars vaders geweest is, maar die hem, toen hij reeds hoog bejaard was, nog moest ontvallen.)

En dan roept hij uit, als een droef vaarwel, de belofte inhoudende, dat hij haar, die hem zoo lief geweest is, nimmer vergeten zal:

 
 
 
Marie, al laat ghy my alleen
 
Uw vriendschap, uw gedienstigheên
 
Staan eeuwigh in myn hart geschreven.
 
 
 
Hoe veer dees voeten moghten dwalen,
 
'k Sal derwaart myn bedruckt gesicht
 
Noch slaan, daar voor het rijsend licht
 
Uw bleecke star ging onderdalen.

Wat Maria de Wolff geweest is voor Vondel, dat was de wakkere Maria van Reigersberg voor Hugo de Groot.

Tot deze andere Maria richtte Vondel na de Groots verlossing uit Loevestein het gedicht dat aldus begint:

 
Gewelt van wallen, dubble gracht,
 
Ontruste honden, wacht by wacht,
 
Beslage poorten, ysre boomen,
[p. 459]
 
Geknars van slotwerck, breede stroomen,
 
En d'onvermurwde kastelein
 
Versekerden, op Loevestein,
 
Den Grooten Huigen, buiten duchten
 
Van in der eeuwigheid t'ontvlughten!
 
Ten waar syn schrandre gemalin
 
En druckgenoot en kruisheldin
 
Een eerlijcke uitkomst had gevonden
 
En hem van 't lang verdriet ontbonden1).

In dit vers treffen wij ook deze regels aan van meer algemeene strekking, waarin de slimheid (ergheid) der vrouwen geprezen wordt, en die misschien (ik zeg misschien) ook nog wel gelden voor sommige (ik zeg sommige) vrouwtjes van onzen tijd:

 
Een vrouw belacht al die haar parssen,
 
En laat hen op de tanden knarssen.
 
Een vrouw is duisent mannen t'ergh.

Over de bruiloftsdichten van Vondel zal ik niet uitweiden. Eerlijk gezegd: al schuilt er verdienstelijk werk onder, ik geloof niet dat er in onze dagen velen zijn die ze voor hun genoegen zullen lezen, en wie ze leest kan vaak den wensch niet onderdrukken, dat zij in kortheid iets meer nabij kwamen aan 't versje dat Vondel gemaakt heeft op het trouwen van juffrouw Magdalena van Erp met Justus Baeck (‘Als juffrouw Magdalena haren Baak trouwde’, luidt het opschrift), en dat aldus luidt:

 
Veel Baken staan ten toon voor u en ijder een,
 
Maar deze Baak die is voor u, o Maagd, alleen2).

Een tweetal wil ik hier echter mededeelen.

Het eene is gedicht voor de Bruiloft van Sybrant Kamay en Maria Koppesen. De bruid woonde in een huis waar het Paradijs uithing. Het gedicht kenmerkt zich door bevallige losheid.

 
De Mensch is buiten Echt maar hallef mensch gerekent;
 
Waer vind ick, sprack Kamay, het andre halve deel?
 
Met welck een' naem en merck heeft Godt myn Gâ getekent?
[p. 460]
 
Ick zworf te lang alleen in 't Kristensch Lustprieel,
 
Te Rome en overal. Waer zit myn lief gescholen?
 
Wanneer verschijnt my eens dat hart verquickend Licht?
 
Zoo klaagde Sybrant vast, vermoeit van om te dolen,
 
En heimelyck geraeckt van eenen zuivren schicht;
 
Als d'Engel Rafaël, by Aemstels groene weide,
 
Hem in den May verscheen, veel zegens wenschte en spoet,
 
En vrolyck by de hant in 't Paradys geleide
 
Alwaer geen Eva maer Maria hem gemoet.
 
De Leitsman sprack; dat is de Balsem voor uw wonden:
 
Ghy zocht uw Helft, en hebtze in 't Paradys gevonden1).

Het andere is door den bijna 87 jarigen dichter gemaakt op het huwelijk van Sybrant de Flines en Agnes Block. De bruidegom was weduwnaar, de bruid weduwe; hij dreef handel in zijde; zij teekende keurig, kon goed terecht met de schaar, waarmede zij aardige figuren knipte, en was een liefhebster van bloemen.

Onmogelijk is het niet dat de oude heer Vondel zelf tot de bruiloftsgasten behoord heeft. De eerste man van Agnes Block toch was een neef van Vondel ‘Bij dien neef’ - schrijft Brandt2) - ‘(die hem in 't bestieren zijner middelen zeer behulpzaam was, en alles voor hem bezorghde, dien hij ook alle zijne huiszorgen en huisgeheimen openbaarde) plagh hy alle weeke, des vrydaghs ter maaltijdt te gaan, wel veertien of vijftien jaaren lang: ook na zyn doodt bij de weduw, sedert hertrouwt, zoo lang als hy gaan kon: vindende in zynen ouderdom nergens grooter vermaak dan in haar gezelschap en gesprek’.

Het gedicht3) treft ons door zekeren hartelijken eenvoud.

 
Wat teelt onderlinge min?
 
Twee gelyken eens van zin,
 
In al wat men geestigh rekent.
 
Beide in kloek vernuft uitsteekent,
 
d'Een schept zomwyl lust op 't lant
 
Daer zy bloemen zaeit en plant,
[p. 461]
 
Of de Bloemgodin helpt vieren
 
En het loofwerk op papieren,
 
Uitgesneden met de schaer,
 
Offert op het huis altaer:
 
d'Ander heeft Natuur getroffen,
 
Als hy net in zyde stoffen,
 
Loof en schoone bloemen weeft,
 
Schooner dan de lente ons geeft.
 
Wat kan zulk een huwlyk baren,
 
Daar die beide in echt vergaeren,
 
Met een ryp en wys beleit,
 
Anders dan genoeghzaemheit?
 
Flines, die door stadigh minnen
 
't Onvermurwde hart kost winnen
 
Van uwe Agnes
 
- dat klinkt wat vreemd bij een huwelyk als dit -
 
out en jongk
 
Drinkt met eenen blyden dronk
 
U geluk toe. Godt wil geven
 
Dat gy beide in vreught mooght leven.

Van Vondels bruiloftsdichten naar Vondels treurspelen is een groote stap, en van Sybrant de Flines en Agnes Block naar Adam en Eva, die stap is nog grooter.

Wie de vertooning van Adam in Ballingschap door Willem Royaards en zijn gezelschap hebben bijgewoond zullen zich zeker nog wel den schoonen rei herinneren, waarin het echtverbond van het eerste menschenpaar bezongen wordt.

 
O geluckige gepaerde,
 
Bruigom met laurier bekranst,
 
En gy bruit, daer 't al om danst.
 
Wat in hemel en op aerde,
 
Zich in uw geluck verblijt
 
Gunt uw gasten, datze om strijt,
 
Gode en u ter eere, trippelen
 
En rondom U heene hippelen1).

En dan heugt hun stellig ook nog wel die liefelijke beurtzang, waarin Adam uitroept:

[p. 462]
 
Nu kenne ik eerst het heil van 't goet
 
Der megenootschap, nu gy blyde
 
U weet te voegen aan myn zyde
 
Wat valt my uw genootschap zoet....

en Eva antwoordt:

 
Wat u, mijn lief, alleen vermaeckt,
 
En anders niet, zal my behaegen,
 
Van dat het eerst begint te daegen,
 
Tot dat de zon haer daghvaert staeckt1).

Is dat geen volmaakte liefde?

 

En toch dezelfde vrouw wordt de verleidster van haren man. Of laat ons liever zeggen: het is de liefde van den man voor de vrouw, die hem doet vallen.

 
O welck een stryt! Hier staet het vrouwe beelt, daer Godt.
 
Hier vleitme haere bê: daer dreight me een streng verbodt.
 
Zal ick de liefde en gunst van myne vrouwe ontbeeren,
 
Of d'opperste genade in ongena verkeeren?2)

Zoo zucht Adam - en hij valt.

 

En zooals het Adam ging, zoo gaat het ook - in een ander treurspel van Vondel - met Salomo, die zich door Sidonia laat verleiden tot afgoderij als zij hem belegert met tranen en zuchten.

Hoor, hoe zij klaagt:

 
Sidonia ontloock gelyck een weereltswonder:
 
Zy ging in roozen op: nu gaetze in tranen onder.
 
Zy leeft te lang, die jong niet meer te hopen heeft,
 
En haer geluck en eere in droefheit overleeft3).

En ook Salomo bezwijkt: de Koning legt den schepter neer aan de voeten eener vrouw.

 

Wel heeft de rei gelijk gehad:

 
Kan de Min den Vorst bekooren,
 
Dat hy van zyn' plicht vervremdt.
[p. 463]
 
Dan regeert geen man den Staet
 
Maar een vrouw in man gewaet1).

De Leeuwendalers, dat aardige landspel gedicht ter viering van den Munsterschen vrede, eindigt met het huwelijk tusschen Adelaert en Hageroos, nadat Hageroos haar leven heeft willen opofferen om Adelaert te beschermen tegen de pijlen van den wildeman, of om, als het moet, met hem één dood te sterven.

 
Myn lief, myn Adelaert, omhels my eens voor 't leste:
 
Uw trouw verplichte my; nu geef ick 't lyf ten beste,
 
En trede in uwe plaats.................
 
Zoo moet een lief haer lief beschutten, en beschermen,
 
Zoo sterftze, wel getroost en vrolyck, in liefs armen2).

Gelukkig blijven beiden gespaard, en ten slotte zingt de rei:

 
't Is bruiloft in de weide;
 
't Is bruiloft op het lant!
 
Nu danst om deze beide,
 
En huppelt hant aen bant
 
Om Hageroos en Adelaert,
 
Door ongeveinsde min gepaert,
 
Door reine liefde en trouw vergaert.
 
O zoete zachte bant3).

En behoeft de aandacht nu nog ten slotte te worden gevestigd op Badeloch, de huisvrouw van Gijsbrecht van Aemstel? Men kent haar immers. In haar zien wij het beeld der huwelijkstrouw. Het was kort na Maaikes dood dat Vondel die figuur schiep, en 't is wel waarschijnlijk dat hij daarbij gedacht heeft aan zijn overleden vrouw.

Hoe innig gehecht is Badeloch aan haar man. Wat is zij verheugd, als zij hem, dien zij dood gewaand had, terugziet. Hoort haar juichen:

 
Nu ghy behouden zyt, is al myn leet vergeten,
 
Myn trouwe bruidegom, myn hoofd, myn troost, myn schat.
[p. 464]
 
Nu ghy behouden zyt, wat geef ick om de stad,
 
Om al des weerelds goed!...............1)

Welk een trouw echtgenoot. Hoe voelt zij zich één met haar gade. Zij wil haar Gijsbrecht niet verlaten, zelfs niet in het hachelijkst oogenblik, als de stad in 's vijands handen gevallen is. En als zij kiezen moet tusschen haar man en hare kinderen, dan betuigt zij van heeler harte:

 
Ick zou om eenen man wel bey myn kinders geven.....
 
Met smarte baerde ick 't kind, en droegh het onder 't hart
 
Myn man is 't harte zelf. 'k Heb zonder hem geen leven2).

Wel mocht de rei van Edelingen vragen:

 
Waer werd oprechter trouw
 
Dan tusschen man en vrouw
 
Ter wereld oit gevonden?

om ten slotte van de liefde tusschen hen die jaren lang door den band des huwelijks verbonden zijn geweest te getuigen:

 
Die liefde is stercker dan de dood.
 
Geen liefde koomt Gods liefde nader,
 
Noch schynt zoo groot3).