Het rommelt in de wereld van het literaire tijdschrift. Van veel bladen loopt de oplage terug en de functies van het periodiek worden uitgehold. Een ander veeg teken is dat kunstredacties, zoals die van De Volkskrant, gestopt zijn met het recenseren van literaire tijdschriften. Onlangs bereikte de onrust een voorlopig hoogtepunt met de beslissing van het Literair Produktiefonds om Hollands Maandblad minder subsidie toe te kennen. Het tijdschrift zou onvoldoende kwaliteit bieden en een te journalistiek karakter hebben. Reacties bleven niet uit. Martin van Amerongen wijdde er in De Groene Amsterdammer een artikel aan, en de redactie van Hollands Maandblad verbrak iedere verbintenis met het Literair Produktiefonds. Op de omslag van het aprilnummer prijkte zelfs de geuzenkreet ‘vrij & ongesubsidieerd’, al roept deze beginselverklaring enige gelijkenis op met een huisvrouw in de jaren zeventig, die ondanks het belijden van het feminisme de voorkeur aan een man en veel baby's gaf.
De rel rond Hollands Maandblad is geen op zichzelf staand incident, maar illustreert de crisis waarin het literaire tijdschrift zich bevindt. Het periodiek staat ter discussie en de betrokkenen wekken de indruk daar maar moeilijk mee om te kunnen gaan. Volgens Jaap Goedegebuure, hoogleraar in Tilburg, heeft het literaire tijdschrift zijn beste tijd gehad. Doordat kranten en weekbladen de functies van het tijdschrift hebben overgenomen heeft het zijn bestaansrecht verloren, luidt simpel gezegd de redenering van Goedegebuure. Dat is geen prettige constatering voor een redactie van een literair tijdschrift, maar het is onverstandig om deze mening als borrelpraat terzijde te schuiven. Want er moet toch een verklaring zijn voor de huidige positie van het literaire tijdschrift. Overdreven gezegd: hoe komt het dat de geïnspireerde voorhoede van de letteren en aanverwante cultuurdisciplines vandaag de dag nog slechts een rol in de marge vervult?
De verklaring voor deze negatieve ontwikkeling is dat het literaire tijdschrift in verschillende opzichten niet met zijn tijd is meegegaan. In de eerste plaats heeft het de commerciële
strijd met andere bladen verloren omdat het deze nooit werkelijk heeft willen voeren. Veel mensen binnen de letteren zijn nog altijd de mening toegedaan dat alleen financiële steun uit publieke middelen welkom is. De eilandengeest die de letteren kenmerkt heeft er toe geleid dat opvattingen uit de jaren zeventig nog altijd stand houden. Waar andere sectoren dankbaar gebruik maken van de groeiende interesse van de commercie voor de cultuur, meent de nomenklatoera van de letteren met gevaarlijke ideeën van doen te hebben. Dat auteurs verhalen verkopen aan tijdschriften die niet literair zijn komt gewoon omdat deze beter betalen. Als je dus wilt dat die verhalen in je tijdschrift verschijnen moet je zorgen dat je genoeg geld hebt. Dat betekent dat je niet bang voor advertenties bent en sponsors probeert binnen te halen, zoals nu ook Hollands Maandblad doet. Passionate is helaas nog niet een literair tijdschrift dat zich met veel succes op de sponsormarkt begeeft, maar het eveneens Rotterdamse periodiek Transito doet dat wel. In het onlangs verschenen nummer wordt een fraai lijstje van sponsoren opgesomd. Al is het natuurlijk wel zo dat de makers van dit regentenblad beter ingevoerd zijn in het Rotterdamse dan de jonge honden die voor de exploitatie van Passionate moeten zorgen. Want hoe kan men anders verklaren dat gemeente-instellingen als Dienst Stedebouw en Volkshuisvesting en Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam een cultureel periodiek steunen? Niettemin kunnen wij in dit opzicht nog iets van Transito leren. De tweede verklaring voor de teloorgang van het literaire tijdschrift is dat het zich nooit om zijn uiterlijk heeft willen bekommeren. Ook in dit opzicht heeft de bekrompen eilandengeest rampzalige gevolgen gehad. Terwijl boekhandels langzamerhand uitpuilen van de flitsend vormgegeven bladen menen vele redacties dat de letteren hier zover boven verheven zijn dat ze eindeloos kunnen doorgaan met het afleveren van kleurloze boekjes die veel weg hebben van de gezangenbundels van Johannes de Heer. Wie een boekhandel binnenloopt kan kiezen uit honderden bladen. Als je dus wilt dat iemand jouw tijdschrift in handen neemt, zul je die persoon met het beeld moeten verleiden. Want je kunt wel beweren dat het om de inhoud van het tijdschrift gaat, van die inhoud wordt pas kennis genomen wanneer je de lezer daartoe uitnodigt. Een zeer plausibele redenering, maar in de kerk van de letteren komt dit neer op godslastering. Daar wordt het beeld als Het Grote Kwaad gezien dat er op uit is de taal te vernietigen. Het wordt echter hoog tijd dat men deze defensieve positie verlaat en ook in dit opzicht de concurrentieslag met andere tijdschriften aangaat.
Tenslotte is er een andere ontwikkeling gaande die er voor gezorgd heeft dat het literaire tijdschrift aan belang heeft ingeboet. Zoals tussen kunst en commercie het geval is, is er ook tussen literatuur en journalistiek sprake van grensvervaging. Terwijl literatoren de mogelijkheid krijgen om in dagbladen en andere journalistieke ‘bolwerken’ te publiceren wordt vanuit de letterenhoek angstvallig de boot afgehouden. Journalisten zijn immers allemaal mislukte schrijvers en het bastion van de letteren moet beschermd worden tegen alles wat niet tot het eigen volk behoort. Na alle grensvervagingen in de hedendaagse kunst is het verbijsterend dat in 1997 aan een literair tijdschrift een subsidie wordt geweigerd omdat het ‘een journalistiek product’ is. De wereldvreemdheid van het Literair Produktiefonds kan echter niet beter geïllustreerd worden en alleen al om die reden zou Aad Nuis de letterenportiers tot de orde moeten roepen.
Als men bovenstaande in acht neemt is er wel degelijk een toekomst voor het literaire tijdschrift. Wanneer het een inhaalslag maakt heeft het zeker weer een kans een positie te verwerven die meer dan marginaal is. Een commercieel gezond tijdschrift, met eigentijdse vormgeving, gemaakt door journalisten en volgeschreven door auteurs moet in staat zijn om ook jongeren aan te spreken. Hoewel er nog veel aan dit tijdschrift verbeterd kan worden bewijst Passionate dat dat laatste mogelijk is. En een nieuwe identiteit zal uiteindelijk ook tot nieuwe functies van het tijdschrift leiden, waarmee je op den duur ook wel weer de aandacht van de media trekt.
U hoort nog van ons.
Giel van Strien