Tijdens de eerste editie in 1972 bezochten niet meer dan 17 personen de openingsvoorstelling in Calypso aan de Mauritsweg. Dat aantal vond de toenmalige wethouder van Kunstzaken De Vos zo laag dat hij weigerde om zijn geplande openingstoespraak te houden. Zo miste deze politicus tijdens deze historische gebeurtenis - indachtig Wim Wenders' Die Angst des Tormanns beim Elfmeter - een kans voor open doel om zelf geschiedenis te schrijven. Niettemin werd het festival een succes: de voorstellingen werden door zo'n 4500 belangstellenden bezocht.
Anno 1997 zal de wethouder van Kunstzaken niet veel bedenktijd nodig hebben als hij uitgenodigd wordt om tijdens het International Filmfestival Rotterdam een toespraak te houden. Het festival is uitgegroeid tot een evenement dat iedereen wil bezoeken. Niet alleen politici maar ook vertegenwoordigers uit andere sectoren van de samenleving verzamelen zich in en rondom de filmtempel op het Schouwburgplein: voor tien dagen is Rotterdam the place to be.
Wie op de hierboven geschetste openingsavond terugkijkt, beseft welke prestatie er de afgelopen 25 jaar is geleverd. Onder aanvoering van een bevlogen Huub Bals ontwikkelde het festival zich van een elitaire gebeurtenis met een hoog gehalte aan political correctness tot een toonaangevend evenement in de massacultuur. En de grootste prestatie betreft wellicht de locatie waar deze metamorfose plaatsvond: Rotterdam, waarover Bals ooit zei: ‘Dit is een jofele stad als je hem een beetje kent. Er zijn geen kapsones en de mensen zijn een beetje maf.’ Waar ambitieuze politici, zelfgenoegzame projectontwikkelaars en duurbetaalde adviseurs vaak maar gedeeltelijk of soms helemaal niet slagen, zorgt het filmfestival voor een grootstedelijke allure.
In de biografie van Huub Bals geven de auteurs Jan Heijs en Frans Westra aan dat er aanvankelijk enige scepsis ten opzichte van Rotterdam als locatie bestond. En tot ver in de jaren tachtig gingen er stemmen op om het evenement naar Amsterdam te verhuizen. Die zijn echter voorgoed het zwijgen opgelegd, het filmfestival en Rotterdam zijn onafscheidelijk geworden.
Daarnaast ontwikkelt zich op dit moment in de voormalige Schiecentrale aan de kop van
de Müllerpier een audiovisueel centrum van nationaal belang. Het voert te ver om het filmfestival hier de credits voor te geven, maar mede dankzij het succes van het evenement krijgen dit soort initiatieven de ruimte zich te ontwikkelen.
Terwijl de cinema zich in Rotterdam zo nadrukkelijk manifesteert is het de letteren, tot de recente en mede door Passionate geïnspireerde revival, wat minder florissant verlopen. Zo lijkt Poetry International, het iets oudere zusje van het filmfestival, na een kwart eeuw nog steeds niet haar draai te hebben gevonden.
In tegenstelling tot het filmevenement is Poetry er sinds de eerste editie in 1970 niet in geslaagd om tot een echt festival uit te groeien. Waar Huub Bals zich van het begin af aan op de wereld richtte en ondanks zijn eigenzinnigheid voor kritiek en suggesties openstond, gedroeg Martin Mooij, de godfather van Poetry, zich als een pater familias voor wie de dichters de gasten op zijn feestje waren en het publiek in het beste geval een legitimatie om de subsidiegelden te verwerven.
Het is niet vreemd dat ruim een jaar na het vertrek van Mooij dit incestueuze verleden nog altijd invloed heeft. Door het gebrek aan concurrentie kon Poetry het zich in de jaren '70 permitteren het programma te beperken tot dichters die twee keer een kwartier hun werk voorlazen. Maar gezien het huidige cultuuraanbod is het niet meer voldoende om een evenement met ‘mompelende mummies’ (Henk Houthoff) te vullen. Wil Poetry International werkelijk uitgroeien tot een festival waarvan het meerdaagse karakter gerechtvaardigd is, dan zal de leiding moeten overwegen het programma uit te breiden, zonder dat men daarbij per se afbreuk doet aan de klassieke voordracht.
Bezoekersaantallen zoals bij het filmfestival moet Poetry maar vergeten, aangezien het luisteren naar poëzie een grotere inspanning van de bezoeker vergt dan het volgen van een film. Maar een evenement dat een bereik heeft dat verder gaat dan een paar recensenten van dag- en weekbladen moet mogelijk zijn. Misschien dat Poetry International dan voor de letteren hetzelfde kan betekenen als het International Filmfestival Rotterdam dat doet voor de cinema.
De voornaamste reden dat Passionate dit nummer aan de 27-ste editie van het International Filmfestival Rotterdam wijdt is de persoonlijke betrokkenheid van de redactieleden bij dit jaarlijkse evenement. Daarnaast is het festival voor de redacteuren de plaats om inspiratie op te doen en nieuwe contacten te leggen. Tijdens die tien winterse dagen vormt het filmfestival een culturele inspiratiebron waaruit het dankbaar putten is.
Dat Passionate met dit themanummer zich op het terrein van een andere kunstdiscipline begeeft is slechts gedeeltelijk waar: de scheiding tussen de verschillende disciplines zijn steeds minder zichtbaar. Het zijn vaak alleen nog de subsidiegevers die er zo'n statische opvatting van de kunsten op nahouden en de verschillende disciplines in hokjes met bijhorende gelden onderbrengen. Het succes van een festival als Crossing Border kan dan ook grotendeels worden toegeschreven aan de perfecte weergave die het vormt van deze grensvervagende ontwikkeling.
Hoewel geïnspireerd door het evenement is het niet de bedoeling van de redactie een veredelde programmakrant uit te brengen. Directe verbindingen met het festival zijn dan ook schaars. Alleen Casper Koetsveld komt met een voorbeschouwing van vier Nederlandse films die in Pathé in première gaan. Andere bijdragen gaan meer over het fenomeen ‘film’ in het algemeen, zoals de columns van regisseur Theo van Gogh en acteur Roef Ragas, de verhalen van Herman Brusselmans en Thomas van Aalten, het scenario van Jaap Scholten en de poëzie van Jan Baeke. Het nummer wordt verder samengesteld door bijdragen van auteurs die zich lieten inspireren door een themaprogramma van het filmfestival: The Cruel Machine. A. Moonen, Peter Swanborn, Petra van der Ree en Yorgos Dalman zijn op geheel eigen wijze met dit thema aan de slag gegaan. Tenslotte glipte hofaforist Kees Versteeg enkele maken langs de kassa's van Pathé om inspiratie op te doen. Uiteraard treft u in dit nummer ook van deze illegale bezoeken het resultaat aan.
Giel van Strien