terug  begin  verderprepost
[p. 4/c]origineel

In den beginne

Zodra ik mijn ogen opende besefte ik dat het een zware dag zou worden. Bij tijd en wijle dienen ze zich aan, de dagen waarop van alles dreigt mis te gaan. Het beste is dan om gewoon in bed te blijven en je verder niet te verroeren. Laat mij maar een dagje overslaan, dacht ik, en sloeg het dekbed weer over mij heen.

Na een minuut of tien vermande ik mezelf en klauterde behoedzaam alsnog uit bed. Wat een onzin was het om mijn gedrag zo door een weliswaar existentiële, maar toch ook zeer ordinaire angst te laten leiden. Wanneer ik de goden niet verzocht, zou mij niets gebeuren. Zolang je geen straat overstak, kon je niet onder lijn 4 komen.

Een knappend geluid van brekend glas deed mij als verstijfd stilstaan. Beteuterd keek ik naar het vernielde montuur. Er zat niets anders op dan mijn zonnebril met sterke glazen op te zetten. Bij aanschaf van die bril had ik echter in een overmoedige bui een zeer donkere tint uitgezocht; de grootheidswaanzin van het moment gaf mij in dat onder bepaalde omstandigheden het handig kon zijn mij anoniem over straat te begeven.

Gelukkig slaagde ik erin zonder de ene de andere bril te vinden en opgelucht zette ik het Ray Charles-montuur op. Het werd meteen nacht in de kamer, zodat ik genoodzaakt was alle lichten in huis te ontsteken. Aangezien ik vreesde onder een vrachtwagen te komen, besloot ik hem ook op te houden toen ik voor een boodschap de stad in moest. Er helemaal gerust op was ik niet, want buiten was het zwaar bewolkt en niet veel warmer dan een graad of zes. Mijn voorgevoel was juist, want nauwelijks had ik de Zwaerdecroon verlaten of kinderen riepen mij na. ‘Hé blinde, is je hond weggelopen?’ schreeuwde een van de snotapen gevat. Dat had ik toch niet helemaal met mijn anonimiteit bedoeld. In plaats van mij aan de wereld te onttrekken zorgde de bril ervoor dat ik er tot toetrad.

Dat idee hield mij zodanig bezig dat ik na alarmerend gerinkel ternauwernood een tram ontweek. Ik keek het gevaarte na en tot mijn stomme verbazing bleek het een rood-witte kleur te hebben en op weg te zijn naar de Zürichsee. Ik besloot het spoor van de dalende tramwagens te volgen en verkoeling te zoeken langs de Limmat, want door de föhn was de temperatuur flink opgelopen. Routineus hield ik mijn blindenstok loodrecht voor me en stak zonder te kijken en zonder enige angst de Bürkliplatz over. Het slapende meer waaraan Joyce ooit over het weerspiegelende licht van de oeverlampen dichtte bood mij een uitzicht op de bergen aan de overzijde. Verveeld hing ik over een reling, keek naar beneden en grijnsde. ‘Mijn naam is Theo Gantenbein en ik bedonder mijn vrouw Lila,’ sprak ik tot mezelf. Maar dat had u wellicht reeds begrepen.

[p. 5/C]origineel

Gantenbein, de protagonist uit de roman van Max Frisch weet niet wie hij werkelijk is. Als een van de mogelijke antwoorden op die vraag neemt hij de rol van blinde man aan, maar het had evengoed die van dove kruidenier kunnen zijn. Zijn probleem is dat van de hedendaagse mens die door het wegvallen van een legitimerende waarheid kampt met een identiteitsprobleem. Daar waar vroeger christendom middels het verdienen van een plaats in de hemel en verlichtingsideeën door het verwezenlijken van vrijheid de mens een raison d'être gaven, is het huidig begrip ‘mens’ volledig uitgehold. Het enige dat resteert is de vorm die het existentiële vacuüm omhult en aan het oog onttrekt. Op de vraag wie wij zijn geven wij bakker, schrijver, of blinde man als antwoord. Veel meer dan de mogelijke houdingen die wij kunnen aannemen zijn deze antwoorden echter niet. Je kan bovendien op een dag stoppen met bakken en schrijver of blind worden.

Een mensbeeld waarin de vorm de inhoud domineert vindt uiteraard zijn weerslag in alle geledingen van de maatschappij. In de politiek zijn ideologische uitgangspunten vervangen door snelle reclamespots waarin een produkt verkocht wordt. Daarnaast is New Age het voorbeeld van een religieuze beweging waarin de uiterlijke vormen de traditionele boodschap moeten vervangen. En natuurlijk heeft deze ontwikkeling ook consequenties voor de kunst. De tijd dat een bepaalde groep auteurs - om maar op bekend terrein te blijven - volgens een bepaalde waarheid een alomvattende concept van hoe te moeten schrijven ontwierpen, ligt achter ons - en misschien ook wel voor ons. Of je dit nu betreurt of niet, een ieder die zich met literatuur bezighoudt kan hier niet aan voorbijgaan.

Het meest wezenlijke voor de mens is zijn identiteit. Vandaar Gantenbeins onophoudelijke zoektocht. Want de vraag naar wie wij zijn moet voortdurend beantwoord worden. Op het politieke vlak is een oplevend nationalisme het antwoord op de ideologische gezichtloosheid van de partijen. Naast deze ontwikkeling wordt bijvoorbeeld de nihilistische dreiging op religieus terrein met fundamentalisme bestreden. Ook in de literatuur zou iets dergelijks kunnen plaatsvinden. Ik stel me voor: een soort lokale identiteit, dus één waar literaire boompjes met groene blaadjes in bijvoorbeeld Rotterdamse aarde wortelen. Want zei Gerrit Komrij al niet dat er een Nederlandse én een Rotterdamse literatuur is.

's Avonds laat liep ik - nog altijd met zonnebril - voor een héél andere boodschap door de stad. Een auto met een Frans nummerbord temperde vaart en reed enige tijd met mij op. De bestuurder keek een paar keer om zich heen en draaide toen het raampje open. ‘Hé monsieur, do you sell hashish?’ vroeg hij met het accent van Peter Sellers.

Van een blinde was ik in een drugsdealer veranderd.

 

giel van strien

prepostterug  begin  verder