Oscar Wilde en Jungle-ster Goldie sieren samen de omslag. Het vorig jaar verschenen boek England is mine - Pop life in Albion from Wilde to Goldie van Michael Bracewell is een eigenzinnige analyse van de Engelse cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw. Bracewell behandelt in één adem door T.S. Eliot, de Pet Shop Boys, W.H. Auden en Paul Weller om zijn centrale thema te illustreren: de geleidelijke verwoesting van de Arcadische idylle van het Engels-zijn. Maar de aanleiding voor mij om het boek te kopen was een andere: Bracewell kent in zijn analyse een centrale rol toe aan een helaas al bijna vergeten popster.
Het Engeland van vóór WO I zag zichzelf als een wereldmacht met een rijke, nobele traditie. In werkelijkheid brokkelde het koninkrijk af, bedreigde de nieuwe onderklasse de elite, en werd Engelands positie in de wereld steeds geïsoleerder. De elite, betoogt Bracewell, zag uit angst hiervoor steeds meer om naar een geïdealiseerd verleden. Het Arcadische, landelijke Engeland waar de verscheurende klassenstrijd nog niet heerste. Dit werd weerspiegeld in de cultuur, die toen nog door de bovenklasse werd bepaald. De Bloomsbury-groep rond Virginia Woolf, bijvoorbeeld, negeerde de maatschappelijke veranderingen en hield zich schuil in het bastion van de hoge kunsten.
Oscar Wilde zette de rebellie tegen het Arcadische Engeland in, met dat typische mengsel van afschuw en liefde voor zijn vaderland. Hij werd opgevolgd door de Vorticisten, onder aanvoering van Ezra Pound en Wyndham Lewis. Hun Engeland was geen uitgestrekt, vredig weidelandschap, maar een geïndustrialiseerd en verstedelijkt land vol verwarring en uitbuiting. Het romantische verleden bestond wat betreft de Vorticisten niet meer, en de toekomst bood weinig hoop. Er zat niets anders op dan uiting geven aan hun woede - wat dat betreft waren zij de punks van hun tijd. De Vorticisten zetten daarmee de vernietiging van het idyllische Arcadië definitief in gang.
Vanaf eind jaren vijftig nam de opkomende popcultuur deze rol over van de literatuur. Popmuziek was een goedkoop, toegankelijk medium voor de lagere klasse om haar gevoelens van onvrede uit te drukken. Een enkele popmuzikant - Mike Oldfield - probeerde nog de sfeer van het oude, landelijke Engeland terug te halen. Maar de belangrijkste popgroe-
pen vertolkten de zucht naar bevrijding van jongeren in de moderne grotestadscultuur. The Who, The Stones, The Sex Pistols, Joy Division... zij verklaarden de Engelse tradities de oorlog of negeerden ze totaal. Want de beste popmuziek gaat over de meest directe gevoelens: lust, frustratie, onmacht, wat dan ook. Daarin is voor de glorie van weleer geen plaats.
Toch maakte ook in de popmuziek onvrede plaats voor berusting. De woede-explosie van de punk in '77 was binnen een jaar uitgeput. Punk werd een modeverschijnsel voor de middenklasse, en het is inmiddels bekend dat zelfs The Sex Pistols een uitvinding waren van de slimme zakenman Malcolm McLaren.
Bracewell typeert de periode direct na de punk met de term The Style Culture. Het was de tijd van de decadentie, de tijd van ABC, Ultravox, Duran Duran, The Human League. Deze groepen kenden geen engagement en hielden zich bezig met mode en stijl. Bovendien versterkte de opkomst van de videoclip hun preoccupatie met uiterlijkheden. En wezenlijk veranderd is de popwereld sindsdien niet meer. Bracewell citeert Pet Shop Boy Neil Tennant: ‘Everything has become a “phenomenon”, in inverted commas,’ en concludeert dat de media de popwereld in hun greep hebben gekregen. Zij creëren de trends en de popsterren nemen een houding aan van ironische vrijblijvendheid. Ze doen alles om de aandacht van de media te behouden, want daarvan is hun succes afhankelijk. Persoonlijke kwetsbaarheid is daarbij taboe. Het gevolg is ‘a galloping loss of identity.’
Bracewells sombere betoog kent een lichtpunt in de beschrijving van Morrissey, ‘The Last English Pop Star’. Morrissey zette alle heersende waarden in de popmuziek op hun kop. Met zijn groep The Smiths (de naam alleen al) pleitte hij voor het persoonlijke en het alledaagse, het niet-glamoureuze. De eenvoudige, tijdloze gitaarpopsongs van Johnny Marr waren het perfecte vehikel voor Morrissey's teksten, vol onzekerheid en soul-searching. Zijn onvervalste romantiek ging gepaard met - eindelijk weer - een fascinatie voor het Engelse verleden. Als een moderne Oscar Wilde spotte Morrissey met allerlei Engelse instituties, maar hij deed het met liefde. The queen is dead, heette de beroemdste Smiths-Ip, maar ook zong Morrissey: England is mine. De hoezen van de Smiths-Ip's en -singles, met Engelse working class iconen zoals Yootha Joyce van de comedyserie George en Mildred, pasten daar perfect bij.
Voor zover The Smiths als popgroep ‘modern’ waren, deden ze dat klungelig en parodiërend, zoals in de videoclip van ‘Stop me if you think you've heard this one before,’ waarin Morrissey op de fiets door een grauwe stadsbuurt rijdt, gevolgd door een stel lookalikes en fans met Smiths T-shirts. De doelloze Morrissey gaat maar wat rondjes draaien, terwijl één van de fans van haar fiets valt. Nog altijd een vermakelijk commentaar op het popsterrendom.
Helaas eindigt Bracewells boek vrijwel direct na het uiteenvallen van The Smiths in 1987. De danscultuur van nu, met Goldie als symbool, doet Bracewell in enkele pagina's af. Alsof er na de glorietijd van The Last English Pop Star nauwelijks iets interessants is gebeurd in de Engelse popscene. Maar Morrissey is nog steeds actief, als solo-artiest. Hij is een marginale figuur geworden, wiens platen alleen nog door verstokte Smiths-fans zoals ik gekocht worden. Zijn werk zal me altijd blijven fascineren, maar het heeft iets vermoeids gekregen, alsof hij naar onderwerpen moet zoeken. Op zijn laatste plaat zingt hij over flirtende glazenwassers, en over twee ex-collega's van The Smiths van wie hij een rechtszaak om royalties heeft verloren. De bijtende spot van weleer is verdwenen, en het lijkt erop dat hij zijn strijd tegen de tijdgeest heeft opgegeven.
De invloed van The Smiths is dan ook gering gebleken. De huidige Britpopbands zoals Pulp en Blur hebben de ironie weer hoog in het vaandel, en introspectie is meestal ver te zoeken. Ze refereren in hun teksten wel naar het Brits-zijn, maar op een komische, willekeurige manier. Het in potentie geweldige Oasis is meer een mediaverschijnsel geworden dan een popband, en lijkt - misschien wel daardoor - alweer over het creatieve hoogtepunt heen. Ook een verschijnsel als The Spice Girls is puur marketing. En intussen is de dansmuziek toonaangevend, met anonieme DJ's als de popsterren van nu. Het lijkt wel decennia geleden dat de misschien wel allerbeste Smiths-single ‘Panic’ in de hitlijsten stond: Hang the blessed DJ, because the music they constantly play, it says nothing to me about my life.
Erik Brus