terug  begin  verderprepost
[p. 28]origineel

Riekus Waskowsky

voor Thea Linschoten, 14 april 1997
 
Ergens in de buurt van de Essenburgsingel kwam
 
Ik Riekus Waskowsky tegen, die mij even staande hield.
 
Ik op weg naar huis, van de Nutsacademie, Engels;
 
Hij op weg naar een vertaling uit het Spaans.
 
 
 
Twee gekke koppen die elkaar bekijken
 
En dan iets congruents in elkaar begrijpen.
 
Dit alles vijfendertig jaar geleden.
 
Riekus is vandaag twintig jaar geleden overleden.
 
 
 
Nacht, ongeveer. Riekus opent het gesprek:
 
‘Ik kom jou wel eens tegen, hier en daar.’
 
Ik: ‘Dat kun je wel zeggen. Je schrijft toch?
 
Dan tollen wij rond in hetzelfde circuit.’
 
 
 
‘Die moderne jongens moeten mij niet,’ sprak Riekus.
 
‘Nog geen regel van mij in Proefschrift of Gard Sivik.’
 
Ach, blader nu eens in de Verzamelde Gedichten
 
En zie wat een gedwongen kreeftgang kan verrichten.
 
 
 
‘Het moet spontaan zijn,’ doceerde Riekus nog
 
Op die gedenkwaardige avond tijdens onze wandeling.
 
Boven onze hoofden ontploften sterren als klappertjes
 
In onze azimut van was ik maar geen sterveling.
[p. 29]origineel
 
Ik herinner me Riekus verder en later voornamelijk
 
Als iemand die niet kreeg wat hem toekwam:
 
Steeds betere gedichten, steeds minder erkenning -
 
De erkenning waar hij zeer naar hunkerde.
 
 
 
Toen hij gestorven was, schreef Komrij
 
Dat dit wel heel bijzonder was:
 
Je hebt de Nederlandse literatuur, en de Rotterdamse,
 
en de Rotterdamse is de boeiendste, verreweg.
 
 
 
Riekus, blindganger, en onze pleitbezorger,
 
Je reputatie staat nu als een huis.
 
Niet dat je daarmee bent geholpen,
 
Want voorbij is voorbij is voorbij.
 
 
 
‘Schrijf maar gewoon op wat je vindt,’ zei Riekus
 
Op die wandeling van vijfendertig jaar geleden.
 
Soms blader ik door de Verzamelde Gedichten.
 
Dan passeert weer de man die je staande houdt.

Peter Bulthuis

prepostterug  begin  verder