i.s.m.
[p. 30/o]
origineel
De zee
Onder de paleozoïsche zon,
op de rug van de oceaan kwam ik
in Bohemen aan. Bohemen lag aan zee.
Eeuwen traden uit hun oevers, versleepten
hun waterbuiken, treurige zoute tranen.
Ons wezen ze alleen wat tekens toe.
Allerhande trilobieten versteenden
tot namen, net als mensen:
Babička, de kever Opoe.
En wij bouwden konijnenhokken naast
het beekje bloed waarmee alles begon,
wij braken de dagen open als brood.
Als ik nu over de bergen loop
hoor ik het zingen van dennen en
in de valleien de hartslag van rivieren.
Maar af en toe slaat
het verlangen met zijn vleugels,
hollen heupen de golven tegemoet.
Bedaar, onstuimige merrie
,
roep ik,
je hebt nog
een volle zee
...
[p. 31/O]
origineel
maar nee, als een vloek
versplinter ik
tegen het rif.
Zonder lijf,
tussen vier ogen van muren
eindelijk oertaal,
leg ik de zee,
getekend op bordkarton,
in mijn schoot
waar het
onmiddellijk
begint te deinen.
jana beranová