Volgens Baudelaire was de aanblik van een stad nog veranderlijker dan het hart van een menselijk wezen: La forme d'une ville/ Change plus vite, hélas! que le coeur d'un mortel. De houten en gepleisterde huizen van Parijs werden in zijn tijd vervangen door stenen woonkazernes en de nonchalante omgang met weerloze zaken als schoonheid en geschiedenis moet de volbloed romanticus een doorn in het oog zijn geweest.
Om geen andere reden zal L.Th. Lehmann bovenstaand citaat hebben uitgekozen als eerste motto voor zijn nieuwe dichtbundel Vluchtige steden (en zo). Uitspraken van Remco Campert (terwijl de gemeente plannen smeedt/ voor opnieuw een officiële toekomst...), en Diana Ozon (Stad sta stil.) houden Baudelaire op dezelfde pagina gezelschap.
Met de keuze van deze motto's wordt bij voorbaat duidelijk wat de lezer te wachten staat. Geen autobiografische bekentenispoëzie, maar een aanklacht tegen het gebrek aan historisch bewustzijn, een satire op de hedendaagse stadsontwikkeling, een poëtische uitval van oprechte woede aan het adres van planners, architecten en geldschieters.
Vluchtige steden (en zo) is de comeback na dertig jaar van een dichter die nog voor de Tweede Wereldoorlog als wonderkind de Nederlandse literatuur werd binnengehaald. Op zevenentwintigjarige leeftijd publiceerde hij reeds zijn Verzamelde gedichten, om vervolgens tot halverwege de jaren zestig nog vier poëziebundels (Het Echolood, Een steen voor Hermes, Who's who in Whatland en Luxe) en een tweetal romans (De Pauwenhoedster en Tussen Medemblik en Hippolytushoef) te doen verschijnen. Vervolgens hing hij de lier aan de wilgen en richtte zich geheel op zijn wetenschappelijke werk: de zoektocht naar de ‘multiremen’, oftewel de oorlogsschepen uit de Oudheid die gebruik maakten van meer dan drie rijen roeiers.
Maar nu is L.Th. Lehmann geheel onverwacht terug met een bundeling van dertig klassiek ogende sonnetten, waarvan er vier in het Engels zijn geschreven. De terugkeer geldt niet alleen de literatuur, maar ook de keuze voor het sonnet. Sinds zijn kennismaking, halverwege de jaren vijftig, met het werk van dichters als Remco Campert en vooral Cees Buddingh' gaf Lehmann de voorkeur aan het vrijere en meer experimentele vers.
Zijn hernieuwde verschijning brengt hem momenteel ook op de literaire podia groot succes. De inmiddels 77-jarige dichter wist dit jaar tijdens de Nacht van de Poëzie het overwegend jonge publiek voor zich te winnen door een ware rap-act ten gehore te brengen. ‘Maak het maar, maak het maar, maak het maar bebabbelbaar,’ zo klonk het vele tientallen malen door het Utrechtse Vredenburg onder begeleiding van een zelfgefabriceerde human beat-box en ontroerend stramme danspasjes.
Louis Lehmann is in Rotterdam geboren en de eerste vijf gedichten van Vluchtige steden (en zo) zijn dan ook gewijd aan zijn geboortestad. Beter gezegd: aan de afwezigheid van het Rotterdam, zoals hij het zich van voor de oorlog herinnert. Geld kwam de Rijn af, ook 't bombardement,/ dat vroege startschot voor een vrolijk slopen. Vervolgens komen de architecturale wantoestanden in Amsterdam, Utrecht, Brussel, Barcelona, en een groot aantal wereldsteden aan de beurt.
Op de omslag van de bundel is de hedendaagse versie van de Delftse Poort te zien, het staketsel dat sinds enige tijd achter het Hofplein staat en een hi-tech herinnering vormt aan het monumentale ‘barokblok’ van weleer.
In het openingsgedicht ‘Aankomst’ arriveert Lehmann per trein in Rotterdam. Komend vanuit het Centraal Station, dat ooit net als bovengenoemde stadspoort de naam Delftse Poort, oftewel D.P. droeg, ziet hij een verdwaald bruggehoofd. Niet langer nodig op de grote vaart dient het heden ten dage als onderkomen voor het Rotterdams Jongenskoor. Nu staat er deze, vóór 't station D.P.,/ dat ook niet meer bestaat, een monument;/ haast 't enige dat men er nog herkent/ van Rotterdam; de poel met streng naar zee.
Architectuur heeft vanaf het begin een grote rol gespeeld in het werk van Lehmann, net als haar dynamische tegenpool: het reizen. ‘De trein is mijn huis, niets anders,’ heette het vroeger, maar zoals wel vaker gebeurt, richten verlangen en aandacht zich bovenal op wat ‘anders’ is. Voordat de schrijver in de trein stapte vormden stenen huizen een niet te vergeten thuis, en de verleiding is even simpel als groot om in het vele steen in de gedichten een verlangen naar stabiliteit en geborgenheid te zien. Tegelijkertijd kunnen gebouwen en steden een metafoor zijn voor al het menselijk denken, handelen en voelen dat binnen vier muren plaatsvindt. Voor een schrijver die er niet goed (of geïnteresseerd) in is om in directe termen over de mens te schrijven, vormen gevels en kamers een vruchtbaar surrogaat.
Maar gebouwen zijn ook gewoonweg mooi, ontroerend mooi in het beste geval, en je hoeft geen volleerd estheticus te zijn om in te zien dat zij behoren tot het grootst mogelijke en het meest duurzame waartoe de mens in staat is. Des te groter de teleurstelling en de woede als zelfs het onverzettelijke steen ten prooi valt aan de vergankelijkheid.
In wezen zijn deze gedichten door en door romantisch. Het zijn uitingen van een verlangen naar een verleden dat voorgoed voorbij is. Of, zoals in ‘Aan een nieuwe burgemeester’, van een net zo romantische als gezonde afkeer van autoriteiten. De toon is daarentegen zakelijk en verre van sentimenteel - Lehmann verpakt zijn weemoed in nuchterheid en understatement. Hoe kwaad Lehmann zich ook kan tonen op de verantwoordelijke projectontwikkelaars, toch lijkt hij nog het meest verbolgen op de onverbiddelijke voortgang van de tijd en op de falende werking van het geheugen.
Inhoudelijk gaat de romantiek gepaard met machteloosheid en ergernis, qua vorm gaat een verbale vindingrijkheid samen met een bij tijd en wijle onmiskenbare slordigheid. Om, zoals in het gedicht ‘Amsterdam’, het woord ‘fatsoen’ te laten rijmen op ‘van toen’ getuigt op zijn minst van een zekere gemakzucht, net als het overdadig gebruik van een t met een apostrof in plaats van ‘het’.
Humor speelt een essentiële en niet te versmaden rol in deze poëzie, maar een zin over de voormalige Poetry International directeur: Martin, die Mooij heet, Judith, die het is, is dermate flauw dat ik niet begrijp hoe deze goedgekeurd kan zijn door dezelfde man die ook zulke puntgave regels schrijft als aan het slot van het gedicht ‘De opwaartse ondergang van Brussel’: Reikend naar de rest/ zwoegen aan hun hoog doel de overheden./ Dat is: de stad als alle and're steden.
Afgezien van goed of fout, is het taalgebruik in veel gedichten even achteloos als geconstrueerd. Op de beste momenten levert dit een nonchalante en virtuoze conversatietoon op, maar even zo vaak blijven oog en oor haken aan woorden die niet op hun plaats lijken te staan. Het is knap, soms bijzonder knap, het is tegendraads en ook charmant, het is geestig qua neologismen (‘vercasineren’ voor de kust van Oostende) en ouderwets qua spelling (hôtel, photo's, guitaar), maar tegelijk wordt de indruk van half werk slechts in een beperkt aantal gedichten weggenomen.
De poëzie van L.Th. Lehmann is altijd licht van toon geweest. De kracht van zijn gedichten lag in het spel, de zwakte in het feit dat het spel niet altijd op de juiste momenten serieus werd genomen.
Amusement lijkt het voornaamste doel te zijn en het zou mij niet verbazen als Lehmann er geen been in ziet om met de door hem vervloekte architecten en autoriteiten rustig een borrel te gaan drinken. Zijn woede is niet onoprecht, maar zij is wel onschuldig; het zijn alleen maar woorden, zonder consequenties. Het wachten blijft op een Lehmann die overgaat tot een echte, onvervalste tirade. Je zou zijn tanden willen zien, je zou willen dat hij de pose laat voor wat zij is. Zodra dit gebeurt verdwijnt de afstand, die Lehmann echter zorgvuldig in stand wil houden. Afstand tot zijn eigen persoon, tot de poëzie en tot de mensen die hem op zijn woorden zouden kunnen aanspreken.
Veel van de dertig gedichten in Vluchtige steden (en zo) geven het idee dat het beter had gekund, maar Lehmanns antwoord op een dergelijk verwijt zal snel in de buurt komen van een: ach, waar maak je je druk over, het is maar poëzie. Ons aller cultuurminister Aad Nuis schreef ooit over Lehmann dat het schrijven hem tranen en desnoods bloed, maar beslist geen zweet mag kosten. Lehmann, in een interview geconfronteerd met dit verwijt, antwoordde met: ‘als hij bedoelt dat het me niet veel kan schelen, heeft hij volkomen gelijk.’
Er spreekt een behoefte aan ongrijpbaarheid uit zijn werk, en ook een zeker nihilisme. Het heeft allemaal geen zin, inclusief de poëzie. Wat dit betreft pleit het voor de man dat hij zichzelf tegenspreekt en de poëzie toch inschakelt in de strijd tegen karakterloze prestigearchitectuur: Dichters worden gevangen en vermoord,/ Maar planners, architecten?
Nooit gehoord.
Het zijn gedichten van een man die naar zijn eigen zeggen ‘steeds bezig was om niet meer te schrijven’, en die nooit schrijver heeft willen zijn. Liever notabel te Zwolle. Maar wat anders doet een mens wanneer hij de slaap niet kan vatten, tot hij vloekend naar de schakelaar// grijpt, omdat hij, als hij niet schrijft,/ toch heel de nacht weer wakker blijft.
Ik weet dat ik met al dit gepsychologiseer gevaarlijk glad ijs heb betreden, maar het opmerkelijke aan deze poëzie is juist dat zij, ondanks haar wereldse thematiek, steeds weer de aandacht naar de maker weet te trekken. Wie is hij? Waarom krijgt de lezer keer op keer het idee dat Lehmann zijn eigen geestige persoon serieuzer neemt dan zijn gedichten? En waarom lijken deze vragen belangrijker dan de vraag naar de aard van de poëzie?
Vluchtige steden (en zo) is, zoveel zal duidelijk zijn, een intrigerende bundel van een begaafd dichter en een hardnekkig poseur. Eén gedicht waarin hij, mijns inziens, de kritiek geheel achter zich weet te laten is het al genoemde ‘Aan een nieuwe burgemeester’. Of dit sonnet gericht is aan de huidige Amsterdamse burgervader Patijn of aan zijn voorganger Van Thijn maakt niet uit. Beide heren zullen eerder vergeten zijn dan dit gedicht.
L.Th. Lehmann, Vluchtige steden (en zo)
Meulenhoff, Amsterdam 1996
Peter Swanborn

PORNO INFERNO
August's HUSTLER Has Honey to Burn
SQUEEZING THE JUICE
Crime Pays Off Sweet at O.J., Inc.
NAKED AGGRESSION
A Stripper Showdown in San Francisco
HOLD YOUR FIRE
The Tantric Art of Climax Control