terug  begin  verderprepost

Van 't steeckspel des derden daechs.
Ca[pittel] XXXI.

Des derden daechs wel vroech is de Grave met Gaudijn sijn gheselle wederom de eerste geweest te velde, daer hy verwachte alle de geene die steken wilden: het welck siende Koninc [Diij] Herman, is seer fellijcken tegen hem gereden, dien de Grave ridderlijck in onmacht uyten sadel wierp (q), des Koninckx peert sijnen geselle Gaudijn gevende. Doen seyde Koninck Corsel totten anderen Koningen: Siet hoe ridderlijck draecht hem den witten Ridder, hy is sekerlijc een vanden besten Ridders der werelt: binnen desen middele tijt is Koninck Herman vander onmacht bekomen, die seer toornich was om dat hem den witten Ridder afgesteken had, ende is byden Soudaen in sijn tente gegaen, tot hem seggende: Heere, als uwe Hoocheydt rijden sal om te steken den witten Ridder, dan sal ick als ghy by malkanderen sijt over dweers van de sijden metter lancien in sijn lijf rennen, dat hy ter aerden doodt vallen sal. Soo doet, seyde de Soudaen. Terstont sat de Soudaen op sijn peert de lancie in sijn hant nemende 't welc Gaudijn siende, totten Grave seyde: Siet ginder den Soudaen die hem bereyt om te steken: Dats 't gene dat ick begeere, seyde de Grave. Met dien lieten sy haer peerden loopen om te steken, ende also loopende sag Gaudijn sommige Ridders komen om den Grave te dooden, onder dewelcke Koninck Herman de eerste was, mits den welcken Gaudijn totten Grave riep, seggende: Och Heere, hier wacht u2, want een Ridder komt dwers van besijden

[p. 57]

om u te dooden. Ende de Grave omme siende, sach hem komen, segghende totten Soudaen: Doet als een eerlijck Ridder. Twelc de Soudaen hoorende hief sijn Lancie recht op ende wilde hem niet raken, rijdende voet voor voet na de plaetse van daer hy gecomen was, want hy en wilde sodanigen verradery niet doen dat yegelijck saghe. Doen reden de Grave ende de Koninck Herman met groote nijt, tegen malkanderen, so dat de Koninck sijn lancie opten Grave in veel stucken stac sonder hem te quetsen, maer de Grave stack den Koninck Herman de lancie meer dan twee voeten door sijn lijf, soo dat hy doodt ter aerden viel, vanden welcken de meestendeel van den genen diet sagen blyde waren principalijck de Keyserinne, Uracla haer suster, de Koninck Corsel, ende Gaudijn, mits de verradery die Coninck Herman inden wil hadde, maer den Koninck Clause ende de Soudaen waren seer droevich, hoe wel dat sijt niet en lieten blijcken. Binnen desen luydemen te Vesperen, 't welck de Grave hoorende, was droevigh om dat hy niet moghte steken, ende hy liet sijn peert loopen metter heelder kracht tegen den Soudaen, ende de Soudaen tegen hem, so dat hy den Soudaen ende sijn peert in d'asschen1 stack, dien hy qualijck gehandelt soude hebben: maer de Koningin seynden terstont tusschen beyden2, so dat de Grave den Soudaen laten moeste, ende alsoo eynde het steeckspel. Na desen is de Grave met Gaudijn sijnen geselle in hun tente gereden, daer sy ontwapent werden. Ende Gaudijn seyde totten Grave: Heere, Morghen moeten wy inder Keyserinnen Hof rijden, om de determinatie vanden steeckspeele te hooren. Dats waer seyde [de] Grave(r), maer ick moet tot een ander stad sijn, want ick hebbe der Coninginne Ansies eet ghedaen, gevanghen te komen eer Coninck Herman uyten steeckspele komt. Na dat ghy eet gedaen hebt, soo en bedriecht de Coninginne niet, sprack Gaudijn, maer laet ons

[p. 58]

bidden om quijtscheldinge, ende en mach u dit niet gebeuren, soo wil ick voor u gevangen blyven tot dat ghy uwe saken beschickt hebt. Ick dancke u der grooter vrientschap die ghy my bewijst, sprack de Grave, ick zalt u loonen alst my mogelijck is.

2wees op uw hoede.
1in het stof, op de grond.
2kwamen terstond tussenbeide.
prepostterug  begin  verder