terug  begin  verderprepost
[p. 6/d]origineel

Bleek huis

1
 
Huis met geblindeerde ramen,
 
bleek en gaaf in zijn toverslaap.
 
Huis met een tuinpad, twee
 
 
 
oude kabouters bij de trap.
 
 
 
De dag schuift het stapsgewijs
 
de rivier in tot de nacht het
 
verdrinkt. Zielsdiep.
 
 
 
Ook ik verdrink. Iedere keer
 
dieper. Het binnen heb ik
 
opgeslokt. Nu zie ik meer
 
 
 
het buiten. Mijn ogen zijn
 
rode kerstballen lichtjaren
 
hiervandaan. Mijn oren suizen.
 
 
 
Er zit een zweep
 
in de takken van de treurwilg.
[p. 7/D]origineel
2
 
De vloeren kraken alsof er
 
iemand schuifelt met trage
 
tred van herinneringen,
 
 
 
beteugeld door het gebint.
 
 
 
Mijn opa die toveren kon
 
met bijen? Of tante Marta
 
met haar kromme knieën?
 
 
 
Beiden al onder de zwarte zode
 
tot op de graat opgevreten.
 
Het huis is gebleven. Misschien
 
 
 
blaast de wind met zijn lippen
 
de luiken wel open en
 
stromen golven van ratten
 
 
 
over het raamkozijn.
[p. 8/e]origineel
3
 
Het licht wordt dunner,
 
de bomen strammer. Wakend
 
bij het gesloten poortje
 
 
 
ben ik een spijl in dit hek.
 
 
 
De wolken rondom hebben de kleur
 
van een roze droom. Over de weg
 
zwalpt een herdersteef
 
 
 
bloesemblaadjes op.
 
 
 
Ons leven is maf.
 
Kort als een leugen.
 
Steen haalt dieper adem
 
 
 
als berg, als huis, als graf.

jana beranová

prepostterug  begin  verder