terug  begin  verderprepost
[p. 6/d]origineel

Het plan

Nadat hij voor de vierde keer het naargeestige mechanische geluid heeft gehoord staat hij op en loopt naar buiten. Er is nu even niets te doen weet hij, maar dat weet hij al bijna dertig jaar.

Hoe lang heeft hij in al die tijd staan wachten? Elke week ongeveer vijf minuten, dat zijn tweehonderdzestig minuten per jaar en maakt in dertig jaar dus bijna achtduizend. Achtduizend minuten wachten om jezelf niet ouder te zien worden, denkt Bronsteen. Hij verbaast zich niet over deze snelle rekensom, hoofdrekenen is altijd zijn sterkste kant geweest. Waar hij wel versteld van staat is het besef dat hij moest wachten om zichzelf niet ouder te zien worden.

‘Daar zit een tegenstrijdigheid in,’ denkt Bronsteen. Normaal is dat je niet hoeft te wachten om een oude kop te krijgen. Als je maar lang genoeg leeft gebeurt dat vanzelf wel. Je leeft, stort je van de ene crisis in de andere, verliest je haar, wordt dik en sterft - als je geluk hebt - een niet al te gewelddadige dood in een bejaardentehuis, wellicht met de resten van een half gebakje nog in je mond, terwijl de televisie aanstaat. Even slaat de angst bij Bronsteen toe, de angst dat hij zich vergist heeft. Maar al snel heeft hij zich weer volledig in de hand, zoals het hoort. Nee, hij heeft niet voor niets gewacht.

Ook nu niet in deze hal, waar iedereen zich zoals gewoonlijk naar het juiste perron spoedt om de trein te halen. Hij weet zich door ervaring ook heel goed een houding te geven in die minuten dat hij daar in de stationshal staat. Goed, hij heeft geen kaartje dat hem het recht verschaft een reis te ondernemen naar verre oorden. Ook de gewichtige aktentas en regenjas waarmee vele passanten toegerust zijn ontbreken, evenals de gehaaste blik en het nerveus bestuderen van het polshorloge. Maar niemand verdenkt hem. De truc zit hem in het feit dat hij hier elke week op een ander uur komt. En dan nog, hij blijft nooit langer dan strikt noodzakelijk.

Met een tevreden gezicht loopt hij naar de kiosk, pakt een tijdschrift en bladert het door. Aandachtig bekijkt Bronsteen de afbeeldingen van jonge, frisse modellen en denkt: ‘jullie ontkomen er niet aan.’ Nu nog even langs de borden lopen waarop de vertrektijden staan weergegeven en dan is het tijd om terug te keren en op te halen waarvoor hij gekomen is.

Het ziet er goed uit, stelt hij tevreden vast terwijl hij met rustige pas naar de uitgang loopt. Net voordat hij de hal verlaat draait hij zich om en werpt een laatste blik op al die jonge,

[p. 7/D]origineel

dynamische mensen die nog twee of minder minuten hebben om in te stappen. ‘Loop maar,’ denkt Bronsteen. ‘Loop zo hard je kunt. Haal die trein maar en zet die walkman op je hoofd, zodat je die cursus Sanskriet kunt volgen terwijl je ondertussen het laatste boek van Robert Gipsbeen leest. Het zal niet helpen. Jullie worden toch oud.’

 

Op maandagavond gaat Bronsteen naar zijn leesclubje. Na zijn pensionering is hem in een praatgroep voor 65-plussers verteld dat het moeilijk is om na een arbeidzaam leven ‘verder te gaan in een nieuwe, boeiende fase’.

Wat bedoelden die mensen? Dachten ze dat zijn bestaan als boekhouder op een advocatenkantoor zo boeiend geweest was? Ja, arbeidzaam wel. Die weledelgestrenge klerelijers hadden hem zo laten ploeteren en zwoegen dat het een wonder mocht heten dat hij nog zonder stok liep. Verzet of sabotage heeft hij nooit gepleegd, ledigheid is immers des duivels oorkussen en bovendien is hij niet zo opgevoed. Maar ach, die slavendrijvers van dat kantoor zijn reeds tot stof wedergekeerd, of kwijlende opa's geworden, die hun kleinkinderen kwellen met eindeloze herhalingen van de schelmenstreken die ze uithaalden met dekselse jaargenoten waarvan de namen voorgoed vergeten zijn.

Zijn plan, dat hij nu bijna dertig jaar elke week tot uitvoering brengt, zal hem voor een zelfde lot behoeden. Hij heeft nog geen toupet nodig en doet het nog goed bij vrouwen beneden de vijfenzestig. Men had de buurvrouw moeten zien kijken toen hij gisteren kwiek nonchalant over het tuinhekje sprong! Die wilde zo met hem op vakantie.

De leesclub komt vanavond bij elkaar in het huis van Bram Braamsteeg, een jeneverstoker op leeftijd die de bijnaam Pipo de clown draagt vanwege zijn regelmatige gebruik van de uitdrukking ‘sapperdeflap’. De andere twee leden van de club zijn Hendrik Kraaienbrink, gewezen gemeenteambtenaar en bijgenaamd ‘De Kraai’ vanwege zijn doortrapte, lafhartige blik en Manfred de Vos, die zo weinig persoonlijkheid heeft dat het nooit bij iemand is opgekomen hem een bijnaam te geven. ‘Sapperdeflap, je bent laat,’ zegt Braamsteeg als hij Bronsteen binnenlaat. Bronsteen begroet de andere leden en gaat aan de lange tafel zitten waar Bram, nadat hij iedereen koffie heeft ingeschonken, zal aanschuiven om zijn literaire referaat te houden. Het is te hopen dat het vanavond een beetje interessant wordt, want vorige week was het een ramp. De Vos besprak toen een werkje van een bakvis die er - met hulp van een invloedrijke papa - in geslaagd was een boek van de drukpers te laten rollen waarin verteld werd hoe het was om in een progressief milieu op te groeien. Echt iets voor De Vos

[p. 8/e]origineel

om zo'n boek te kiezen.

Braamsteeg heeft een boek gelezen van een of andere Rus, de naam van de schrijver zegt Bronsteen niets. Het geweldige van het boek schijnt te zijn dat alles zo lang duurt. Als de hoofdpersoon naar het toilet gaat komt hij daar vijfenveertig bladzijden later pas vanaf. Ja, zo schoot je wel op met schrijven. De vorm van het licht geroeste, ietwat verbogen haakje, de WC-bril die het midden hield tussen perfect rond en elegant ovaal, het niet aflatende lekken van de stortbak, die precies elke tien seconden een druppel losliet, zenuwachtig kruipend ongedierte in hoeken en gaten en een opdringerig uit de toiletpot opstijgende gierlucht, die de hoofdpersoon aan vroeger doet denken en de schrijver de kans geeft eens lekker in dat droeve verleden te spitten. Wie de arme stoelganger vervolgens dwingt tijdens het tanden-poetsen de laatste tien jaar van zijn huwelijksleven nog eens kritisch te beschouwen, heeft bij elkaar al gauw honderd pagina's.

Braamsteeg babbelt maar door. Zijn woorden drijven als wierook de kamer uit. Bronsteen weet al lang niet meer waar het over gaat, ziet alleen een klomp vlees met een bewegend gat erin. Voorzichtig bespiedt hij de andere leden van het gezelschap. De Vos zit wezenloos voor zich uit te staren. Waar kijkt hij naar? Je weet het nooit bij De Vos. Zou die oude rukker zijn eigen tanden nog hebben? Vast niet. Masturbatie leidt tot tandbederf, dat weet zelfs een kind. En die De Vos zit er vast en zeker de hele dag aan. Nee, die tanden staan 's nachts op het nachtkastje. En dat haar. Kom nou De Vos, maak dat je moeder wijs. Je bent zeven jaar ouder dan ik, dat haar is niet van jou.

Bronsteen voelt dat hij bekeken wordt. De ogen van de Kraai schieten net te laat weg als Bronsteen naar hem kijkt. Een licht gevoel van paniek maakt zich van Bronsteen meester. Waar keken die glitteroogjes naar? Hebben ze soms tekenen van verval gezien?

‘Onmogelijk,’ denkt Bronsteen. ‘Ik heb een plan, ik blijf eeuwig jong.’ Hij kijkt naar de Kraai. Een grijze veldmuis is het geworden. Niets is er meer over van zijn vroegere heroïek. De jeugdige dadendrang is verdwenen, net als zijn zwarte krullen. Meer dan wat zilveren haren die hier en daar als roos tegen zijn kale schedel plakken is er niet over. Alleen de kraaienoogjes glimmen als vanouds. Een oude haarloze zak met twee edelstenen erin. Een snob, die de Nederlandse literatuur ‘alleen nog te pruimen vindt als ze in het Engels is vertaald.’

De brommende Braamsteeg babbelt maar door. Existentiële eenzaamheid, de oneindige tijd en het fantastische gebruik van de onomatopee, er komt gewoon geen einde aan zijn betoog. ‘Sapperdeflap, wat een saai boek,’ denkt Bronsteen en hij geeuwt.

[p. 9/E]origineel

Op woensdagavond gaat Bronsteen naar zijn moeder die in een bejaardentehuis woont. Elke week wil hij een kleine verrassing voor haar meebrengen, elke week wordt het moeilijker iets origineels te vinden. Moeder is bijna vijfennegentig; een CD kan ze niet meer horen, een boek niet meer lezen en gebak of andere zoetigheid mag ze niet meer eten.

‘Er is bezoek voor u, uw zoon,’ trompettert een mooie jonge vrouw in moeders oor. Bronsteen kust zijn moeder op de wangen en drukt haar een pakje in haar hand. De oude vrouw staart onbewogen voor zich uit.

‘Een cadeautje, voor u!’ hoort Bronsteen zichzelf schreeuwen en hij voelt zich plotseling onbeschrijflijk dom. Hij gaat tegenover haar zitten en kijkt zijn moeder zo vrolijk mogelijk aan. Ze reageert niet. Bronsteen zucht en kijkt langs haar heen naar de muur waar een gehaakte spreuk hangt. ‘Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens’ staat er te lezen. Wat heb je aan een klok die thuis tikt als je bijna niet meer hoort en niet eens de krant kunt lezen. Als je man al vijftien jaar dood is en je zoon van zeventig een keer in de week uit beleefdheid een bezoekje brengt. En straks komen die verdomde feestdagen er weer aan. Zitten we weer met kerstmis een kalkoen in zijn kont te kijken. Ouderdom, de kroon op het leven, m'n reet!

Bronsteen zet de radio aan en gaat voor het raam staan. ‘Zeg toch eens wat, moeder,’ fluistert hij in de wetenschap dat ze hem niet hoort. Wat gaat er in je om, waar denk je aan, wat voel je? Word je nog wel eens geil als je mooie jonge sporters op de televisie ziet, of zie je ook dat niet eens meer? Hij schrikt bij de gedachte aan zijn oude moeder, naakt in bed, de vingers tussen haar benen. Mocht je zoiets wel denken? ‘Ik ging alleen maar even suiker halen.’ Bronsteeg kijkt om. Ze zit nog steeds in dezelfde houding, het pakje in haar handen geklemd.

‘Ze hield van veel suiker in haar koffie.’ ‘Wie moeder, wie hield van suiker?’ ‘Toen ik met de klontjes terugkwam zat ze met een glimlach voor zich uit te staren, alsof ze net een goede grap had gehoord.’

Ineens begrijpt hij het. Mevrouw Te Pas, moeders vriendin in het bejaardentehuis, is overleden. Wat nu? Hij gunt zich geen tijd om na te denken. ‘Het spijt me moeder.’ Hij ziet het voor zich, de dikke mevrouw Te Pas die in domme verbijstering in het niets staart, de ogen reeds dof, de slechte adem gestokt. Nu niet in paniek raken, denk aan het plan. En zeg iets.

‘Ze was al heel oud, bijna negentig. En niet meer zo gezond. Het zat erin dat ze een keer zou gaan.’

Moeder staat op, in haar ogen staan achterdocht en verachting te lezen. Met een voor

[p. 10/f]origineel

haar leeftijd ongewoon krachtige beweging smijt ze het pakje tegen de muur. Geluid van brekend glas. Daarna begint het overdreven lekker te ruiken in de kamer. Alsof de slechte adem van mevrouw Te Pas verdreven moet worden.

 

‘Wat heeft iedereen het weer druk,’ denkt Bronsteen. De aanblik van al die mensen die zich door de stationshal spoeden geeft hem een intens tevreden gevoel. Allemaal op de vlucht voor de ouderdom. Bronsteen voelt zich vandaag zó krachtig, zó zelfverzekerd dat hij het niet eens nodig vindt naar de borden met vertrektijden te turen, zoals hij gewoon is te doen tijdens de uitvoering van zijn plan. Ook de kiosk laat hij links liggen.

Na vijf minuten komen de foto's uit de machine rollen. Het ziet er weer goed uit, zoals altijd eigenlijk. Hij staat er pront op. Kijk die haarinplant nou toch eens. Fantastisch! Nee, die achtduizend minuten zijn het dubbel en dwars waard geweest om te wachten.

Thuis gekomen pakt Bronsteen zijn plakboek en lijmt het strookje met de vier pasfoto's in. Volgende week de laatste foto's van het jaar en dan vol frisse moed in januari met een nieuw album beginnen. Hij slaat de eerste pagina van het plakboek op en kijkt naar zichzelf zoals hij er uitzag in januari van dit jaar. De kiekjes van februari en maart volgen. In april is hij naar de kapper geweest, dat is duidelijk te zien. Verder is er geen verschil waar te nemen. Van januari tot december bladerend is hij werkelijk geen dag ouder geworden.

Wat is het jaar eigenlijk hard gegaan. De jaren gaan steeds sneller, zo lijkt het wel. Wat is er na zeventig jaar overgebleven? Geen vrouw en kinderen, daarvoor is hij altijd te zeer op zijn vrijheid gesteld geweest. Geld ook al niet; nu ja, een karig pensioen waar hij net van rond komt. Vrienden? Och, als je die literaire ouwe lullenclub vrienden wilt noemen. Zijn jeugd, ja die is gebleven, stelt Bronsteen tevreden vast. Hij hoeft volgende week alleen maar even langs notaris Akersloot om het plakboek af te geven. Akersloot bergt het voor hem op, bewaart Bronsteens jeugd achter slot en grendel.

 

Bronsteen schrikt als de bel gaat. Half elf. Wie komt er op zo'n onmenselijk laat tijdstip nog aan de deur? Angstig gluurt hij door de gordijnen van de woonkamer. Verrek, het is de Kraai!

‘Waar was jij vanavond?’ De Kraai's glitteroogjes kijken Bronsteen streng aan. ‘Jij zou een boek bespreken vanavond, weet je nog?’ Bronsteen staat perplex. Hoe kan hij de leesclub nu vergeten zijn? Dat is hem nog nooit gebeurd.

‘Laat je mij nog binnen of niet?’ Bronsteen maakt een uitnodigend gebaar en volgt de

[p. 11/F]origineel

Kraai naar de woonkamer. Hij vergeet nooit iets, voor alles is al jaren een plaats en een tijd in zijn leven. Hij schenkt voor de Kraai een jonge jenever in die hij heeft staan voor het geval er eens bezoek komt. ‘Die fles heb ik jaren geleden gekocht en hij is niet eens half leeg,’ denkt Bronsteen.

‘Zeg eens eerlijk,’ begint de Kraai. ‘Heb jij nog wel zin in die literaire avondjes? Eerlijk zeggen.’ ‘Jawel, het is alleen, ik vind het zo erg dat...’ Bronsteens onderlip trilt.

‘Dat wat, dat wat, zeg het maar! Dat Braamsteeg en de Vos altijd van die verschrikkelijke boeken willen bespreken? Zeg het maar, want ik vind dat ook vreselij...’

‘Nee man, hou toch eens op! Je begrijpt het helemaal niet.’ Bronsteen is opgestaan en loopt, de handen diep in de broekzakken gestoken, onrustig heen en weer door de kamer. Moet hij het de Kraai vertellen of niet? Hij zou wel willen, maar durft het niet. Want hoe gaat het met zulke vertrouwelijke gesprekken; hij begint met iets en van het een komt het ander. Voor hij het weet heeft hij veel meer verteld dan hij aanvankelijk van plan was. En is het ook niet een beetje belachelijk voor een man van zeventig om meteen in paniek te raken als hij eens iets vergeten is? Dat hoeft heus niet te wijzen op een beginnende dementie. Het hoort gewoon bij het... Het... Zijn hart begint sneller te kloppen.

‘O ja, dat was ik bijna vergeten,’ zegt de Kraai en tast in de binnenzak van zijn colbert. Mijn God, een foto, de Kraai heeft een foto! ‘Het is ongelooflijk hoe lang zo'n rolletje nog goed blijft. Ik vond het vorige week in een doos op zolder en heb het meteen laten ontwikkelen. Weet je nog die vakantie in Italië, vijftien jaar geleden?’

‘Alles is verloren,’ denkt Bronsteen. Het is te laat, hij heeft al naar de foto gekeken. Daar staat hij op een plein in Florence. Wat is hij nog jong! Vijfenvijftig slechts.

‘Je had dit niet mogen doen,’ fluistert Bronsteen met hese stem. ‘Je maakt mij kapot.’ Kraaienbrink staat snel op en weet nog net te voorkomen dat Bronsteen tegen de grond stort.

‘Zeg wat heb jij ineens?’ Bronsteen, die op de bank is gaan zitten, staart naar zijn vlekkeloos schone tapijt. ‘Ik dacht dat ik het tegen kon houden, Kraai. Het is gek, maar ik dacht het echt.’

‘Bronsteen, wat lul je nou. Waar heb je het over?’ Bronsteen staat op en loopt naar zijn bureau waarop zijn plakboek ligt, verborgen onder een stapel belastingformulieren. De Kraai slaat de bladzijden van het boek om, bekijkt nauwkeurig de foto's. ‘Zeg eens, wat is dit?’

‘Het is een elixer,’ begint Bronsteen met doffe stem. ‘Een elixer tegen de ouderdom, tegen de overbodigheid, het niet produktieve. O, wat haat ik de jeugd, met haar vanzelfsprekende

[p. 12/g]origineel

gave uiterlijk. Die arrogante snelheid waarmee ze je in alles passeren. De nauwelijks verholen irritatie als ze er niet langs kunnen en even op je moeten wachten.

‘Die walgelijke eufemismen waarmee reclame- en beleidsmakers de ouderdom steevast willen omtoveren in een permanent feest. Een goed verzorgde oude dag of de derde jeugd heet het dan. Een nieuwe, boeiende fase heette het in mijn geval. En dan die idiote lieve opaatjes die, blakend van gezondheid en levenslust, in de televisiereclame mogen optreden als wijze oude heer. Maar als je te kennen geeft dat je niet met pensioen wilt, zeggen ze dat er nu eenmaal een tijd van komen is en een tijd van gaan en dat je van je welverdiende rust mag gaan genieten. MAG? MOET!

‘De dood klopt elke dag aan mijn deur. Ik doe niet open natuurlijk. Dus loopt hij door, een grijnslach op zijn gezicht. Hij weet wel dat ik thuis ben, maar laat het nog maar even zo. Op een dag zal hij de deur intrappen en mij desnoods aan mijn haren meeslepen.

‘God zal mij om uitleg vragen. Wat was dat Bronsteen? zal hij zeggen. Te denken dat je zou kunnen ontsnappen aan het lot dat ieder mens beschoren is? Hoogmoed mijn jongen. Meer dan een tijdelijk lidmaatschap kan ik je voorlopig niet bieden. Kraai, je moet mij helpen. Ik ben bang.’

Kraaienbrink strijkt Bronsteen door zijn haren. ‘Ik help je.’

 

‘Denk je dat we het halen?’ vraagt Bronsteen en kijkt voor de zoveelste keer op zijn horloge. Kraaienbrink knikt geruststellend en schakelt naar een hogere versnelling. Het bestelbusje schiet vooruit.

‘Jeeeehaaa,’ schreeuwt de Kraai en zet Bronsteens jeneverfles aan zijn mond. ‘Een road-movie voor bejaarden, Bronsteen, verdomd als het niet waar is.’

Bronsteen zegt niets, kijkt alleen maar bezorgd van de kilometerteller naar de jeneverfles en van de fles naar zijn horloge. Nog een half uur, dan begint het nieuwe jaar.

‘De zee, ik zie de zee!’ krast Kraaienbrink theatraal.

‘Drink niet zo veel.’

‘Into each life some rain must fall,’ zingt Kraaienbrink en stuift het strand op.

‘Niet zo hard.’ Als de bus tot stilstand komt, begint Bronsteen meteen uit te laden. De kraai maakt een kleine kuil in het zand en vult het met houtsnippers en papier. Het is tien voor twaalf.

‘Ben je er klaar voor?’

[p. 13/G]origineel

Bronsteen knikt. De kraai gooit wat spiritus over de houtsnippers en strijkt een lucifer af.

‘Ga je gang.’ Bronsteen pakt een plakboek en houdt de kaft in het vuur. Het wil niet zo snel vlam vatten als hij had gedacht. Hij kijkt op zijn horloge; vijf voor twaalf.

Dan staat hij op en begint de vijf dozen met plakboeken tegen elkaar aan te schuiven. Hij giet de hele fles spiritus over de boeken leeg.

‘Maak de champagneflessen maar alvast open.’ Eén lucifer is dit keer genoeg.

 

paul van der schoor

prepostterug  begin  verder