Het was toch zo'n goed idee geweest: ter gelegenheid van het door Passionate georganiseerde evenement Geen Daden Maar Woorden '98 zou het dichtersduo Rijn en Ton Vogelaar voor de ingang van het Rotterdamse Bibliotheektheater optreden. Zo zou voor de bezoekers het tweedaagse podium reeds buiten beginnen en konden passanten vrijblijvend kennismaken met de door megafoons versterkte gedichten van de gebroeders Vogelaar.
Een andere overweging was dat Passionate met GDMW de letteren toegankelijker wil maken: geen elitair gedoe in achterafzaaltjes maar naar het publiek toe, is één van de motto's van GDMW. Een opzet die overigens geheel slaagde, want op beide avonden stonden de artiesten voor een volle zaal, die op de eerste avond met zo'n 150 jongeren was gevuld.
De Vogelaars hadden zich er speciaal op gekleed. Getooid met bivakmutsen en gekleed in dikke truien trotseerden zij de winterse kou en zetten hun megafoons aan de mond. Het optreden was in de van hen bekende stijl: in hoog tempo en uit het hoofd. Dus geen gemompel uit een boekje, maar woordensalvo's die voor de luisteraar bestemd zijn.
De organisatie had echter buiten de ijver van het Rotterdamse politiekorps gerekend. De dichters waren nauwelijks tien minuten bezig toen drie politiemannen vanaf het Binnenrotteplein kwamen aangesneld en het optreden stillegden. Ik kon hem niet helemaal goed verstaan, maar één van hen zei iets in de trant van dat we ‘die herrie maar binnen moesten maken.’ ‘Maar dit is poëzie,’ probeerde ik, waarop hij me niet helemaal begrijpend aankeek. ‘Cultuur, u weet wel,’ verduidelijkte ik.
Erg veel bellen gingen er bij het drietal niet rinkelen. De één had het over kinderen die vroeg naar bed moesten - alsof we nog in de jaren vijftig leefden - een ander over vergunningen aanvragen. Daar moet je toch niet aan denken. God verhoede dat de tijd komt dat je bij het politiebureau aan het Doelwater een verzoek in viervoud moet indienen om poëzie ten gehore te brengen.
Bovendien zou een dergelijke maatregel een uitbreiding van het politiekorps eisen, en dat klaagt al jaren dat het onderbezet is. Het
instellen van een commissie van deskundige ambtenaren zou namelijk niet volstaan. Er zou tevens een anti-poëziebrigade in het leven moeten worden geroepen om illegale dichterlijke activiteiten op te speuren en onschadelijk te maken. Ik stelde me voor hoe het trio agenten met Duitse herders door het stadscentrum patrouilleerden op zoek naar verboden dichtkunst. Het staccato van een marktkoopman, een boodschappenbriefje in een onbekende jaszak en een wervende reclametekst op een lelijk vormgegeven folder: alle ready-mades uit de Rotterdamse school zouden plotseling verdacht worden.
Om het tafereel vast te leggen maakte Joris B. uit R. op mijn verzoek en onder protest van de ordehandhavers een foto. ‘Er worden hier geen foto's gemaakt als ik dat zeg,’ riep er één met het temperament van een al te ambitieuze Oostenrijker.
Ik begon me aardig kwaad te maken. Van alle pogingen om het Rotterdamse centrum nieuw leven in te blazen was dit toch wel de onschuldigste sinds 14 mei 1940. Twee jonge dichters die door een megafoon hun poëzie declameerden, kende Rotterdam werkelijk geen grotere problemen? Ik meende van wel. Toen ik een paar jaar geleden op een zaterdagnacht naar huis liep werd ik op tien meter afstand van mijn voordeur beroofd. Voor ik het wist stond ik klem tegen de muur en werd ik onder bedreiging tachtig gulden lichter gemaakt. Blij dat ik er zonder kleerscheuren vanaf was gekomen belde ik de politie. Die had echter geen boodschap aan mijn beroving. In plaats van een gewillig oor voor mijn verhaal ontmoette ik alleen verontwaardiging: of die beroving alles was waar ik voor belde? En dat ik maandag maar aangifte moest doen en beter op kon hangen, want ik hield de lijn bezet.
Terwijl ik me afvroeg hoeveel dichters er die bewuste nacht waren opgepakt, benadrukte één van de veldwachters dat het echt stil moest zijn. De poëzie veroorzaakte namelijk overlast voor de flatbewoners tegenover het Bibliotheektheater. Ja, het was me volkomen duidelijk. Die mensen aan de overzijde waren natuurlijk allemaal naar het stadscentrum getrokken omdat het er 's avonds na zessen zo heerlijk rustig is. Weg uit die levendige Alexanderpolder, Beverwaard of Capelle a/d IJssel, waar het leven bruist van de nachtelijke activiteiten en je geen moment ongestoord naar GTST kunt kijken omdat er buiten weer één of andere culturele happening wordt aangekondigd. Zij waren allen in de stadsdriehoek komen wonen omdat het er al bijna zestig jaar doodstil is.
Ik weet niet in hoeverre u van de situatie op de hoogte bent, maar wie van Rotterdam Centraal naar het Bibliotheektheater loopt waant zich in een spookstad. De stadsdriehoek wekt de indruk dat kost wat kost voorkomen moet worden dat ooit het leven er weer terugkeert. Hij heeft 's avonds het karakter van een monument dat niet symboliseert maar is: een kil en verlaten gebied waar voorbijgangers schimmen zijn en de hegemonie van de stilte slechts door een harde wind doorbroken wordt. Een architectonisch laboratorium met vele fraaie gebouwen mag het zijn, zolang het er 's avonds maar niet gezellig wordt. Mensen, culturele activiteiten, feesten, sfeer en warmte zijn er taboe.
‘Jullie zijn op de Coolsingel te horen,’ trok één van de agenten weer mijn aandacht. Was het maar waar, dacht ik, en stelde me voor hoe op het stadhuis de gemeenteraad haar vergadering over de Rotterdamse kandidatuur voor culturele hoofdstad van Europa wegens poëzie-overlast moest onderbreken.
Arjan V. uit R., voorzitter van Stichting Passionate, gedroeg zich intussen tactischer dan ik en suste het conflict met diplomatieke woorden. Met Vaandragers ready-made ‘ik sluit me aan bij de vorige spreker’ stemde ik hiermee in, want de vertoning had lang genoeg geduurd.
Giel van Strien
