i.s.m.
[p. 26/n]
origineel
Telkens weer
Iemand verstopt zich in de jas
van groene
crêpe de Chine
vol
gaten die ik niet dichten kan.
Mijn armen zijn te lang na zoveel
afscheid, de stoplappen opgebruikt
als doekjes voor het bloeden.
Voorgoed is speelgoed op zolder,
de halsketting versnipperd, Winnetoe
vol ezelsoren. Ook bomen vermolmen,
alles is doorlopend onderweg.
En uit de plooien van die stof
duikt mijn krullenbol op en
hoor ik telkens weer
mijn moeders
stem:
je moet nog groeien naar jouw doden
.
jana beranová
[p. 27/N]
origineel
Wederkeer
Tegen de lente geeft de aarde geur af.
De weide, op plekken bedekt met
opgedroogde halmen, is vol
verlangen. Hoogste tijd.
Ik tast in het biezen mandje.
Nee, niet uit het water opgevist.
Gevlochten wilgetakken waaraan ik
schommelde als kind. Tijdelijke kist.
Met gulle hand zaai ik het grijsachtige
zand. Stofwolken.
Asvlokken.
Stuifas.
Net stuifsneeuw, in het zonlicht.
Vader met zijn aardse aard zal wel de
zwaardere zijn. Jij zweeft en strijkt neer
als vogels op de schouders van Franciscus
van Assisi. Vederachtig licht.
Zo bezeer je je niet
aan de stekende strohalmen.