terug  begin  verderprepost
[p. 66]origineel

Ten Slotte

Is rap poëzie of muziek? Deze vraag wordt gesteld op de achterflap van Double Talk, rap & poëzie, een bundel met rapteksten en gedichten die onlangs verscheen bij de Arbeiderspers. De samenstellers, Emerald Beryl en Fred Bomber, weten het wel. Zij organiseerden in januari in Amsterdam het festival Double Talk, om de in hun ogen kunstmatige scheiding tussen rap en poëzie op te heffen. De bijbehorende bloemlezing dient om hun stelling nog eens te onderstrepen. Want terwijl cultuurpessimisten, volgens de omslagtekst, klagen over het gebrek aan interesse van jongeren voor de ‘haute littérature’, bestaat er een rapcultuur waar de poëzie leeft als nooit tevoren.

Voor wie het niet weet: rap, simpel gezegd het ritmisch voordragen van tekst op muziek, komt voort uit een Amerikaanse orale traditie met een historisch en politiek engagement. Van slaven tot aan dominees werd er gerapt om de ander moed in te spreken of om elkaar op te zwepen. Aan het begin van de jaren 80 werd rap een onderdeel van de popcultuur. Op jeugdfeesten in de Bronx in New York begonnen DJ's op hun pick-ups te scratchen en het publiek met ritmische kreten aan te moedigen. De kreten groeiden uit tot complete verhalen, met een hoop boasting and bragging. Want zelfbewust zijn rappers altijd geweest. Al snel verschenen de eerste rapsingles, en werd ‘Rapper's Delight’ van de Sugarhill Gang een wereldhit. Het breakdancen verhuisde van de feesten naar de straat, en de jeugd ging zelf rappen met behulp van de ghettoblaster en de human beatbox. Kortom, de hiphopsub-cultuur was geboren. Enerzijds was er de fun-rap van groepen als de Fat Boys, anderzijds werd de traditie van het engagement voortgezet door Grandmaster Flash en later Public Enemy. Inmiddels zijn er vele subgenres; de enige constante in de rapplaten van nu is - nog steeds - de monotone voordracht op de beats van de muziek.

Juist het ritmische van de rapteksten, beto-

[p. 67]origineel

gen Beryl en Bomber in hun inleidend woord, maakt hen tot een impuls voor de literatuur. ‘De taal zelf wordt als instrument benut. De tekst wordt niet uitsluitend ritmisch voorgedragen, maar ís ritme. Het internationale karakter ervan verrijkt de literaire vorm en taal zowel inhoudelijk als stilistisch. Rap is muzikaal genoeg om het zonder muzikale begeleiding te kunnen stellen.’ Het afdrukken van rapteksten als poëzie in boekvorm, is zeker in Nederland een statement dat bijna uniek is. Het boek lijkt dan ook verder te willen reiken dan de rapcultuur waar het grotendeels uit voortkomt, en erkenning te vragen van de literaire wereld.

Of de kwaliteit van het afgedrukte inderdaad een verrijking van de literatuur inhoudt - daar valt over te twisten. De bijdragen van Bitches - hij draait je een loer voor hondevoer en helpt je naar de mallemoer/ je zakken worden leeggejat voor die fijne zak patat - and Cream, en van de Osdorp - het gebied van taal, ik houd niet van kaal/ maar sta niet voor paal als ik mijn lied verhaal - Posse wijzen er niet op. Aan de andere kant is er een wel zinnige tekst opgenomen van de roemruchte Last Poets, de Amerikaanse pioniers die al sinds de jaren zestig militante teksten voordragen op muziek, al is het niet de voor rap zo kenmerkende hiphopbeat.

Maar interessanter dan een oordeel over literaire kwaliteit, is de vraag waarom men in de hiphopcultuur zo naar de waardering van het literaire establishment verlangt. Want Double Talk mag een nieuw initiatief zijn, de drang van rappers om zich (rap)poets of iets dergelijks te noemen is welbekend voor iedere ingewijde in het genre. En dat terwijl het omgekeerde veel meer voor de hand ligt. Een goed voorbeeld is Serge van Duynhoven, een van de dichters die werden benaderd door de samenstellers om zich door de zogeheten rapoetry te laten inspireren. Al ben ik geen liefhebber van zijn werk, van Duynhovens gedicht ‘Hier in deze balzalen’ is een verademing in deze bundel. Het is namelijk niet een rijmelige woordenbrij, maar gebruikt de vorm van poëzie om iets (iets erg Nix-erigs, verrassend genoeg) over de uitgaans- en muziekcultuur van nu te zeggen. Zo bereikt van Duynhoven de best of both worlds, om nog maar eens - zoals men in de hiphop graag doet - een Engelse uitdrukking te gebruiken. Hij past in zijn werk technieken toe die ook in de rap welbekend zijn: de rauwe, ongepolijste weergave van het grotestadsleven, en het gebruik van slang; daarbij treedt hij op met voordrachten op muziek, in zijn geval onder begeleiding van house-DJ's. En met succes. Hij is een van de weinige dichters in Nederland die een jong publiek bereikt en uit de ingekapselde poëziewereld heeft weten te breken.

Dat zou te denken moeten geven. Want de gemiddelde dichter treedt nog altijd op in muffige cafés voor een wel zeer select publiek van louter would-be dichters. En als hij geluk heeft wordt hij uitgenodigd op Poetry International, waar het publiek uit èchte dichters bestaat. Ondertussen staat Grandmaster Flash op de cover van Time en Life, leiden de staatsgevaarlijke teksten van Public Enemy tot verhitte taferelen in de Amerikaanse senaat, en is de moord op rapper 2Pac een half jaar na dato nog altijd onderwerp van discussie, compleet met uitgebreide tekstanalyses, in alle media van Vrij Nederland tot MTV en internet. Zelfs de Nederlandse Osdorp Posse heeft al een klassieke tekst op haar naam staan: ‘Dood aan de radio!’ Daarom ligt aan de vraag die het boekje Double Talk stelt, een merkwaardig en misplaatst minderwaardigheidsgevoel ten grondslag. Het is eerder aan poëten om rappers te willen zijn.

 

Erik Brus

[p. 68]origineel


illustratie



illustratie

[p. 69]origineel


illustratie

prepostterug  begin  verder