Eén van de aardigste uitgeverijen van Nederland is voor mij toch de Amsterdamse firma THOMAS RAP. Een kleine, jonge uitgeverij, die plotseling een stroom van ‘gekke boeken’ en boekjes op de markt brengt: Leo Vromans Almanak voor het jaar 2000 bijvoorbeeld; G.K. van het Reve's boek met Etsen van Frans Lodewijk Pannekoen; F. ten Harmsen van der Beek, De Muizen; W.F. Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur of Wim T. Schippers' sad-movieboek Tulip...
Allemaal bijzondere uitgaven (in kleine oplaag) van boeken, die bij andere uitgevers óf helemaal niet aan bod komen óf totaal verloren zouden raken tussen de rest van het fonds. Bij - ik denk weleens: oprecht amateur - Thomas Rap lijkt alles mogelijk. Zélfs, naast al deze misschien wat fijnproevige literatuur, een verrassend mooi verzorgd ‘algemeen’ boek als mij onlangs ter recensie werd gestuurd: THE BEATLES, COMPLETE WORKS.
Het angelsaksisch cultureel instituut The Beatles mag ik zo langzamerhand bekend veronderstellen.
Zelfs mijn zeer stokoude buurtgenoot ‘opa’, die mij elke morgen zijn geheel gratis commentaar op het dagelijks weer levert, moet van deze torren (beatles) gehoord hebben! Zo niet: dan heeft hij toch tenminste de grote veranderingen opgemerkt die er in het gedragspatroon van de jongere generatie zijn te constateren (lang haar of ‘bizarre’ kleding).
Houden we ons aan professor Boumans definitie van cultuur, ‘levensstijl van een samenleving’, dan kunnen we vaststellen dat de Liverpoolse popgroep ook de levensstijl van deze Nederlandse samenleving sterk heeft beïnvloed. Meer waarschijnlijk dan wat-voor-werkschuit-of andere idealistische maatschappelijk werkersvereniging ook.
De popmuziek (behalve dus The Beatles, laten we zeggen: The Stones, Cream, Fugs, Mothers of Invention, Byrds, Simon and Garfunkel en de overige 8000 andere groepen) geeft de jongere generatie een soort vast referentieschema, waarmee de andere cultuuruitingen worden vergeleken. De songs zijn een stukje cultuur waarmee direct contact bestaat. De jeugd vraagt niet zozeer een ‘festival voor z'n sinterklaas’ als wel de laatste, twee gulden duurdere, elpee van de Beatles.
Bekijkt men het prachtig verzorgde boek, dat Thomas Rap van deze complete teksten maakte, dan staat men toch telkens weer verbaasd over het vakkundig taalgebruik en over de veelheid van ideeën en gevoelens die deze commerciële liedjes oproepen.
De eenvoudige directe liefdespoëzie van de eerste platen: little child, little child/ little child won't you dance with me?/ I'm so sad and lonely/ baby take a chance with me. Of een stukje maatschappijkritiek, zoals bijvoorbeeld tot uiting komt in ‘Nowhere man’: He's a real nowhere man,/ sitting in his nowhere land/ making all his nowhere plans for nobody.
Poëtisch lijken de laatste teksten 't sterkst: er wordt plotseling een veelheid van toespelingen en understatements gemaakt op bijvoorbeeld het gebruik van verdovende of hallucinerende middelen. Natuurlijk is ‘Lucy in the Sky with Diamonds’ L.S.D.... I'm fixing (a hole where the rain gets
in)... to fix = spuiten.... ‘For the benefit of Mr. Kite’, waarin we regels vinden als: The celebrated Mr.K./ performs his feat on Saturday at Bishopsgate/ the Hendersons will dance and sing/ as Mr. Kite flies through the ring don't be late/ Messrs. K. and H. assure the public/ their production will be second to none/ and of course Henry The Horse dances the waltz!
Op het eerste gezicht een liedje over een circus, maar het Engelse woord ‘horse’ is ook een term voor heroïne. Hierdoor wordt dit eenvoudige circusliedje plotseling uitermate dubbelzinnig. Zelfs het ‘Mr. K.’ lijkt mij een toespeling worden op bijvoorbeeld cocaïne.
De elpee Sgt. Pepper lijkt mij een soort keerpunt in de carrière van de Liverpoolse ‘torren’. In de songs op deze plaat wordt misschien nog wat te veel gekoketteerd met LSD-gebruik en zo, maar op de laatste elpee blijken deze ervaringen verwerkt tot een nieuw wereldbeeld, een moderne levensopvatting die men tegenwoordig op allerlei plaatsen en in allerlei kunstvormen (pop-art, zero, etc.) ziet opduiken. De verboden middelen blijken alleen maar een soort katalysator te zijn geweest. Er is een nieuwe ‘wereldse cultuur’ ontstaan waarin het oude ‘carpe diem’ (pluk de dag) tot lijfspreuk is verheven. De verdere implicaties van dit wereldbeeld zouden te veel ruimte vragen en moeten hier dus buiten beschouwing blijven. Belangrijker lijkt mij ook eigenlijk dat het levensgevoel dat hier tot uitdrukking wordt gebracht, overkomt. Een mooie samenvatting geeft m.i. ‘Happiness is a warm gun’: When I hold you in my arms/ and I feel my finger on your trigger/ I know no one can do me no harm/ because happiness is a warm gun/ Yes it is.
The Beatles, complete works lijkt mij een heel belangrijk boek. De fans vinden er alle teksten van hun idolen; de overige lezers kunnen door deze uitgave - zonder harde, oorverdovende beatgeluiden - kennismaken met een stukje cultuur, dat waarschijnlijk meer invloed op deze samenleving heeft en zal hebben, dan vele goedbedoelde jeugdvoorstellingen van toneelgezelschappen of symfonieorkesten.
Het lijkt mij dat uitgever THOMAS RAP maar héél hard door moet gaan met de produktie van z'n ‘gekke’ boekjes. Leo Vroman, F. ten Harmsen van der Beek, W.F. Hermans, The Beatles... wat mij betreft volgt er ook nog een songboek van bijvoorbeeld de Amerikaanse popzanger en dichter Bob Dylan.
In een andere krant heb ik eens m'n uiterste best gedaan om duidelijk te maken dat ik W.F. Hermans' Wittgenstein in de mode (Bezige Bij, '67) 'n erg vervelend boekje vond, dat weinig of niets met de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein te maken had (N.R.C. 20-5-'67). Volgens mij kwam Wittgenstein uit dit boekje praktisch alleen maar als nijdige gelijk-hebber naar voren - nergens als filosoof, dat wil zeggen iemand die filosofeert en van dat filosoferen een levenshouding maakt. Enfin, dit wat betreft Hermans' vorige Wittgensteinverhaal - in de (ingezonden) discussie, die nog op mijn recensie volgde, bleek gelukkig ook nog dat ïk abso-
luut niets van Wittgenstein snapte, maar daar heb ik geen minuut wakker van gelegen. Ik bleef het boekje vervelend vinden.
Ik geloof echter dat de eerlijkheid gebiedt, dat ik nu óók mijn enorme bewondering voor W.F. Hermans' nieuwe Wittgensteinverhaal neerpen, het essay ‘Leven van Wittgenstein’ in zijn boek Van Wittgenstein tot Weinreb (De Bezige Bij, 1970). Uit dit essay komt namelijk volgens mij een (groot!) filosoof naar voren. Hermans heeft hier een van de weinige goeie manieren te pakken om over een filosoof (welke dan ook) te schrijven.
Maar eerst nogmaals de eerlijkheid. Eerlijk gezegd heb ik een nogal door de poëzie vertekende belangstelling voor filosofie en filosofen. De filosofie is zeker geen serieus studievak van mij. Zo nu en dan lees ik een filosofieboek, maar als ik er iets van begin te begrijpen dan interesseren mij plotseling alleen maar de gekke - zeg poëtische - details.
Laat ik een wat gemakkelijker voorbeeld dan Wittgenstein nemen om dit duidelijk te maken: in Plato's dialoog ‘Symposium’ (Het Gastmaal) komt een passage voor waarin Alcibiades (een mooie jongen die met de helft van de aanwezige filosofen en aankomende filosofen naar bed geweest is en met wie de andere helft waarschijnlijk wel naar bed zou willen!) dronken binnen komt vallen bij een al begonnen discussie over de Eros en de Agapé, kortom de Liefde... Alcibiades onderbreekt de discussie en stelt dan voor om het op een zuipen te zetten. Hierna volgt dan een serieuze beraadslaging over het voorstel van Alcibiades en tenslotte besluiten de aanwezigen toch maar verder te filosoferen, vooral omdat ze de vorige avond - na een gewonnen veldslag waarbij deze filosofen ook meevochten om hun Athene te verdedigen - ook al zo lazarus waren geworden.
Bij een dergelijke passage gaat mijn fantasie aan het werk... Veronderstel nou eens dat er een Groninger Filosofen Club bestaat en dat deze Club een symposium over het Symposium van Plato zou organiseren. Nou, in de eerste plaats zou die hedendaagse bijeenkomst dan natuurlijk wel weer geen symposium (gastmaal) worden, maar een treurige koffiemaaltijd met afgrijselijke plakjes zwetende jong-belegen kaas, boterhammenworst van huishoudkwaliteit en rinse appelstroop...
Maar goed: veronderstel dat de wonderschone verleidelijke Alcibiades dronken binnenkomt en voorstelt om het op een zuipen te zetten. Wat gebeurt er dan??? Consternatie alomme, lijkt mij. EN TENSLOTTE WERD DE INDRINGER DOOR PROF. DELFGAAUW EN DR. HUBBELING OVERMEESTERD!!! Ach, misschien is hier mijn fantasie wat op hol geslagen, maar volgens mij zou er toch wel een serieuze beraadslaging over het voorstel van Alcibiades moeten volgen. Gebeurt dat niet dan snapt de Club ook niets van de Eros en de Agapé en heeft het weinig zin om de jong-belegen kaas, boterhammenworst en rinse appelstroop te gaan zitten kauwen. Enfin, dit is dan een door de poëzie waarschijnlijk ernstig vertekend beeld van de filosofie. God geve dat er geen dommere vertekeningen bestaan! Laat ik het nou eindelijk maar eens over het essay van W.F. Hermans hebben.
Naar mijn mening is dit essay een geniale combinatie van exacte informatie over Wittgensteins filosofie en van door Hermans uitgezochte, samengevatte en soms ook zélf verzamelde nieuwe biografische gegevens. Een bijzonder knap beeld dat mijn grenzeloze bewondering en misschien zelfs mijn jaloezie (zo te kunnen schrijven!) opwekt. Zoals ik hierboven al liet merken vind ik de biografische gegevens meestal het inte-
ressantst (het lijkt mij dan ook nuttig dit essay te vertalen als een soort vervolg of aanvulling van Malcolm, Ludwig Wittgenstein: A. Memoir) maar verder waar vindt men, ook wat betreft de exacte informatie over Wittgensteins filosofie, rakere samenvattingen en ‘vertalingen’ dan in het essay van Hermans.
Ik ga hier niet citeren, daarvoor zit het essay van Hermans te hecht in elkaar. Wie mij niet gelooft kan ik alleen maar met een kleine variatie op Lichtenberg zeggen: ‘Wenn ein Affe in einem Buch guckt kann freilich kein Philosoph noch Dichter heraussehen.’
In de rest van het boek Van Wittgenstein tot Weinreb staan dan ook nog een paar half-essayistische, half-verhalende stukken over andere onderwerpen; een prachtig, bijna glimlachend satirisch stuk over de hedendaagse welvaartmaatschappij ‘Klaas boven Klaas’; en dan nog een gedeelte van de discussie over het fenomeen Weinreb.
Wat betreft de stukken van blz. 67 t.e.m. 181: ze lijken mij evenals het Wittgensteinstuk het geld dubbel en dwars waard! En verder, van de twisten over het fenomeen Weinreb heb ik helaas alleen maar het prille begin gevolgd - voor de rest was ik echt te lui...
Wie er nou gelijk heeft? Ik zou het niet weten... Ik ben geneigd Hermans gelijk te geven, maar misschien komt dat wel omdat ik ook al niet van zemelende geloofsverkondigers hou. Misschien geloof ik zelfs wel dat dit soort apostelen nog slechter is dan al de andere slechte mensen tezamen...
Hermans schrijft (blz. 234): ‘Ik zie in Wittgenstein een man die bezeten is door de vraag: wat is waarheid? en als hij zijn handen wast dit niet in onschuld doet. Een man die alles wat niet gedacht of gedaan wordt zonder te vragen of het waar is, wantrouwt. - Ik zie in Weinreb een man, die een stelling voor waar houdt zodra er maar een aantal mensen in geloven.’
Dit is, zover ik het kan beoordelen, het grondthema van het boek - een boek dat ik een ieder en één tegelijk die zich voor dat rare probleem ‘waarheid’ interesseert van harte kan aanbevelen!
Riekus Waskowsky
