terug  begin  verderprepost
[p. 17/I]origineel

[Dat waren nog eens tijden!]

dat waren nog eens tijden!

De gefortuneerde burgerij woonde rustig in de prestigieuze villawijken en - godbetert! - het muesli-ontbijt was nog niet zalig verklaard, omdat de heersende romantiek alles deed verteren. Nederland; voor de oorlog, zeg 1935, die tijd dus. Het verschil tussen leedverwekkend en angstverwekkend was nog voer voor psychologen, gefundenes fressen voor psychiaters [daar hadden we er gelukkig nog maar weinig van], terwijl een vleugje esthetische correctheid als een zorg voor later werd afgedaan. De looskletsende, tuitvormige drilpudding producerende neuroten, lieten zich nog niet al te opvallend buiten hun rondom München opgeslagen tentenkampen aanschouwen.

 

Dat waren nog eens tijden!

Proza en Poëzie stonden innig verstrengeld op een sokkel, die tot aan de hemel reikte; de literaire critici en recensenten werden nog niet tot de dikhuiden gerekend; hun was de zielkundige verfijndheid van de rinoceros nog geheel onbekend. Nederland schreef en Nederland las.

 

Dat waren nog eens tijden!

Problemen tussen literaire heavyweights onderling, werden middels polemieken en/of vuurvol geschreven schotschriften uitgevochten. Dat werd een ware kunstvorm; de Nederlandse Letteren zijn daar meer dan wel bij gevaren.

 

Bleek het papier uiteindelijk niet voldoende

[p. 18/j]origineel

om uiting te geven aan je oprechte aversie of diepste zieleroerselen, ja dan restte je maar één alternatief: de oorvijg of kinnebakslag.

 

Zo werd het op een avond dichter en virtuoos vertaler Martinus Nijhoff allemaal wat te veel en liep, lichtgevoet in alcoholische nevelen, recht op schrijver Edgar du Perron toe en schreeuwde: ‘Nu wil ik verdomme wel eens weten wat jij tegen me hebt!’

Dit gebeurde in het destijds nog echt deftige Americain; tegenwoordig een lustoord voor gesjeesde analfabeten, met maskers uit Peru aan de schrijfkamermuur, zodat de integere Du Perron, met zijn aangeboren gevoel voor decorum, verplicht werd tot antwoorden.

‘Dat kan beter bij een andere gelegenheid.’

Daar wilde Nijhoff niets van weten, zodat uiteindelijk beide kemphanen op het Leidseplein tot een echte kloppartij geraakten. Natuurlijk had ook deze ruzie weer rechtstreeks met Jan Jacob Slauerhoff te maken; met afstand de grootste querulant uit de Vaderlandse literaire geschiedenis, maar tevens wel één der grootste dichters uit die tijd.

 

Dat waren nog eens tijden!

Nadat een drietal Amsterdamse taxichauffeurs de twee reuzen had gescheiden, voegde de meer dan middelmatige vuistvechter Nijhoff zijn opponent toe: ‘We moeten er morgen nog eens over praten en afdrinken.’

 

Dat waren nog eens tijden!

Want; 't is echt niet anders, zo is het spel en zo behoort het gespeeld te worden! Du Perron ging niet op deze invitatie in en wierp deze, wellicht door omstandigheden, opgeroepen jovialiteit, verre van zich. Niet uit blinde haatdragendheid, maar omdat hij - indien iemand voor hem had afgedaan - immer heel consequent bleef.

Zo bleef hij ook zonder mankeren naast Slauerhoff staan; zo standvastig, dat zelfs Simon Vestdijk daar weer een schuchter vraagteken naast plaatste.

 

Dat waren nog eens tijden!

Nu leven we in de ijstijd van de denderende stilte. Maand na maand komen uitgevers met wéér een nieuwe literaire ontdekking voor uw boekenplank aangesneld, maar keer op keer wordt de grootspraak van deze boekpaladijnen door de ramsj achterhaald. De neo-Nederlandse literatuur is verworden tot een mierzoet versuikerspind spinneweb; vol aan onderkoelde vuurvliegjes.

 

Van oorsprong behoren polemist en columnist de literatuur serieus op te vatten, terwijl de pamflettist, vanwege zijn opzet, stijl en eventueel risicovolle onderwerpbehandeling, juist door de literatuur met egards moet worden behandeld. Vergeet 't maar, dit zijn andere tijden!

 

De staat van de Nederlandse e-columnie is ronduit deplorabel; de inflatie aan eigen originali-

[p. 19/J]origineel

teit en daarmee gepaard gaande hersenloze verruktheid, doet menig adept van het Amsterdamse grachten-circuit, de autoriteit van het geheiligd privé-domein betreden, om als opgedirkte puritein, collega paginavullertje te betichten van bordeelbezoek of anderszins.

 

Dit is de huidige tijd!

A zegt dat B een dief is;
C stelt dat A lange vingers heeft:
D beticht B van plagiaat en stuitend spraakgebrek;
E kan niet schrijven, maar wenst te ventileren, dat
C het met D doet, terwijl die toch overduidelijk in de huwelijkse staat met A verkeert...

Oftewel: het opblazen en leegpompen van de tegenstander op een verhullende wijze, zodat u denkt, met hele grote denkers vandoen te hebben.

 

Dit zijn barre tijden!

Als iemand vraagt hoe laat het is; bij mij vijf over twaalf.

Grote denkers...?

Lilliputters op plateauzolen!

 

jacob nederlof

prepostterug  begin  verder