|
|
|
| |
| | | |
Verzen
Van W.G. Zwaan.
Avond-nevel.
Een nevel-waas schoof bleeke wade
De duinen schenen zich te baden,
Hadden slui'ren omgedaan...
Waarin de schepen 'luidloos zonken
Stil teniet gedaan,......
En alles alles was verdronken,
Heel de wereld scheen vergaan......
| | | |
Gevangenis.
Ach, de nacht is weer koud en kil,
Een gapend duister, blik in graf, -
Ach, mijn starende oogen zijn strak,
Mijn handen lam - en 'k ben zoo moe......
'k Zie niets dan vallende blâren,
Blâren, ach, die vallen ten grave, -
Hulpeloos snik ik, gemarteld -
En wil slapen -, maar kàn niet slapen......
Ach, een zware deur houdt tegen -
En dikke muren, die grijnzen, -
Ik ben in cel van dood-gedoemde,
Die niet mag -, wachten moet, ach, wachten......
De nacht is koud en kil, maar geeft...
Geen koeling -; een doffe wensch
In wanhoop broeit......, ach, 'k verlang naar dood
Naar dood, - want 'k ben ontmoedigd, en zoo moe...
| | | |
Avond.
Kalm ligt zee in avond, bewegingloos,
Rustig doez'lend matten suizel-klater
Van paar kleene loome dommel-golfjens -,
'n Licht van vaag een scheepje wiegelt nauw'lijks......
Stil is 't strand - en stil zijn de duinen -, leev'-
Verlaten......, door mensch ontvlucht, die schijnbaar
Prett'ger toeft......; ik ga alleen, plezier-bewust. -
Wolken-hemel laat soms even blinken
Verscholen maan, waardoor dan alles wit-
Overdroomd wordt als met smet'loos sneeuwlaag
In een bleeke mijmerende scheem'ring. -
En groote stilte heerscht -, al het geluid
Schijnt als boei-bevrozen......; vrede, alom
Vrede, die een rust schenkt, diep geweten. -
Maar, weer verderop, terug, daar bronst mij
Roezing tegen, als een stormig brand,
Van de daver-dondering der stad,
Schatert geel-rood licht op -. Vreê zijgt henen......
|
|
|