terug  begin  verderprepost
[p. 68]origineel

Ten slotte

Allen Ginsberg veranderde op 13 oktober 1955 het aanzien van de moderne Amerikaanse poëzie - tenminste, zo luidt de populaire mythe geschapen rond die dag.

Het gebeurde in de Six Gallery in San Francisco, een ontmoetingplek en podium voor beeldend kunstenaars en schrijvers. Daar werd een literaire avond georganiseerd om, in Ginsbergs woorden, de in die tijd heersende artistieke normen rond soberheid en goede smaak te tarten. Ginsberg arriveerde die avond om acht uur, in gezelschap van zijn vrienden Jack Kerouac en Peter Orlovsky. De Six Gallery was stampvol; voor het eerst waren de verspreide literaire intelligentsia van San Francisco bijeengekomen. Drie dichters lazen voor, en een pauze volgde. Tegen elf uur stapte Ginsberg het podium op, en begon met kalme stem voorte dragen. Aangemoedigd door het enthousiasme van het publiek klonk hij steeds luider, en zwaaide ritmisch met zijn armen. Hij ademde telkens diep in om zijn lange versregels te kunnen uitspreken. Hij klonk als een voorzanger, maar dan eentje die het publiek trakteerde op een ongehoord rauwe en expressieve taal. Kerouac, ondertussen, sloeg ritmisch mee op een wijnkruik en zweepte Ginsberg op na iedere regel: ‘Go!’, ‘Yeah!’, ‘Correct!’. Anderen lachten of klapten in hun handen. Later beschreef iemand de sfeer in de zaal: het was alsof twee electrische draden elkaar raakten. Uiteindelijk stopte Ginsberg, in tranen; hij was - volgens de overlevering - niet de enige.

Wat Ginsberg voordroeg was het begin van ‘Howl’, een tien pagina's lang gedicht. Hij had het twee maanden eerder in één weekend geschreven. In lange, bezwerende regels bezong hij de Beat-generatie die zich van alle conventies wilde bevrijden. Op het moment dat hij de regel typte: who let themselves be fucked in the ass by saintly motorcyclists, and screamed with joy, wist hij dat hij een grens had overschreden, en met een nauwelijks publicabel gedicht bezig was. Zonder zich in te houden beschreef hij daarom zijn vrienden, zoals: Neal Cassady, de autodief; Herbert Huncke, pooier op Times Square; en William

[p. 69]origineel

Burroughs, heroïnejunk in Tanger. Het visionaire ‘Howl’, duidelijk geschreven onder invloed van William Blake en Walt Whitman, luidde het begin in van de zogenaamde San Francisco Renaissance. Een nieuwe, vrije poëzie verspreidde zich razendsnel, en dichters over de hele wereld werden erdoor beïnvloed. ‘Howl’, overigens, werd in eigen beheer uitgegeven, waarop de politie een verbod instelde, en de uitgevers arresteerde wegens obsceniteit (zij werden na een lang proces vrijgesproken). Het is nu het bekendse Amerikaanse gedicht sinds ‘The Waste Land’ (1922) van T.S. Eliot.

Ginsberg - joods, homoseksueel, boeddhist, voorstander van vrije seks en drugs, mensenrechtenactivist - heeft in de jaren die volgden op zijn optreden in de Six Gallery tegen heel wat conservatieve Amerikaanse haren ingestreken. Hij belichaamde de veelzijdigheid van de vele subculturen die ontstonden nadat de Beats het voorbeeld hadden gegeven. Ginsberg was net zo goed thuis in undergroundkringen als in de gay rights movement. Hij nam deel aan protesten tegen Vietnam, en werkte samen met popgroepen als The Clash en U2. Hij verkeerde als boeddhist tussen Indiase goeroes, en trad als dichter overal ter wereld op. En uiteindelijk werd hij een deel van de gevestigde literatuur: hij begon te doceren aan universiteiten, won in 1973 de National Book Award, en werd zelfs door meneer Mooij van Poetry International naar Rotterdam gehaald.

Wat vaak vergeten wordt, maar wel belangrijk is, is dat Ginsberg een cruciale rol speelde in de loopbaan van een andere Amerikaanse pionier, de al genoemde William Burroughs. Burroughs was in wezen veel tegendraadser dan Ginsberg en in het geheel niet bereid het spel van het schrijven om den brode te spelen. Zeker in zijn jongere jaren spendeerde Burroughs zijn tijd vooral aan het wereldwijd najagen van jongens en drugs, en het tegen zich in het harnas jagen van plaatselijke autoriteiten. Maar het was Ginsberg die hem aanmoedigde te schrijven, de rol van agent voor hem vervulde en uitgevers vond voor zijn weinig commerciële geschriften. In 1956 zat Burroughs in Tanger, en begon voor het eerst in zijn leven fulltime te schrijven. Uren achter elkaar zat hij achter zijn typemachine en tikte met hoge snelheid. Als hij een pagina voltooid had, gooide Burroughs die op de vloer. Paul Bowles, nog zo'n expatriate schrijver, kwam er eens op bezoek en herinnerde zich later het beeld van ‘honderden vergeelde pagina's over de gehele vloer, met voetafdrukken erop, uitwerpselen van ratten, broodresten, en sardientjes. Het was smerig.’ Het is moeilijk voor te stellen dat dit later The Naked Lunch zou worden, alom erkend als Burroughs' meesterwerk. Het was Ginsberg die naar Tanger kwam, de pagina's ordende, er een min of meer samenhangend geheel van maakte, interpunctie en paragrafering toevoegde, en het geheel bij een uitgever in Parijs bezorgde, met de opmerking ‘ik heb hier het boek van de eeuw in mijn handen’. De rest, zoals dat heet, is geschiedenis.

 

Vorig jaar zomer bracht ik door in het huis van Eileen Myles, een New Yorkse dichteres die veel met Ginsberg heeft samengewerkt (iets verderop stond het huis waar Ginsberg in 1953 woonde en Burroughs begon aan te moedigen tot schrijven). Hier vond ik allerlei oude, krakende lp's waarop Ginsberg met zijn donkere, sonore stemgeluid voordroeg. Hier ook vond ik een videoband met een interview met Ginsberg uit 1995. Hij vertelde over zijn dierbaarste gedicht ‘Father death blues’, geschreven na de dood van zijn vader in 1974. Aan het eind van het interview zong hij het gedicht, zichzelf begeleidend op een harmonium:

 
O father death
 
I'm coming home
 
my heart is still
 
as time will tell.

Dat was twee jaar voordat hij zelf stierf, op 5 april 1997.

 

Erik Brus

prepostterug  begin  verder