i.s.m.
[p. 44]
origineel
Ballade van de laatste reis
(voor A.)
1 (voorspel)
Zacht zegt ze:
na deze reis weet ik
of ik hem volg naar Vuurland,
of hoe het ook mag heten.
Zwijgend verder ingepakt
totdat ze
de slaapzakken ineengeritst
donzen gondel
waarin we lijf aan lijf
stijgend dalend
in teder evenwicht
Licht nahijgend van het dromerig
klaarkomen staat ze op en zegt:
bijna toch nog iets vergeten.
2 (allemansrecht...)
Vraagt ze:
je bedoelt dat iedereen
met mij wanneer en waar hij wil?
Vrij kamperen, legt hij uit,
geen grens aan plaats
of tijd
zo was het spel - jij vroeg niet
wat je vroeg, ik zei niet
wat ik zei - zo de regel
En hij (haar voordeur op het nachtslot,
de derde slaapzak ergens achterin,
een schaduw in haar ogen)
de uitgewoonde straat uitrijdt
richting noorderzon.
[p. 45]
origineel
3 (aankomst)
Ze spelt de krant:
zonsopgang, smalle landtong,
man in duikerpak zet aktentas
op strand, op 50 m. uit de kust
een periscoop, een vage foto
als bewijs
ik wilde vragen en vroeg niet,
nam de krant en vertaalde
het weerbericht
Terzijde van het voorspelde
stormgebied, ver landinwaarts
aan een drukbevaren fjord
zoeken ze, elkanders vreemdeling,
beschutting voor de kleine tent.
4 (nacht)
Ze fluistert:
wat moeten al die schepen?
Zoeklichten spoken over de lage
oevers van de fjord, roerdompen
reageren met gedempt
gesnater
met deze vaarweg binnengaats
mijdt de zeeman, las ik je voor,
de Jammerbocht die niet voor niets
zo gruwelijk geheten
De derde slaapzak (bijna vergeten)
uitgerold ademt ze:
hoor je het hijgen van de wind,
de zware stappen in het water?
[p. 46]
origineel
5 (opdracht)
Ze decodeert:
ga met het ochtendrood,
voorbij de overbloei aan stokrozen,
volg de windveren aan de hemel,
zoek het molenrijke eiland
waar eb noch vloed
de slaapzakken strak opgerold
waarin die nacht
tot bloedenstoe
lijf gezocht naar lijf
en niet gevonden
De blauwdruk van het eindtraject
op haar gesloten schoot
wijst zij de weg.
6 (overtocht)
Haar ogen groot:
stampend worstelt het schip
tussen druipende muren van zee,
dieper en dieper bukt ze haar
met schitterend zout bespat
gezicht
diep in zijn keel staken de wetten
tegen beter weten, kronkelde
een slang van walging
Hun wanhoop waait aan flarden
op de voortrazende boeggolf.
Als hij haar ontluisterde mond
schoon wil likken fluistert ze:
hij kan ons zien, hij kan ons zien.
[p. 47]
origineel
7 (tussenspel)
Opgelucht:
de kust is veilig, geen koplamp
opdoemend in de aangolvende
mist, noch in de spiegel taal
of onheilsteken, tot midden voor
de brede poort
lieve luxe wilde je opeens,
warme douches en een restaurant,
dat ik je aanraakte -
hoezo eiland, eb of vloed,
wij waren koningskinderen
Achter een stortgordijn van regen
verdampt het visioen: terug!
elk nieuw begin is moord.
8 (bestemming)
Het eiland:
slechts van het vaste land gescheiden
door een diepe trog,
geheime wijkplaats
voor onderzeese schaduwen, on-
geïdentificeerd
vanaf het smalle strand
zag ik de zonneboot
roerloos afgemeerd
in roodkoperen licht,
zag ik je blootsvoets
de zee inlopen
stap voor stap
onherroepelijk
(Schipper mag ik overvaren)
[p. 48]
origineel
9 (naspel)
Hij droomt:
dat hij droomt dat alles slechts
een droom, dat hij het tere wonder
van haar slaaplauwe tepels
aan zijn wimpers terug
kan dromen
dat ik niet sliep
dat zonder enig omhaal
je mij het wachtwoord in de mond
kon leggen, dat ik mijn rol
Dat ze dus ieder ogenblik
de tent kan openslaan, hem wakker
kussen en zeggen: vriendje,
heb je naar gedroomd?
10 (gedachten)
Er staat gezegd:
Dit tussen ons zal altijd zijn
ook als het niet meer is,
en
altijd mag je in mij komen
ook als ik ooit met wie dan
waar dan ook ter wereld -
had hij gedacht.
Al die tijd stond er gezwegen:
wat tussen de lakens is gezegd
is niet gezegd, jammer, nergens
kun je er iets voor kopen -
had zij gedacht.
[p. 49]
origineel
11 (teken)
Reiziger, sta even stil
op deze kale hoogte aan de kust -
zie de molen tegen de winterlucht
diagonaal gekruisigd
nachtzwart geteerd
aftakelend decorstuk:
dode zee met zonsondergang
soms komt een ijsvogeltje
staalblauw en oranje
fladderen om zijn houten kop,
rust wat uit
op een van zijn gekluisterde wieken,
wet de felle snavel
aan een van zijn verroeste spijkers.
Klaas de Wit