Opuscula Selecta Neerlandicorum de arte medica. Jaargang 1937


auteur: [tijdschrift] Opuscula selecta Neerlandicorum de arte medica


bron: Opuscula Selecta Neerlandicorum de arte medica. Jaargang 1937. Sumptibus Societatis, Amsterdam 1937  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. *1]


illustratie
Gulielmus Piso.


[p. *2]


illustratie
Title of Gulielmi Pisonis De Indiae utriusque re naturali et medica, 1658.


[p. XI]

Gulielmus Piso
Capita nonnulla de ventris fluxibus, de dysenteria, de lue Indica, de Ipecacuánha.

[p. XII]

Inleiding.

Met de verovering van Olinda, een versterking op de kust van Brazilië, begon in het jaar 1630 een nieuw tijdperk in het bestaan der West-Indische Compagnie. Tot dat tijdstip had zij er zich toe bepaald, de vijanden der Republiek te verontrusten en afbreuk te doen in dat gedeelte van hun overzeesch gebied, van waar hun een onafgebroken stroom van rijkdommen toevloeide. De aanvallen op de rijke retourvloten der Spanjaarden en het verontrusten van hun nederzettingen bleken echter op den duur niet mogelijk, zonder het bezit van versterkingen en havens, welke als basis van haar ondernemingen konden dienen en haar scheepsmacht een veilig toevluchtsoord en gelegenheid tot onderhoud en herstel konden verschaffen.

Nadat haar invloedsspheer zich in den loop van enkele jaren na deze vestiging zoodanig had uitgebreid, dat de kern van een blijvende nederzetting was gevormd en de betrekkingen met de inboorlingen de kans op vreedzame verhoudingen en een voor beide partijen bevredigende samenwerking konden doen verwachten, achtte de Ed. Compagnie den tijd gekomen, haar gezag een vasteren vorm te geven en besloot de behartiging van haar belangen aan een, met uitgebreide volmacht bekleeden, vertegenwoordiger op te dragen. Behalve de handhaving van het gezag der Compagnie en het treffen van de daartoe noodige maatregelen, zou ook een nauwkeurige en doelmatige verkenning van het onbekende Westelijke vasteland, een degelijke en loonende ontginning van zijn natuurlijke rijkdommen, het bevorderen der kolonisatie, het scheppen van ordelijke toestanden en de bescherming en versterking van de bestaansmiddelen der ingezetenen tot zijn taak behooren. Ingevolge dit besluit werd Joan Maurits van Nassau, veldoverste in Staatschen dienst, een kleinzoon van Jan van Nassau, den broeder van Willem van Oranje, tot gouverneur van Brazilië benoemd; den 25sten October 1636 vertrok hij naar zijn nieuwe bestemming.

De keus, door bewindhebbers gedaan, had moeilijk beter kunnen zijn. Onder de 3000 man, die op 12 schepen den tocht naar het Westen aanvaardden, bevond zich een kern van geleerden en kunstenaars, geschikt en bereid den gouverneur in zijn grootsche plannen tot hervorming en ontwikkeling

[p. XIII]

Introduction.

With the conquest of Olinda, a fortification on the coast of Brazil, in the year 1630, there began a new era in the existence of the Dutch West-Indian Company. Up to that time, it had restricted itself to the disturbing and damaging of the enemies of the Republic in those parts of their oversea territory whence an unbroken stream of riches flowed to them. The attacks on the rich homeward bound fleets of the Spaniards and the harassing of their settlements, proved impossible in the long run, however, without the possession of fortifications and harbours to serve as bases of its enterprises and as shelters for the repair of its naval force.

 

When the sphere of its influence had, in the course of a few years after the establishment of these, spread to such an extent that the centre of a permanent settlement had been formed, and when the relations with the natives justified the expectation of peace and a satisfactory coöperation, the West-Indian company, considering that the time had come to give more definitite shape to its authority, resolved to en trust its interests to the care of a representative endowed with extensive power. Besides the taking of the necessary measures to maintain the company's authority he was expected to promote accurate and efficient reconnoitring of the unknown western continent, adequate and remunerative reclaiming of the treasures of its soil, to encourage colonisation and create order and protect and enlarge the means of existence of the inhabitants. In consequence of this resolution Joan Maurits van Nassau, general in the service of the States, grandson to Jan van Nassau, William of Oranje's Brother was appointed governor of Brazil and left for his destination on the 25th of October 1636, reaching it on the 23rd of January 1637.

 

No better choice could have been made. Among the three thousand men who, in twelve ships, started on the voyage to the West, there was a nucleus of artists and scholars ready and fit to assist the governor in the execution of his great plans for the reform and development of his new territory. Of

[p. XIV]

van zijn nieuwe gebied bij te staan. Behalve door kunstenaars, zooals den bouwmeester Pieter Post en de schilders Elbert Eechout en Frans Post, werd hij vergezeld door Dr. Wilhelm van Milaenen, aangesteld als lijfarts van den gouverneur en chef van den geneeskundigen dienst in Brazilië, wien tevens het natuurkundig onderzoek der Amerikaansche kolonie was opgedragen.

Eenige gelegenheid te toonen, dat hij voor zijn veelomvattende taak geschikt was, heeft dezen echter ontbroken; reeds den 25sten Augustus 1637 schreef Maurits aan H. Negentien:

‘Wy hebben U.Ed. voor dezen geschreven, aangaande het overlijden van den heer Wilhelm van Milaenen, medicinae doctor, soo gelieve U Edele naer een ander bequaem en ervaren persoon uyt te sien en ons wel spoediglyck te sturen, want hier niemant is, die men de cure van eenige sware ofte periculeuse siekte soude mogen vertrouwen, soodat Syne Excellentie by gebreck zich tegenwoordich dient van eenen portugeschen doctor. Wy hebben wel een goed chirurgyn of twee, maar dienen niet boven haren muyl te gaan, want sy onderwinden haar lichtelyk meer, als sy connen uitvoeren.’

Aan dit verzoek is met bekwamen spoed gevolg gegeven; nog in het eind van hetzelfde jaar bereikte Dr. Willem Piso, geneesheer te Amsterdam, zijn nieuwe bestemming. Ondanks zijn jeugdigen leeftijd was het hem blijkbaar reeds gelukt de aandacht op zich te vestigen en werd hein ‘staende op syn vertrek naer Brezyl’ door J. van den Vondel een ‘Behouden reis’ toegezongen, waarvan de eerste regels luiden:

 
‘O Pizo, die tot 's Graven heil
 
Naar 't suickerlant Brezyl gaat varen,
 
Gewenschte wint, die vare in ’t zeil
 
En zette u vrolick op het strant,
 
Daar Nassau nu zijn vaandel plant’.

De nieuwe functionaris der West-Indische Compagnie, wien dit hartelijk vaarwel gold, was in 1611 te Leiden geboren, als zoon van Hermanus Pies of Piso van Cleef, die den 6en Mei 1607, op 27-jarigen leeftijd, te Leiden als student in de medicijnen was ingeschreven. Hij schijnt deze studie niet te hebben voltooid en wordt in later jaren als luitspeler en organist der Hooglandsche kerk genoemd. Zijn oudste zoon Willem echter, reeds in 1623, op 12-jarigen leeftijd, als student ingeschreven, deelde blijkbaar de voorliefde van zijn vader voor de studie der geneeskunde en heeft, na zich op de Latijnsche school voorloopig te hebben bekwaamd, o.a. de lessen van Heurnius en Screvelius aan dezelfde universiteit gevolgd. Deze studie werd op 4 Juli 1633 met een promotie te Caen besloten.

[p. XV]

the former may be mentioned the master-builder Pieter Post and the painters Elbert Eechout and Frans Post; among the latter Dr. Wilhelm van Milaenen, physician to the governor and chief of the medical service in Brazil, who was also charged with physical research in the American colony.

 

He did not get the chance, however, to prove himself suitable for these manifold tasks, for, already on the 25th of August 1637, Maurits wrote to the G. Nineteen:

‘We wrote to you, Honoured Gentlemen, concerning the death of Mr. Wilhelm van Milaenen; may it please you to find some other capable and experienced man and send him out to us without delay, for there is no one here to whom could be entrusted the care of any serious or dangerous disease, so that, at present, in cases of necessity, his Excellence calls in a Portuguese doctor. We have indeed one or two good surgeons, but ought not to expect too much of them, for they are only too ready to take more upon themselves than they can achieve.’

 

With due speed this request was complied with; before the end of the same year Dr. Willem Piso, physician in Amsterdam, reached his new destination. Notwithstanding his youthful age, he had evidently already succeeded in attracting attention and, ‘on the point of leaving for Brazil’', he was, by J. van den Vondel, wished a ‘safe Journey’, the first lines of which run (translated):

 
‘O Piso, who for the Count's weal,
 
Art sent to Brazil's sugar lands,
 
May happy breezes fan thy sails,
 
And waft thee to the favoured strands
 
Where Nassau now his standard plants.’

The new functionary of the West-Indian Company, to whom this cordial farewell was addressed, was born in Leyden in 1611, as the son of Hermanus Pies or Piso van Cleef who, at the age of twenty-seven, had matriculated on the 6th of May 1607, as a student of medicine. He does not seem to have finished these studies and is mentioned, in later years, as lute-player and organist of the ‘Hoogland kerk’. His eldest son Willem, however, who matriculated as early as 1623, at the age of twelve, evidently shared his father's preference for the study of medicine and, after his preparatory training at the Latin School, attended the lectures of a.o. Heurnius and Screvelius at the same university. On the 4th of July 1633 he graduated at Caen.

[p. XVI]

Merkwaardig is het, dat hij voor deze promotie de universiteit heeft gekozen, waar ook Prof. van Baerle in het jaar 1620, na zijn ontslag als hoogleeraar te Leiden, in de geneeskunde was gepromoveerd. Daar Barlaeus in Januari 1632 zijn oratio inauguralis als professor aan de illustre school te Amsterdam had gehouden, zou dit er op kunnen wijzen, dat de vriendschappelijke verhouding tusschen hem en Piso, die in latere jaren bestaan heeft, reeds uit dien tijd dagteekent en dat Piso, zoo hij al niet te Amsterdam woonde, daar toch vrij goed bekend was, een vermoeden, dat versterkt wordt door het hiervoor aangehaalde afscheidsvers van Vondel.

Dat Piso de eigenschappen bezat, die hem geschikt maakten aan de veelomvattende en uiteenloopende eischen, die hem werden gesteld, naar behooren te voldoen, mag uit zijn standaardwerk, een statigen, voortreffelijk uitgevoerden en fraai verluchten folioband, die in het jaar 1648 bij Hackius en Elzevier te Amsterdam het licht zag, worden besloten.

Behalve over een degelijke kennis van de geneeskunde en de historia naturalis, beschikte hij over een bewonderenswaardige werkkracht, een scherp vermogen van waarneming en de gave zijn ervaringen en indrukken bevattelijk en overzichtelijk te boek te stellen. Wanneer wij bedenken, onder welke omstandigheden de stof voor zijn werk is verzameld, hoe het ambt van lijfarts van den gouverneur, de zorg voor den geneeskundigen dienst der kolonie, de behandeling van zieken en gezonden in en buiten het hospitaal, verzwaard door den invloed van een tropisch klimaat en de onvermijdelijke tegenspoeden, die hem in een tamelijk primitieve omgeving wachtten, hun storenden invloed op geregeld wetenschappelijk werk hebben doen gelden, dan mogen wij dezen pionier der natuurwetenschappen onzen lof en onze bewondering niet onthouden.

Verplaatst in een wereld, waar levensomstandigheden, bodem, klimaat, inwoners, dieren- en plantenwereld nagenoeg in ieder opzicht verschilden van de omgeving, waarin hij was opgevoed en gevormd, was hij vrijwel op zich zelf aangewezen, om daarin den weg te vinden en zijn landgenooten in te wijden in den overstelpenden rijkdom, dien de natuur over die overzeesche gewesten had uitgestort. Om met dit reuzenwerk te durven beginnen, was meer noodig dan de werklust, het uithoudingsvermogen en de dorst naar kennis, die hem in zijn voornemen hebben doen slagen. Zijn bewondering en ontzag voor de goddelijke natuur, die zich op zoo wisselende wijze en in zulk een onuitputtelijken rijkdom van vormen, kleuren en verschijningen over de geheele aarde openbaart, doet hem van tijd tot tijd zijn zakelijke en nauwkeurige beschrijvingen afbreken, om uiting te geven aan de gevoelens, die hem bezield hebben, dit grootsche werk te ondernemen. Vooral in de voorrede van De Indiae utriusque re naturali et medica treft het ons, hoe hij in duidelijke termen zijn verbazing en verontwaardiging

[p. XVII]

It is note worthy that he chose the university where also professor van Baerle graduated in medicine, in 1620, after his dismissal as professor of the Leyden University. It is very likely that the friendly relations that existed between the two men in later years dated from this time. In January 1632 Barlaeus held his oratio inauguralis as professor of the Illustrious School in Amsterdam and though Piso did perhaps not live in Amsterdam at the time, he must have been very well-known there, a supposition which is confirmed by Vondel's farewell poem, quoted above.

 

That Piso possessed the qualities enabling him to satisfy the manifold and diverse requirements made of him, may be concluded from his standard work, an exceedingly well-executed, wonderfully illuminated folio volume, which appeared in the year 1648 at Hackius and Elzevier's in Amsterdam.

 

Besides a sound knowledge of medicine and historia naturalis, he had marvellous energy, keen power of observation, and the gift of describing his experiences and impressions clearly and comprehensibly. If we consider under what circumstances the subject-matter for his work was collected, how the functions of physician to the governor and of chief of the medical service of the colony, the treatment of the sick and the healthy in and outside the hospital, in addition to the strain of the tropical climate and the inevitable difficulties connected with rather primitive surroundings, interfered with regular scientific work, we cannot but admire this pioneer of physical science.

 

Transferred to a world in which not only the conditions of life, soil, climate, but even the inhabitants, animals and plants were in almost every way different from those to which he had been accustomed, he was almost entirely left to his own devices to find his way in it, and introduce his compatriots to the overwhelming riches lavished by nature on these oversea regions. To start on this enormous undertaking more was required than the energy, the power of endurance and the thirst of knowledge which enabled him to succeed. His awe of and admiration for divine nature revealing itself in such various ways and with such inexhaustible wealth of forms, colours and phenomena all over the earth, causes him, from time to time to break off his exact and businesslike descriptions in order to express the feelings which inspired him to undertake this great work. Especially in the introduction to De Indiae utriusque re naturali et medica, he gives expression to his astonishment and indignation at his contemporaries and at preceding generations, who excited themselves to

[p. XVIII]

uitspreekt over zijn tijdgenooten en vorige geslachten, die met groote inspanning en levensgevaar de onmetelijke zeeën hebben doorkruist, om de uiteinden der aarde te bereiken en te betreden en op het oogenblik Oosten West-Indië aan hun belangen hebben onderworpen, zonder echter blijk te geven, eenig oog te hebben voor de wonderwerken van God en de natuur, die daar in zulk een weelderigen overvloed zijn te aanschouwen.

Het resultaat van deze groots opgezette verkenning van de natuurlijke gesteldheid der Braziliaansche gewesten, zooals dit in de Historia naturalis Brasiliae is opgeteekend, danken wij niet aan Piso alleen. Van zijn medewerkers, Marcgrav en Cralitzius, beiden als student in de geneeskunde te Leiden ingeschreven, heeft vooral de eerste een belangrijk aandeel in dit onderzoek op zich genomen. Dat de resultaten van Cralitzius' medewerking niet duidelijk zijn te bepalen, mag daaraan worden toegeschreven, dat deze niet belangrijk kunnen zijn geweest: reeds kort na zijn aankomst in Brazilië is hij gestorven.

De Historia naturalis geeft weinig aanleiding tot verschil van meening over de vraag, welk aandeel aan Piso en welk aan Marcgrav moet worden toegeschreven. In de inhoudsopgaven vindt men, na de vier onder Piso's naam vermelde boeken: De Medicina Brasiliensi, respectievelijk handelend over het klimaat en de natuurlijke gesteldheid, de ziekten, de giftige planten en dieren met hun tegengiften en de krachten der inheemsche geneeskruiden, acht boeken vermeld van de hand van Georg Marcgrav van Liebstadt bij Meissen, onder den titel: Historiae Rerum naturalium Brasiliae, waarin de planten, dieren en inboorlingen van dat land stelselmatig en uitvoerig worden behandeld en met eigen teekeningen van den schrijver toegelicht.

In de tweede uitgaaf van Piso's werk: De Indiae utriusque re naturali et medica, in 1658 verschenen en vermeerderd met de zes boeken van Jacobus Bontius Historiae naturales et medicae Indiae Orientalis is deze duidelijke scheiding tusschen het aandeel van Piso en Marcgrav vervallen.

Reeds bij de eerste uitgaaf van Piso's werken, was ook Marcgrav niet meer in het land der levenden, zoodat Piso zelf diens aanteekeningen, door J. de Laet bewerkt, bij zijn werk heeft gevoegd, ‘opdat de asch van den overledene de hem toekomende eer zou ontvangen’, daarbij uitdrukkelijk verklarend, dat Marcgrav zich van zijn deel van het onderzoek, de aardrijkskunde, de natuurlijke historie en de sterrenkunde betreffend, steeds met ijver en toewijding heeft gekweten. Deze duidelijke en waardeerende uitspraken in de eerste uitgave van Piso's werk te vinden, zouden al voldoende zijn, om hem vrij te pleiten van de beschuldiging met geleende veeren te pronken. Hoewel Piso in zijn tweede uitgaaf: De Indiae utriusque re naturali et medica, waarschijnlijk om herhalingen te vermijden en de leesbaarheid en overzichtelijkheid te bevorderen, de rangschikking der hoofdstukken heeft

[p. XIX]

the utmost and risked their lives crossing immeasurable seas to reach and set foot on the ends of the earth, so that now the East- and West-Indies are submitted to their interests, and yet never gave any proof of having an open eye to the marvels of God's creation, which are revealed there in such rich profusion.

 

It is not to Piso only that we owe the result of this nobly conceived reconnoitring of the natural dispositions of the Brasilian regions, which has been recorded in the Historia naturalis Brasiliae. Of his collaborators Marcgrav and Cralitzius, both matriculated as students of medicine in Leyden, especially the former had a great share in these investigations; that the results of the latter's contribution cannot clearly be perceived may be ascribed to the fact that they cannot have been important: he died shortly after his arrival in Brazil.

 

In the Historia Naturalis there is little to cause difference of opinion concerning the question what share should be attributed to Piso or to Marcgrav. In the table of contents, after the four books mentioned under Piso's name: De Medicina Brasiliensi, treating respectively of the climate and the natural condition, of the diseases, the poisons of plants and animals and their antidotes, and the curative power of native medicinal herbs, we find eight books named, written by Georg Marcgrav of Liebstadt near Meissen, under the title of: Historiae Rerum naturalium Brasiliae in which plants, animals and natives of the country are methodically and extensively treated, and illustrated by the writer's own drawings.

In the second edition of Piso's work: De Indiae utriusque re naturali et medica which appeared in 1658, with the addition of the six books of Jacobus Bontius: Historiae naturales et medicae Indiae Orientalis, this clear distinction between Piso's and Marcgrav's share has disappeared.

Already on the date of the first edition of Piso's works, Marcgrav was no longer in the land of the living, so that Piso himself added Marcgrav's contribution, edited by J. de Laet, to his work: ‘that the ashes of the dead man may receive due honour’, at the same time declaring solemnly that Marcgrav had always acquitted himself with diligence and devotion of his part of the investigation concerning the geography, natural history and astronomy. This distinct and appreciative mention to be found in the first edition of Piso's work, would in itself be quite sufficient to acquit him of the accusation of adorning himself with borrowed plumage. It is true that Piso, in his second edition: De Indiae utriusque re naturali et medica changed the order of the chapters and combined his own observations with Marcgrav's, but he probably did this to avoid repetition and

[p. XX]

gewijzigd en zijn waarnemingen met die van Marcgrav heeft samengesmolten, meen ik, dat kwade trouw dient te worden uitgesloten. De eigen woorden van Piso, die ook in de voorrede van dit boek zijn waardeering en bewondering voor Marcgrav, als een kundig en toegewijd medewerker uitspreekt, die bij voorkeur zich er op heeft toegelegd den vorm en het uiterlijk waar te nemen en te beschrijven van die natuurproducten, waarvan Piso de daarin besloten krachten ijverig heeft nagespeurd, wijzen reeds daarop.

Nog duidelijker spreekt hij zich uit in de Praefatio ad Lib. IV. van hetzelfde boek, waarin hij verklaart:

‘Eenige afbeeldingen en aanteekeningen, op onze tochten verzameld, heb ik ontleend aan mijn uitstekenden en ijverigen helper Marcgrav. Ik wil tevoren hieraan herinneren, opdat niet de een of andere kwaadwillige zou rondstrooien, dat ik mijn geschriften met gestolen kleuren versier. Wanneer toch de bezigheden van mijn ambt mij vrijen tijd ontzegden, heb ik hem als taak opgedragen van die voorwerpen, waarvan ik den aard en de eigenschappen nauwkeurig naspoorde en onderzocht, in zijn ledige uren de gedaante te schetsen; meenende, dat het van weinig belang was, of deze ontdekkingen door hem of door mij gedaan waren, of onder wiens naam zij het licht zouden zien, wanneer zij slechts twijfel konden oplossen en dwalingen onthullen, opdat zij zoowel de zieken als de geneesheeren van de oude en de nieuwe wereld nuttig zijn zouden’.

Wanneer deze uitspraken nog twijfel konden achterlaten over het aandeel van beide geleerden in de door hen verrichte onderzoekingen, dan mag deze zeker vervallen bij die hoofdstukken, waarin geneeskundige onderwerpen worden behandeld en mogen wij vertrouwen in de vier eerste boeken van de Historia Naturalis Brasiliae Piso's eigen werk onder oogen te krijgen.

Hoewel deze niet alle op hetzelfde peil staan, en enkele door hem beschreven ziektebeelden moeilijk zijn thuis te brengen, leeren we hem daaruit kennen als een degelijk, opmerkzaam en plichtsgetrouw geneesheer, die, hoewel gevormd in de school der classieken, in staat was met een onbevangen blik zijn nieuwe omgeving te bekijken en het goede daarin te waardeeren, ook wanneer het niet met de hem overgeleverde begrippen overeenstemde.

Evenmin als zijn tijdgenoot Bontius, wien te zelfder tijd in het verre Oosten een even moeilijke en ongewone taak was opgedragen, versmaadde hij het zijn kennis uit plaatselijke bronnen aan te vullen en hij erkent ruiterlijk, dat hij de goede eigenschappen van menig geneeskruid van de oorspronkelijke inwoners heeft geleerd. Het verwijt van lichtgeloovigheid, dat hem van verschillende zijden voor de voeten is gegooid, mag als onverdiend worden

[p. XXI]

render the work clearer and pleasanter to read; hence, in the present writer's opinion, bad faith ought to be entirely excluded. Piso's own words point that way when, in the preface to this work, he expresses his appreciation and admiration for Marcgrav as a clever and devoted collaborator who, by preference, observed and described the outward appearance of the natural products of which Piso investigated the inherent powers.

 

He is even more explicit in the Praefatio ad Lib. IV of the same work, where he declares:

‘Some drawings and notes collected on our excursions I have taken from my excellent and diligent assistant Marcgrav. I wish, in the first place, to draw attention to this, that not some malignant person or other may rumour it abroad that I decorate my writings with stolen colours, What happened was that, when my official duties did not allow me any leisure, I charged him, if he could find the time, to sketch the appearance of those objects the nature and qualities of which I was carefully examining; it seemed to me that it was of little importance whether these discoveries were done by him or by me or under the name of which of us they were published, if only they could put an end to doubt and reveal error, so that both the sick, and the physicians of the old world and the new should be benefited’.

If these statements should still leave doubt as to the share of each of the two scholars in the investigations made, the chapters in which medical subjects are treated should be excepted and we may feel certain to find Piso's own work in the first four books of the Historia Naturalis Brasiliae.

 

Though the same high level is not maintained throughout these books and some of the cases described are hard to classify, he reveals himself as a thorough, attentive and dutiful physician, who, though formed in the classic school, could regard his new surroundings with unprejudiced eyes and appreciate what was good there, also if it diverged from traditional ideas.

 

Like his contemporary Bontius, upon whose shoulders had, at that time, in the far East, been laid an equally difficult and unusual task, he did not disdain to add to his knowledge material taken from local sources, and openly acknowledged that the natives had taught him the good qualities of many medicinal herbs. The reproach of credulity made to him from various sides may be rejected, for he repeatedly warns those who come into contact

[p. XXII]

teruggewezen. Herhaaldelijk toch waarschuwt hij hen, die met de Indianen in aanraking komen, zich met omzichtigheid en een verstandig oordeel tegen hun bijgeloovigheid en vooroordeelen te wapenen. Echter vervalt hij niet in het andere uiterste, eigen kennis en ervaring te overschatten en met minachting en hoovaardigheid op die van een minder ontwikkeld ras neer te zien.

Zeer duidelijk spreekt hij zijn overtuiging uit, dat het den vreemde niet betaamt, de geneeskundige kennis van primitieve volken te verachten, in zijn hoofdstuk ‘De febribus’:

‘Hoewel in een dergelijke barbaarsche omgeving veel gebruiken gevonden worden, die ruw en verkeerd zijn en de kunst van Hippocrates onwaardig, treft men er toch niet weinige aan, die zeer doeltreffend zijn en een plaats in de classieke (geneeskunde) verdienen, zoodat men kan waarnemen, dat ook de meest ervaren geneesheeren, die zich daar vestigen, deze opvattingen gaan huldigen. Wanneer toch, naar men zegt, de grondbeginselen van vele kunsten tot ons zijn gekomen door de redelooze dieren (wien de weldadige moeder natuur vooral de aangeboren kunst, te genezen, niet heeft willen onthouden), wie zou er dan aan kunnen twijfelen, of niet deze menschen, al hebben zij niet de. minste aanraking met de schoolsche en wetenschappelijke geneeskunde, zeer vele edele en geheime, onbekende geneesmiddelen en tegengiften en aan de classieken onbekende geneeswijzen aan hun nakomelingen hebben overgeleverd?’.

Aan deze toegankelijkheid voor de zelf verworven kennis en ervaring der inboorlingen, dankte hij o.a. de kennismaking met geneesmidddelen als de folia Iaborandi, die door hem niet alleen als middel om zweet, speeksel en urine af te drijven werden gebruikt, maar ook bij chronische oogontstekingen met goeden uitslag werden toegepast. Ook zijn kennis van de eigenschappen van den Ipecacuanhawortel, door eigen ondervinding beproefd en bevestigd, erkent hij aan de Indianen te zijn verschuldigd, die deze plant als een heilige gave der natuur vereerden. Bij de behandeling der Venussieckte, waarbij hij twee soorten: de Fransche pokken en bubas, waaronder wij de framboesia tropica zullen moeten verstaan, onderscheidt, maakt hij bij den tweeden vorm, welken hij als endemisch beschouwt, gaarne gebruik van de methode der inlandsche deskundigen, die in den regel betere resultaten bereiken, dan de pas uit het vaderland aangekomen chirurgijns. Evenals zijn voorganger Monardes, die onuitputtelijk is in zijn lof over de tabak, of de Herba Sancta, waarvan hij de wonderbaarlijke krachten als tegengif bij pijlverwondingen en beten van dieren had leeren kennen, bewondert hij de resultaten, welke hij inlandsche empirici had zien bereiken niet alleen bij deze verwondingen, maar ook bij kankerachtige verzweringen, waarbij geschoolde Europeesche chirurgijns volkomen faalden.

[p. XXIII]

with the Indians to arm themselves with prudence and sound judgment against their superstition and prejudices, yet he does not fall into the other extreme of overrating his own knowledge and experience and of looking down with pride and contempt on those of a less cultivated race.

 

He distinctly expresses his opinion, that it does not become the stranger to scorn the medical knowledge of primitive people in his chapter ‘De febribus’:

‘Though in such barbaric surroundings many customs are found that are wrong and rough, and unworthy of the art of Hippocrates, yet there are not a few that are very effective and deserve a place in classical medicine, so that one finds the most experienced physicians that establish themselves there accepting them. If, as it is said, the principles of many arts came to us from the brute creation, to whom beneficent mother nature has not denied the curing instinct, who should doubt that these human beings, though they have never had any contact with scholarly and scientific medical art, have handed down to their descendants many noble and secret medicines and antidotes unknown to the classics?’.

 

To this accessibility to the personally acquired and traditional knowledge of the natives, he owed the acquaintance with such medicines as the folia Iaborandi which, among them, were not only successfully used as an aperient for sweat, saliva and urine, but were also applied in cases of chronic ophthalmia. He also acknowledges that he owes his knowledge of the properties of the Ipecacuanha root, tested and confirmed by his own experience, to the Indians who worshipped this plant as a holy gift of nature. Also for the treatment of venereal disease of which he distinguishes two kinds: French pox and bubas, probably framboesia tropica, he prefers, for the second, which he considers endemic, the method of the native experts, who, as a rule, reach better results than the surgeons newly arrived from the Netherlands. Like his predecessor of a former century, the Spanish physician Monardes, who can never say enough in praise of tobacco, or the Herba Sancta, the miraculous qualities of which he had got to know as an antidote in cases of wounds caused by poisoned arrows and of bites of animals, he admires the results which he has found native empirici to reach in such cases as also in those of cancerous sores, where European surgeons failed completely.

[p. XXIV]

Dat hij tusschen de schoolsche ziekteleer, waarin hij was opgevoed en de proefondervindelijke kennis van de inlandsche deskundigen zijn eigen weg wist te vinden, bewijzen tal van uitspraken en mededeelingen in zijn werk. Zoo geeft hij een levendige beschrijving van de verschijnselen van tetanus of klem, waarbij de zieke door heftige krampen overvallen, plotseling achterover valt, met krampachtig gesloten mond, terwijl de spieren van slokdarm en middenrif zich zoodanig samentrekken, dat het slikken en ademen volkomen wordt belet, een beschrijving, die nog belangwekkender wordt door de opmerking, dat deze toevallen het gevolg kunnen zijn van een lichte verwonding, zoodat handwerkslui, visschers, smeden, timmerlieden en bakkers meer dan anderen daaraan onderhevig zijn.

Even juist zijn zijn opmerkingen over de oorzaken der hemeralopie of nachtblindheid, die voornamelijk bij arme lieden en gemeene soldaten voorkomt en door hem wordt toegeschreven aan het veelvuldig gebruik van pekelvleesch en anderen zouten kost, het drinken van onzuiver water, vermoeienissen en ontberingen bij expedities en den directen invloed van het zonlicht en de weerkaatsing daarvan door het heete zand. De door Bontius medegedeelde therapie, het inwendig gebruik van de olie uit de lever van een haai, die in de Molukken gebruikelijk was, schijnt in de West onbekend te zijn geweest.

Tenslotte treft ons zijn goed inzicht in de oorzaak van de geweldige kindersterfte bij kolonisten, in tegenstelling met die der inheemsche bevolking, waarbij hij terecht er op wijst, dat deze minder is toe te schrijven aan het klimaat, dan aan het onverstand der moeders, die haar zuigelingen op vaderlandsche wijze inbakeren en door verwaarloozing van de voornaamste regelen der gezondheidsleer in de tropen meestal niet in staat zijn hen zelf te voeden.

Met nadruk wijst hij erop, dat de invloeden van sterrenhemel, lucht, klimaat, veranderde voedings- en levenswijze, benevens de sterke rasvermenging, die men in Brazilië aantreft, de oorzaak kunnen zijn van allerlei afwijkende ziekteverschijnselen, die zelfs den meest ervaren geneesheer doen aarzelen een diagnose te stellen. Om in dergelijke gevallen den juisten weg in te slaan, zijn wijsheid en ervaring dringend noodig. Voor Piso's ernst en toewijding pleit het, dat hij zijn ziektekundige waarnemingen herhaaldelijk door lijkopeningen heeft trachten aan te vullen.

Als proeven van Piso's werk zijn in dezen bundel zijn hoofdstukken XII (de Dysenteria) en XVI (de Lue venerea), aangevuld door zijn beschrijving van de Ipecacuanha en eenige andere Zuid-Amerikaansche geneeskruiden, opgenomen. Hoewel het eerstgenoemde hoofdstuk zeker achterstaat bij de kernachtige zakelijke beschrijving door Bontius van deze ziekte gegeven, komt Piso de verdienste toe, het werk van zijn collega te hebben

[p. XXV]

That he managed to find a way of his own between the scholastic pathology, in which he had been trained and the empiric knowledge of native experts, is proved by many statements and communications in his work. He gives, for instance, a lively description of the symptoms of tetanus, of the patient suddenly falling backward with violent spasms, his jaws locked, the muscles of the gullet and those of the diaphragm contracted to such an extent that swallowing and breathing are entirely prevented, a description which becomes the more interesting by the remark that these fits may be the consequence of a slight wound, so that chiefly artisans, fishermen, smiths, carpenters and bakers are subject to them.

 

Equally correct are his observations on the causes of hemeralopia or night-blindness, chiefly occurring among poor people and common soldiers, and ascribed by him to the eating of too much salted meat and other salted food and to the drinking of impure water, to fatigue and privation on expeditions and the direct influence of sunlight and its reflection by hot sand. The therapy common in the Moluccas, mentioned by Bontius, the swallowing of oil prepared from the liver of the shark, seems to have been unknown in the West.

 

Finally we are struck by his clear insight into the cause of the tremendous infant mortality among the colonists, if compared with that among the native population; he rightly points out that, rather than to the climate, this is to be ascribed to the ignorance of the mothers, who swaddle their babies, as is the custom in their native country and who, in consequence of neglecting the principal rules of tropical hygienics, are generally unable to nurse them themselves.

He asserts that influences of the stars, of air, climate, differences in feeding and the way of living, besides the strong miscegenation found in Brazil, may bring about several unexpected symptoms causing the most experienced physician to hesitate before diagnosing a case; wisdom and experience are indispensable here. It testifies to Piso's seriousness and devotion to his duties that he frequently tried to supplement his clinical observation by dissections.

 

As examples of Piso's work there are, in this collection, his chapters XII (de Dysenteria) and XVI (de Lue venerea) and in addition, his description of the Ipecacuanha and of some other South-American medicinal herbs. Though his description of dysentery lacks the terseness and precision of Bontius' account of this illness, it is Piso's desert to have completed his colleague's work by introducing into its therapeutics his salutifera radix.

[p. XXVI]

aangevuld door de therapie met zijn salutifera radix te hebben verrijkt.

Evenmin als Bontius is hij er in geslaagd het volledige beeld van die in zijn tijd zoo geduchte ziekte te schetsen, in andere hoofdstukken zooals: ‘De fluxu cum febre et sanguine’ en ‘de Tenesmo’ vinden wij verschijnselen beschreven, die zeker onder het hoofd Dysenterie moeten worden ondergebracht. Dat ook in deze hoofdstukken de ipecacuanhawortel de plaats inneemt, die hem van rechtswege toekomt, zou er op kunnen wijzen, dat Piso een vrij sterk vermoeden had, dat tusschen deze, door hem als afzonderlijke ziekte beschreven ingewandsaandoeningen, en de dysenterie een oorzakelijk verband bestond. Zijn uitbundige vereering van dit betrouwbare middel, dat hem tot epitheta ornantia, als ‘eximia Panacea, praestans remedium’ en ‘sacra anchora, qua nullum praestantius aut tutius’ verleidt, doet hem zelfs vreezen, de maat te overschrijden, zoodat hij zichzelf een rem aanlegt met de woorden: ‘Pluribus encomiis hanc eximiam Panaceam extollerem, sed vereor ne Satyricus quispiam id de mea Ipecacuanha, quod. tempore Catonis de Brassica nimium laudata dixit: Brassica Dia Catonis’. De warme aanbevelingen en de juiste aanwijzingen voor het gebruik van dit heilzame kruid, in Piso's werk te vinden, hebben voorloopig blijkbaar niet den uitslag gehad, dien hij er van mocht verwachten.

In een reeks verhandelingen over de geschiedenis der ipecacuanha als middel tegen dysenterie, wordt, om over onnauwkeurigheden maar te zwijgen, over Piso's aandeel in de ontdekking en toepassing van dit heilzame middel, dat tot den dag van heden zich heeft kunnen handhaven, meestal vluchtig heengeloopen.

Als voorbeeld wil ik een artikel van Dr. Pfeiffer noemen, onder den titel Histoire d'un médicament, in het jaar 1907 verschenen, waarin wij o.a. lezen:

‘En 1638, deux voyageurs européens, Guillaume Pison et Marcgrave, après un voyage en Amérique, écrivent une Histoire naturelle du Brésil, dans laquelle on trouve une description de la plante brésilienne et la mention de ses effets contre diverses affections et en particulier contre la dysentérie. ....Pison et Marcgrave donnent dans leur ouvrage une figure assez mauvaise de la plante américaine et quelques détails sur la façon, dont l'ipécacuanha était administrée.... Malgré le livre des deux voyageurs, d'ailleurs rempli d'inexactitudes et de légendes, l'ipéca demeura inconnue en Europe pendant plus de 30 ans.’

Het wil mij voorkomen, dat de schrijver van dit artikel, toen hij dit laatste laatdunkende oordeel neerschreef, het werk van Piso nimmer onder oogen heeft gehad; niet alleen toch in het hoofdstuk De dysenteria, maar ook in een aantal andere geeft Piso zulke duidelijke en uitvoerige voorschriften voor de toepassing van zijn eximia Panacea, dat zijn navolgers vrijwel niets eraan konden toevoegen.

[p. XXVII]

No more than Bontius did he succeed in giving a complete image of the, at his time, so much dreaded dysentery. We find in separate chapters, such as ‘De fluxu cum febre et sanguine’ and ‘de Tenesmo’ the description of symptoms which should certainly be arranged under the heading Dysentery. That, also in these chapters, the ipecacuanha takes the place due to it, might indicate that Piso had a fairly strong suspicion that, between these diseases, described by him separately as affections of the bowels, and dysentery, there was a causal relation, His exuberant veneration for this trustworthy medicine, tempting him to epitheta ornantia as ‘eximia Panacea, praestans remedium’ and ‘sacra anchora, qua nullum praestantius aut tutius’, even makes him fear to have gone beyond bounds, so that he checks himself with the words: ‘Pluribus encomiis hanc eximiam Panaceam extollerem, sed vereor ne Satyricus quispiam id de mea Ipecacuanha, quod tempore Catonis de Brassica nimium laudata dixit: Brassica Dia Catonis’. The warm recommendation and the exact directions for the use of this beneficial herb, to be found in Piso's work, have, at least for the time. being, not had the results he might expect.

 

In a series of treatises on the history of ipecacuanha as a remedy for dysentery, little, as a rule, is said and that little more often inaccurately, of Piso's share in the discovery and application of this beneficial herb which has succeeded in maintaining its reputation up to the present day.

 

As an example I will quote an article by Dr. Pfeiffer which appeared under the title of Histoire d'un médicament in 1907, where we read:

‘En 1638 deux voyageurs européens, Guillaume Pison et Marcgrave, après un voyage en Amérique, écrivent une Histoire naturelle du Brésil, dans laquelle on trouve une description de la plante brésilienne et la mention de ses effets contre diverses affections et en particulier contre la dysentérie. ....Pison et Marcgrave donnent dans leur ouvrage une figure assez mauvaise de la plante américaine et quelques détails sur la façon, dont l'ipécacuanha était administrée.... Malgré le livre des deux voyageurs, d'ailleurs rempli d'inexactitudes et de légendes, l'ipéca demeura inconnue en Europe pendant plus de 30 ans.’

It seems to me that the author of this article, when writing down this contemptuous opinion, had never set eyes on Piso's work, for not only in the chapter: De dysenteria, but also in several others, Piso gives such clear and explicit prescriptions concerning the application of his eximia Panacea that his successors could add practically nothing to them.

[p. XXVIII]

Hoewel de ipecacuanha of pigaya reeds genoemd schijnt te zijn in een reisbeschrijving uit het eind der 16e eeuw, naar aanleiding van haar ontdekking door Michaël Tristam, een in Brazilië woonachtig apotheker, mag Piso roem er op dragen, de eerste te zijn geweest, die duidelijke aanwijzingen voor haar gebruik heeft gegeven en haar als specificum voor een der meest gevreesde ziekten van zijn tijd aanbevolen.

Pas dertig jaar na zijn publicatie gelukte het Helvetius, door toevallige omstandigheden in het bezit gekomen van een kleinen voorraad ipecacuanha, waarvan hij de doeltreffendheid bij enkele zijner patiënten had ondervonden, de aandacht op dit voortreffelijke middel te vestigen. Een gelukkige kuur bij den Dauphin, den zoon van Lodewijk XIV, bezorgde hem een reeks titels, onderscheidingen en stoffelijke voordeden en zijn middel den roem welke het ten volle verdiende.

Deze koninklijke belangstelling, die de ipecacuanha tot een panacee en wondermiddel verhief, gaf natuurlijk aanleiding tot de onvermijdelijke misbruiken en de bovenmatige verwachtingen, waaraan ook het voortreffelijkste geneesmiddel niet kan voldoen. Gelukkiger dan vele andere wondermiddelen echter, heeft de ipecacuanha dezen storm doorstaan en dank zij haar wezenlijke en onmiskenbare verdiensten, de eervolle plaats in onzen artsenijschat behouden, waarop zij recht had.

In den brief van Boerhaave aan Bassand, over de bestrijding van den besmettelijken buikloop in het Oostenrijksche leger1), waarin deze de ipecacuanha als het betrouwbaarste middel daartegen aanbeveelt en nauwkeurige en uitvoerige voorschriften geeft over de wijze, waarop dit specificum moet worden toegediend, blijkt, dat in ons land de ontdekking van Piso de waardeering had gevonden, waarop zij recht had.

Toen de landvoogd van Brazilië, teleurgesteld in zijn verwachtingen en ontmoedigd door de onverschilligheid en het gebrek aan medewerking van bewindhebberen der Compagnie ondervonden, de grootsche plannen, waarmee hij naar de Nieuwe Wereld was vertrokken, had moeten opgegeven en in 1644 naar Nederland was teruggekeerd, heeft Piso zijn voorbeeld gevolgd.

Aanvankelijk heeft hij zich te Leiden gevestigd, waar hij zijn intrek bij zijn vader nam en den 4en Maart 1645, med. Dr. zijnde, voor de tweede maal als student werd ingeschreven. Van zijn verderen levensloop zijn slechts enkele bijzonderheden bekend. Uit een brief, door hem in September 1645 uit het kamp van Maurits van Nassau aan zijn vriend Caspar van Baerle geschreven, blijkt, dat zijn verblijf te Leiden slechts van korten duur is geweest en dat hij reeds spoedig, op uitdrukkelijk verzoek van zijn beschermer zijn studie heeft onderbroken.

[p. XXIX]

Although the discovery of the ipecacuanha or pigaya by an apothecary Michaël Tristam living in Brazil, had already been mentioned in a Book of Travels dating from the end of the 16th century, yet to Piso the honour is due of having been the first to have given clear directions regarding its use as a specific remedy for one of the most daunted diseases of his time.

 

Not till thirty years after Piso's publication did Helvetius, who had accidentally managed to get hold of a small supply of ipecacuanha, the efficacy of which he had ascertained in the treatment of some of his patients, succeed in drawing attention to this excellent medicine. A successful cure of the Dauphin, Louis XIV's son, procured him a series of titles, distinctions and material benefit, and gave to his medicine the fame it so fully deserved.

The royal interest, which raised ipecacuanha to the rank of a panacea and a remedy of miraculous power, of course gave rise to the inevitable misuse and to excessive expectations which even the best of remedies cannot answer. Yet ipecacuanha has been more fortunate than many other panaceas; it has been able to weather the storm and, owing to its real and undeniable deserts, has succeeded in maintaining the honourable position in our pharmacopoeia which is its due.

From Boerhaave's letter to Bassand on the cure of infectuous flux in the Austrian army1), in which he recommends ipecacuanha as the most reliable remedy against it and gives careful and explicit directions regarding its use, it appears that in the Netherlands, Piso's discovery had found due recognition.

 

When the governor of Brazil, disappointed in his expectations and disheartened by the indifference and the lack of cooperation of the high dignitaries of the company, had had to give up the great plans with which he had come to the New World and had returned to the Netherlands in 1644, Piso followed his example.

At first he settled in Leyden, where he lived in his father's house, and on the 4th of March 1645, though being an M.D., was admitted for the second time to the privileges of the university. Of his further life few particulars are known. From a letter written in September 1645 from the camp of Maurits van Nassau to his friend Caspar van Baerle, it appears that his stay in Leyden had only been of short duration and that, at the express desire of his protector, he soon interrupted his studies.

[p. XXX]

In dezen brief geeft hij Barlaeus zijn voornemen te kennen, zoo spoedig mogelijk naar Amsterdam te komen en, nu zijn vader kort geleden is gestorven en zijn werk over Brazilië binnenkort voleindigd zal zijn, zich daar te vestigen en zoo mogelijk een gezin te stichten.

Wanneer hij Amsterdam definitief als woonplaats heeft gekozen, is niet bekend: den 1en September 1648 is in de Oude Kerk zijn huwelijk met Constantia Spranger bevestigd. Gedurende 30 jaar heeft hij daarna, als gezien en gezeten geneesheer, de practijk uitgeoefend. De waardeering, die hij van zijn collega's genoot, blijkt daaruit, dat hij van 1657-1660 het ambt van decanus van het Collegium Medicum bekleedde en als zoodanig nog eens in 1670 werd gekozen. Dat hij met hen op goeden voet stond mag worden afgeleid uit het feit, dat hij in de werken van zijn tijdgenooten als Tulp, van Meek'ren en anderen herhaaldelijk als consulent in moeilijke gevallen wordt genoemd. Een persoonlijk blijk van deze waardeering is bewaard gebleven in een brief van den geneesheer Joh. Henrick Sternberg in 1670 aan Piso geschreven, waarin deze hem advies vraagt over een kwaal, waaraan hij geruimen tijd heeft geleden en aan zijn vertrouwen in diens kunde en ervaring in hartelijke woorden uiting geeft.

Na een avontuurlijke en veelbewogen jeugd en een welbesteden en rustigen ouderdom is Piso in November 1678 gestorven en den 28en van die maand in de Westerkerk te Amsterdam begraven.

 

Van het werk van Piso zijn de volgende uitgaven bekend:

Historia Naturalis Brasiliae.
Auspicio et Beneficio
Illustryss. I. Mauritii Com. Nassao

in qua

Non tantum Plantae et Animalia, sed et Indigenarum morbi, ingenia et mores describuntur et Iconibus supra quingentas illustrantur.

Lugd. Batav.
apud Franciscum Hackium
et
Amstelodanum
Apud Ludov. Elzevirum.

1648.

[p. XXXI]

In this letter he tells Barlaeus of his intention to come to Amsterdam as soon as possible and, as his father had died and his book on Brazil would soon be finished, to establish himself there and, if possible, found a family.

It is not known when he definitely chose Amsterdam as his residence, but, on the 1st of September 1648, his marriage with Constantia Spranger was confirmed in the ‘Oude Kerk’. For thirty years he was an honoured and well-to-do medical practitioner. That his colleagues held him in high esteem is proved by the fact that from 1657 to 1660 he held the office of dean of the Collegium Medicum and was rechosen in 1670. He must have been on good terms with them, for his contemporaries such as Tulp, van Meek'ren and others, repeatedly mention him, in their works, as a consulting physician in difficult cases. A personal proof of esteem has been preserved in a letter of the physician Joh. Henrick Sternberg written to Piso in 1670, in which the writer asks Piso's advice on a complaint from which he has long suffered, at the same time, in cordial terms, expressing his confidence in Piso's knowledge and experience.

 

After an eventful and adventurous youth and a quiet and well-spent later life, Piso died in November 1678 and was buried oh the 28th of this month in the ‘Westerkerk’ in Amsterdam.

 

Of Piso's work the following editions are known:

Historia Naturalis Brasiliae.
Auspicio et Beneficio
Illustryss. I. Mauritii Com. Nassao

in qua

Non tantum Plantae et Animalia, sed et Indigenarum morbi, ingenia et mores describuntur et Iconibus supra quingentas illustrantur.

Lugd. Batav.
apud Franciscum Hackium
et
Amstelodanum
apud Ludov. Elzevirum.
1648.
[p. XXXII]

Bestaande uit

Gulielmi Pisonis M.D. Lugduno Batavi, de Medicina Brasiliensi Libri quatuor:

I.De Aere, Aquis et Locis,
II.De Morbis Endemiis,
III.De Venenatis et Antidotis,
IV.De Facultatibus Simplicium,

et

Georgi Marcgravi de Liebstadt, Misnici Germani, Historiae Rerum naturalium Brasiliae, Libri Octo, quorum:

Tres primores agunt de Plantis,
Quartus de Piscibus,
Quintus de Avibus,
Sextus de Quadrupedibus et Serpentibus,
Septimus de Insectis,
Octavus de ipsa Regione et illius Incolis cum appendice de Tapuyis et Chilensibus.

Joannes de Laet Antwerpianus in ordinem digessit et Annotationes addidit et varia ab Auctore omissa supplevit et illustravit.

 

Behalve met een groot aantal illustraties, waarvan, op Piso's mededeelingen afgaande, tenminste een deel van de hand van Marcgrav zelf moet zijn, is deze uitgave versierd met een fraaie titelprent, waarop, behalve een paar Indianen, de meest kenmerkende vertegenwoordigers van de planten- en dierenwereld van Brazilië staan afgebeeld.

Een tweede uitgaaf, waarin, behalve het werk van Piso en Marcgrav, ook het volledige werk van Bontius, voorzoover de Historia naturalis van Indië betreft, door Piso uit diens aanteekeningen bewerkt, gerangschikt en van noten en aanvullingen voorzien, is opgenomen, verscheen in 1658 onder den titel (Zie plaat I.):

Gulielmi Pisonis
Medici Amstelodamensis
de
Indiae utriusque Re Naturali et Medica
Libri Quatuordecim.
Amstelaedami
Apud Ludovicum et Danielem
Elzevirios.
Ao CIↃIↃCLVIII.
[p. XXXIII]

Consisting of

Gulielmi Pisonis M.D. Lugduno Batavi, de Medicina Brasiliensi Libri quatuor:

I.De Aere, Aquis et Locis,
II.De Morbis Endemiis,
III.De Venenatis et Antidotis,
IV.De Facultatibus Simplicium,

et

Georgi Marcgravi de Liebstadt, Misnici Germani, Historiae Rerum naturalium Brasiliae, Libri Octo, quorum:

Tres primores agunt de Plantis,
Quartus de Piscibus,
Quintus de Avibus,
Sextus de Quadrupedibus et Serpentibus,
Septimus de Insectis,
Octavus de ipsa Regione et illius Incolis cum appendice de Tapuyis et Chilensibus.

Joannes de Laet Antwerpianus in ordinem digessit et Annotationes addidit et varia ab Auctore omissa supplevit et illustravit.

 

This edition is adorned, not only with a great many illustrations, a part of which, at least according to Piso's communications, must be by Marcgrav himself, but also with a beautiful title-page on which, besides of a couple of Indians, there are images of the most characteristic representatives of the plants and animals of Brazil.

A second editon appeared in 1658 under the following title (See plate I):

Gulielmi Pisonis
Medici Amstelodamensis
de
Indiae utriusque Re Naturali et Medica
Libri Quatuordecim.
Amstelaedami
Apud Ludovicum et Danielem
Elzevirios.
Ao CIↃIↃCLVIII.
[p. XXXIV]

Behalve deze twee kostbare en welverzorgde folio-uitgaven, bestaat er nog een Nederlandsche uitgave, waarvoor de tekst van Piso's werk als bron heeft gediend. Van een vertaling mag niet gesproken worden. Klaarblijkelijk bedoeld als handleiding voor scheepsheelmeesters en in de koloniën werkzame chirurgijns, heeft de schrijver aan de werken van Piso en Bontius ontleend, wat hem daartoe dienstig leek en zich in de indeeling en bewerking van zijn stof zulke vrijheden veroorloofd, dat iedere aanspraak op vergelijking met zijn voorbeelden mag vervallen. Zij is verschenen onder den titel:

Oost- en West-Indische warande. Vervattende aldaar de leef- en geneeskonst. Met een verhaal van de specerijen, boom- en aardgewassen, dieren etc.. Door Jac. Bontius, Gul. Piso en Geo. Markgraef. Hier is bijgev. De nieuw verbeterde chirurgijns scheepskist door J. Verbrugge. Amsterdam 1694. 8o.

Als laatste uitgave van Piso's werk, verscheen in 1817 te Weenen:

Gulielmi Pisonis
Historia medica Brasiliae.
Novam editionem curavit et praefatus
est
Josephus Eques de Vering,
Medicinae Doctor,
Indigena Hungariae, Regiae Gallicae Honorum, Legionis Eques et Facultatis Medicae Vindobonensis Sodalis 8o.

In dit bescheiden werkje is de oorspronkelijke tekst van de twee eerste boeken der Historia naturalis Brasiliae: De aere, aquis et locis en De morbis endemiis, die beide zonder eenig voorbehoud aan Piso mogen worden toegeschreven, zoo getrouwelijk mogelijk opgenomen.

In zijn inleiding prijst de schrijver hem als een pionier der tropische geneeskunde, wiens baanbrekend werk op het oogenblik nog ten volle de kennismaking waard is.

[p. XXXV]

It contained, besides Piso's and Marcgrav's work, also the complete work of Bontius, whose Historia naturalis of India, is arranged and edited by Piso from Bontius' notes, and provided with comments and complementary remarks.

Besides these two valuable and carefully edited folio publications, there is still a Dutch edition for which the text of Piso's work has served as the source. It can hardly be called a translation. Evidently meant to be a manual for naval and colonial surgeons, its writer has taken what seemed fit to him from the works of Piso and Bontius, and has divided and adapted the material with so much liberty that a comparison with his examples is out of the question. It appeared under the following title:

Oost- en West-Indische warande. Vervattende aldaar de leef- en geneeskunst. Met een verhaal van de specerijen, boom- en aardgewassen, dieren etc.. Door Jac. Bontius, Gul. Piso en Geo. Markgraef. Hier is bijgev. De nieuw verbeterde chirurgijns scheepskist door J. Verbrugge Amsterdam 1694 8o, which translated runs:
East- and West-Indian bower. Containing the way of living and healing there. With an account of the spices, trees, plants and animals of the earth, etc. By Jac. Bontius, Gul. Piso and Geo. Markgraef. With The new improved surgeon's box by J. Verbrugge, Amsterdam, 1694 8o.

The last edition of Piso's work appeared in Vienna in 1817:

Gulielmi Pisonis
Historia medica Brasiliae.
Novam editionem curavit et praefatus
est
Josephus Eques de Vering,
Medicinae Doctor,
Indigena Hungariae, Regiae Gallicae Honorum, Legionis Eques et Facultatis Medicae Vindobonensis Sodalis 8o.

In this modest little book the original text of the first two books of the Historia naturalis Brasiliae: De aere, aquis et locis and De morbis endemiis, which may both, without any reserve, be ascribed to Piso, has been faithfully reproduced.

In his introduction the writer praises him as a pioneer of tropical medicine, whose work is still quite worth reading.

[p. XXXVI]

Het voorbeeld van Piso, die onder tallooze gevaren en ontberingen, al zijn krachten van geest en lichaam aan dit onderzoek heeft gegeven, kan dienen om ook bij zijn navolgers de geestdrift en de geestkracht op te wekken, die voor de practijk in de tropen noodzakelijk zijn.

 

Een opname in dit deel der Opuscula van eenige hoofdstukken uit het werk van dezen pionier der vaderlandsche wetenschap in een gebied, waar de invloed van Nederland slechts vluchtig is geweest en op het oogenblik vrijwel uitgewischt, leek der redactie niet ongewenscht. Zonder Piso te overschatten en het oog te sluiten voor fouten en onnauwkeurigheden in zijn werk, welke zij, die na hem kwamen, gemakkelijk kunnen aantoonen, verdient hij, als een der eersten onzer gemeenschap, die het heeft ondernomen door te dringen in de natuurgeheimen der tropen, onze hulde en waardeering.

De omstandigheden zijn zijn nagedachtenis minder gunstig geweest, dan die van zijn tijdgenoot en evenbeeld Bontius, die een grondslag heeft gelegd, waarop geslachten van artsen tot op onzen tijd konden voortbouwen. Wij mogen echter zijn werk niet alleen naar een uitslag beoordeelen, die af-hankelijk is van oorzaken buiten zijn macht. Het doel, dat hij zich voor oogen stelde, zijn landgenooten, die geroepen konden worden een taak in onze Amerikaansche koloniën te vervullen, zoo goed mogelijk voor te bereiden en hun een leidraad aan de hand te doen, waarop zij konden vertrouwen, heeft hij naar behooren volbracht.

Zijn Historia naturalis Brasiliae, de vrucht van ijverig en zelfstandig onderzoek en een scherpzinnig en weloverwogen oordeel, mag als een standaardwerk der tropische geneeskunde worden beschouwd.

De hier opgenomen fragmenten geven een indruk van den aantrekkelijken en trouwhartigen stijl, waarin de schrijver zijn ervaringen in het verre land, ten gerieve van tijdgenoot en nakomeling, heeft opgeteekend.

M.A. van Andel.

[p. XXXVII]

The example of Piso who, under numberless dangers and privations, gave all his strength of mind and body to this investigation, may serve as a stimulus to rouse in his successors the enthusiasm and the energy necessary for practice in the tropics.

 

The insertion into this part of the Opuscula of some chapters from the work of this pioneer of national science in regions where the influence of the Netherlands was but short and has, at present, practically vanished, did not seem undesirable to the editorial staff. Without overrating Piso or shutting our eyes to errors and inexactitudes in his work, which those who came after him could easily point out, he deserves, as one of the first in our community who undertook to penetrate into the secrets of nature in the tropics, our esteem and homage.

 

Circumstances have not favoured his memory so much as that of his contemporary Bontius, who, working in a similar way in our East-Indian colonies, laid a foundation on which generations of physicians, up to our own times, have been able to build. We should, however not judge his work only from the results, which depended on circumstances outside his power. He fulfilled satisfactorily the task he had set himself of preparing, to the best of his ability, his compatriots who might be called to duties in our American colonies, and to supply them with a guide which they could trust.

His Historia naturalis Brasiliae, the fruit of diligent and independent investigation and of keen and well-considered judgement, may be considered as a Standard work on tropical medicine.

The fragments reproduced here are a sample of the attractive and straight-forward manner in which the author wrote down his experiences in a faraway country in order to serve his contemporaries and future generations.

M.A. van Andel.