[p. 254]

Verzen
Van W.G. Zwaan.

Avond-nevel.
 
De zon was heengegaan;
 
Een nevel-waas schoof bleeke wade
 
Ongeziene aan,
 
De duinen schenen zich te baden,
 
Hadden slui'ren omgedaan...
 
 
 
De zee werd wolkenbaan,
 
Waarin de schepen 'luidloos zonken
 
Stil teniet gedaan,......
 
En alles alles was verdronken,
 
Heel de wereld scheen vergaan......
[p. 255]
Gevangenis.
 
Ach, de nacht is weer koud en kil,
 
Een gapend duister, blik in graf, -
 
Ach, mijn starende oogen zijn strak,
 
Mijn handen lam - en 'k ben zoo moe......
 
 
 
'k Zie niets dan vallende blâren,
 
Blâren, ach, die vallen ten grave, -
 
Hulpeloos snik ik, gemarteld -
 
En wil slapen -, maar kàn niet slapen......
 
 
 
Ach, een zware deur houdt tegen -
 
En dikke muren, die grijnzen, -
 
Ik ben in cel van dood-gedoemde,
 
Die niet mag -, wachten moet, ach, wachten......
 
 
 
De nacht is koud en kil, maar geeft...
 
Geen koeling -; een doffe wensch
 
In wanhoop broeit......, ach, 'k verlang naar dood
 
Naar dood, - want 'k ben ontmoedigd, en zoo moe...
[p. 256]
Avond.
 
Kalm ligt zee in avond, bewegingloos,
 
Rustig doez'lend matten suizel-klater
 
Van paar kleene loome dommel-golfjens -,
 
'n Licht van vaag een scheepje wiegelt nauw'lijks......
 
 
 
Stil is 't strand - en stil zijn de duinen -, leev'-
 
Verlaten......, door mensch ontvlucht, die schijnbaar
 
Prett'ger toeft......; ik ga alleen, plezier-bewust. -
 
 
 
Wolken-hemel laat soms even blinken
 
Verscholen maan, waardoor dan alles wit-
 
Overdroomd wordt als met smet'loos sneeuwlaag
 
In een bleeke mijmerende scheem'ring. -
 
 
 
En groote stilte heerscht -, al het geluid
 
Schijnt als boei-bevrozen......; vrede, alom
 
Vrede, die een rust schenkt, diep geweten. -
 
 
 
Maar, weer verderop, terug, daar bronst mij
 
Roezing tegen, als een stormig brand,
 
Van de daver-dondering der stad,
 
Schatert geel-rood licht op -. Vreê zijgt henen......