‘De poëzie is het enige massamedium waarbij het aantal producenten groter is dan het aantal consumenten. Want hand in hand met de behoefte gedichten te maken, gaat de afkeer om ze te lezen,’ schrijft de Duitse essayist Hans Magnus Enzensberger in het maartnummer van De Gids. De constatering mag dan niet revolutionair zijn, ze vat wel uitstekend samen waarmee een redactie van een literair tijdschrift geconfronteerd wordt. Waarbij het mij er niet zozeer om gaat dat de poëzie meer producenten dan consumenten kent, alswel dat veel dichters geen poëzie lezen, of er zelfs helemaal niet in geïnteresseerd zijn. Deze merkwaardige onverschilligheid beperkt zich echter niet alleen tot het dichtvolk maar doet zich ook gelden bij sommige beoefenaars van de andere literaire genres.
Uit recent onderzoek van Stichting Schrijven blijkt dat maar liefst een miljoen Nederlanders schrijven. Voor het gemak ga ik er vanuit dat het hier werk met literaire aspiraties betreft en hoop ik dat de onderzoekers schrijvers van dagboeknotities en medewerkers aan het periodiek van de lokale postduivenvereniging niet meegerekend hebben. Van het astronomische aantal schrijvers wendt een klein deel zich tot de redactie van dit tijdschrift met het verzoek hun ingezonden werk te publiceren.
De redactie van Passionate had bij de oprichting het uitgangspunt om het werk van onbekende auteurs te publiceren. Zo bestond zeker bij mij het idee dat de wereld van uitgevers en literaire tijdschriften hermetisch gesloten was en niet geïnteresseerd in het werk van schrijvers die daar buiten actief waren. Al snel bleek niet zozeer de literaire wereld als wel mijn opvatting daarover hermetisch gesloten te zijn: bij menig uitgever en in vele literaire tijdschriften debuteert jaarlijks een groot aantal auteurs.
Deze popperiaanse falsificatie leidde tot een radicale verandering in mijn kijk op de literaire markt. Zo stelde ik de redactie van Passionate voor om ons niet langer tot onbekende auteurs te beperken. En aangezien al die mogelijkheden tot publicatie voor mij nergens toe hadden geleid, besloot ik mijn poëzie maar aan de Roteb mee te geven. Want als mijn werk niet op de vuilniswagen kon komen, dan er maar in.
De redactie nam het besluit haar oorspronkelijke uitgangspunt om debutanten een kans te geven te handhaven. Die zouden voortaan kunnen meeliften op de kwaliteit en bekendheid van reeds publicerende auteurs.
Terugkijkend op de nummers die Passionate sindsdien heeft uitgebracht blijkt dat er regelmatig debutanten in het blad verschijnen. Maar niet alleen de auteurs die hun ongevraagde bijdrage publiceerden, ook de schrijvers wier kopij werd afgewezen konden op belangstelling van de redactie rekenen. Passionate wil namelijk beginnende auteurs vooruit helpen door zo goed mogelijk te motiveren waarom een bepaalde bijdrage niet voor publicatie geschikt is. Anders gezegd: zonder een hautaine houding aan te willen nemen geeft de redactie inhoudelijke kritiek op de ingezonden gedichten en verhalen.
De ervaring leert echter dat er maar weinig auteurs zijn die hiervoor open staan. Veel inzenders hebben nog nooit een nummer van Passionate opengeslagen en er totaal geen idee van wat voor tijdschrift het is. Andere auteurs sturen hun hele oeuvre van om en nabij de 857 bladzijden op, inclusief de met ballpoint aangebrachte verbeteringen. Weer anderen zien in een kritische brief een aanmoediging om nog meer van hetzelfde in te zenden. Adviezen om het werk nog eens rustig te bekijken worden een dag later beantwoord met een stapel verhalen van het soort waarvan de redactie er al tien heeft gelezen. Nog weer anderen gaan over tot stalking, door de redactie op een dagelijks bombardement van kopij te trakteren. En sommigen reageren met rancuneuze brieven: ‘Want als het dollarteken $ inderdaad jullie doel is, dan schieten jullie wel erg ver er naast - te meer omdat jullie niet weet welk (schrijvers-)pseudoniem achter mijn te gebruiken na(a)m(en) schuil gaat. Dom, onwetend jong volk. Jullie tijdschrift zal dus ook al geen lang leven beschoren zijn. Ik ten minste zal nimmer in de boekhandel er naar vragen,’ dreigde een Haags talent na een afwijzende brief. Het minste incasseringsvermogen had echter een auteur die mij een week lang telefonisch terroriseerde en de mening was toegedaan dat de nazi's mij waren vergeten te vergassen. En dat terwijl ik in 1965 geboren ben.
De redactie van Passionate is niet de aangewezen coach voor de literaire ontwikkeling van een auteur. Schrijversscholen zijn daarin gespecialiseerd en toch volgt er van die een miljoen schrijvers slechts een kleine minderheid een cursus bij 't Colofon in Amsterdam of de SKVR in Rotterdam. En als je dan niet meer naar school wilt: waarvan kun je meer leren dan van al die poëziebundels en romans die wel uitgebracht zijn.
De onwil van veel auteurs om zich in het vak te bekwamen duidt er op dat er bij het streven naar publicatie andere motieven meespelen. In het maart-aprilnummer van het tijdschrift Schrijven zegt Lidewijde Paris, uitgeefster bij Nijgh & Van Ditmar: ‘Een heleboel mensen willen gewoon geen boek schrijven, maar schrijver zijn. Ze willen op tv, willen aandacht.’ Ook ik heb de indruk dat voor veel inzenders de beoogde publicatie louter een middel is om aandacht te krijgen. Gepubliceerde verhalen, gedichten, columns of aforismen moeten compenseren wat het persoonlijke leven niet brengt. Ik durf zelfs de stelling te verdedigen dat deze auteurs acuut het schrijven staken wanneer ze wat vaker erkenning, een schouderklop of wat warmte krijgen, of wanneer ze maar een beetje van die perverse seks hebben waarover ze hele verhalen weten vol te schrijven.
De reden waarom de letteren zo'n grote groep ‘oneigenlijke beoefenaars’ hebben is waarschijnlijk dat de taal zo dicht bij ons staat en dat aan het schrijven zo weinig kosten zijn verbonden. Wie dagelijks dure verf moet kopen zal zichzelf snel voor de keuze plaatsen: wil ik echt een kunstenaar worden en mij in het vak bekwamen of kies ik een andere kunstdiscipline? Waarna men als vanzelf bij de letteren terecht komt. Want schrijven heb je op school geleerd en een tweedehands computer en matrixprinter zijn snel aangeschaft.
Als redacteur van een literair tijdschrift mag je je echter niet door die ‘oneigenlijke beoefenaars’ laten ontmoedigen. Wat dat betreft neem ik een voorbeeld aan Jana Beranová, docente aan 't Colofon en de SKVR. De vertaalster en dichteres is toch zeker tien jaar ouder dan ik, maar staat als geen ander open voor het werk van debutanten. Zo sprak ik haar onlangs bij de presentatie van de nieuwe dichtbundel van Theo Verhaar, Nawakker. Daar vertelde ze me over een talentvolle dichter die bij haar een cursus volgde en ik op mijn beurt haar over de poëzie van een onbekende stadgenoot. Totdat bleek dat we het over dezelfde dichter hadden. Twee van zijn gedichten treft u in dit nummer aan.
Giel van Strien