terug  begin  verderprepost
[p. 8]origineel

De dichter en de stad

[p. 9]origineel
 
Kom! Laten we nu het verhaal vertellen,
 
het verhaal van de dichter en de stad,
 
de stad waar hij werd geboren en opgroeide,
 
 
 
waar hij zijn vrienden had, en vijanden,
 
waar hij zijn glorie en zijn nederlagen beleefde,
 
en waar hij onder erbarmelijke omstandigheden stierf.
 
 
 
Sommigen zeggen dat de onverschillige stad,
 
die geen boodschap aan zijn woorden had,
 
hem aan zijn lot overliet, tot in de dood.
 
 
 
Anderen beweren dat hij, die de werkelijkheid
 
isoleerde in poëzie, door de werkelijkheid werd
 
achtervolgd en geïsoleerd werd door de stad,
 
 
 
nadat hij haar diepste geheimen had geopenbaard.
 
Wie was hij? Wij noemen pas aan 't eind zijn naam.
 
Wie hem heeft gekend zal reeds verstaan
 
 
 
over wie ons verhaal gaat. Maar genoeg gepraat.
 
Luister! Dan vertellen wij nu het verhaal,
 
het verhaal van de dichter en de stad.
 
 
 
En laten we dat doen op homerische wijze.
 
Nee, niet met de dreun van de blinde ziener,
 
want daar zouden wij onze tong op breken,
 
 
 
onze oren zouden niet weten wat ze hoorden,
 
wij zijn kort van stof, als arbeiders,
 
die een boot met natte huiden hebben gelost.
 
 
 
Wij denken aan de avonturen van de slimme man,
 
omdat de dichter over wie wij het hier hebben
 
voor zijn eindexamen van het gymnasium slaagde
 
 
 
met een tien voor zijn vertalingen van Homerus
 
en trouwens ook van Herodotus, die andere zwerver.
 
Is er een mooier begin denkbaar voor een dichter?
 
 
 
Een jongen nog, die met meer dan gewone interesse
 
de avonturen bestudeerde van de man van duizend listen,
 
de stedenverdelger, die tien jaar moest vechten
 
 
 
en evenzovele jaren rondzwierf en lange tijd
 
zinloos uitkeek over de lege, onafzienbare zee,
 
voor hij zijn vrouw en zijn zoon terugzag:
 
 
 
Waar is de andere landloper?
 
Waar is de bereleider?
 
Waar is het bloemenmeisje?
 
Waar is de brandstichter?
 
Waar is de echtgenote?
 
Waar is de eigenaar?
 
 
 
Waar zijn de gefopten?
 
Waar is de geldwolf?
 
Waar is de grootste fat?
 
Waar is de harlekijn?
 
Waar is de hond?
 
Waar is de hovenier?
 
Waar is hij?
 
Waar is de indiaan?
 
Waar is de jager?
 
Waar is zijn kamer?
 
Waar is mijn kalf?
 
Waar is de kelnerin?
 
 
 
Waar is de kunstrijdster?
 
Waar zijn de laarzen die gerepareerd moeten worden?
 
Waar is het meisje gebleven?
 
Waar is de Page?
 
Waar zijn mijn twee passagiers toch gebleven?
 
Waar is mijn moeder?
 
Waar is nu de moeder met de Gids gebleven?
 
Waar zijn de 4 politiedienaars en hun brigadier?
 
 
 
Waar is Rinaldo Rinaldini?
 
Waar is de ruiter?
 
Waar is de Ruiter?
 
Waar is de schilder?
 
Waar is de spion?
 
Waar is de straatjongen?
 
Waar is de Turk?
 
Waar is het varken?
 
Waar is het verloren schaap?
 
Waar zijn de vissen?
 
Waar is mijne vrouw en mijn kind?
II
 
Een dichter wordt geboren uit de eerste woorden,
 
die hij hoorde, zijn eerste keer van huis.
 
Zijn taal is er een voor de goede verstaander,
 
 
 
de vriend, die maar een half woord nodig heeft,
 
en later, het publiek, dat geen andere goden kent
 
dan de idolen van de muziek, de kunst en de poëzie.
 
 
 
Aha, de poëzie, dat gebedenboek van de wereld
 
en haar geschiedenis zonder jaartallen,
 
die begint met de strijd om een vrouw, de mooiste.
 
 
 
Haar naam is niet Helena, maar Lenie, Joke of Coby,
 
haar vader is geen koning, maar een kalme kraandrijver,
 
bekwame plaatwerker, haar paleis een lage woning
[p. 10]origineel
 
in een buurt die wordt beheerst door stoere strijders,
 
kroonprinsen van kleine koninkrijken, zonen, broers
 
die luisteren naar namen van één lettergreep,
 
 
 
erfgenamen van loonslaven en opstandelingen
 
die niets anders bezitten dan spieren,
 
handen als kolenschoppen, vuisten van staal:
 
 
 
Hij gaat graag door voor rebel
 
denkt eigenlijk: ben rebel, snelle
 
torpedeerder van een heilig huis, een tempel,
 
dwergstaat liever, liever
 
nog een land, ja liever wel
 
het mutileren van een land.
 
 
 
Hij gaat graag door voor Fidel Castro van Havana
 
of Achilles (maar dan zonder pees),
 
denkt eigenlijk: ben Fidel Castro van Havana,
 
ben Achilles (en gelukkig zonder pees)
 
 
 
Over geluk gesproken. Hij kan het niet op,
 
is overgelukkig. Laat hem. Ken hem:
 
één handicap, al-vleselijk, spier-
 
naakt op een hoge schoen na, één
 
komplete geëcarteerde zenuw.
 
Hij trappelt een eind weg met zijn hoge schoen
 
Trappelt (maar raak)
 
met zijn engelse zieke poot. Zielepoot,
 
weet soms kostelijk
 
duidelijk een bevel bij elkaarte blaffen. Waf! Waf! Waffel!
 
Waffen nieder!
 
(Je kunt zeggen wat je wilt).
III
 
Wij spreken van de man die zoveel rondzwierf
 
door zijn eigen Troje, dat werd verwoest
 
toen hij een kind was, een jongen van vijf.
 
 
 
Zag hij de Heinkels uit het Oosten komen,
 
zag hij de bommen vallen, de brand aan de overkant
 
van de rivier, stad verwoest door vlammen.
 
 
 
Hij groeide op aan de kant van de havens,
 
kindertijd met uitzicht op schepen, kranen,
 
silo's, loodsen, met mos begroeide kaden,
 
 
 
waar het rook naar teer en rottende matrassen,
 
waar hij ging vissen op voorn en baars
 
in het afvalwater van de havermoutfabriek
 
 
 
waar de parlevinkers dronken en handel dreven
 
in de cafés op de laan langs het water,
 
als bij het vallen van de avond in de straten
 
 
 
de strijd tussen de ongekroonde koningen
 
van de buurt oplaaide en hij, kleine Achilles
 
door de lafhartig meesmuilende jongens en meiden
 
 
 
tegen de muur werd gedreven en streed tegen
 
de krachtige stomp van de jongen, wiens hand
 
werd verbrijzeld door een ijzeren bint dat losbrak
 
 
 
uit een hijskraan, tijdens een excursie in de haven,
 
maar volgens de kleine mythologie van de kinderen
 
door zijn vader met een bijl werd afgehakt.
 
 
 
Ken hem:
 
zijn manier van knechten: portret
 
van de vijand - hij is geen held
 
in tekenen - maar slaagt ereis
 
op goed geluk: stuntelige doorsnee. Lijk-
 
wit, bloedrood de kleuren
 
en voor de zekerheid een onderschrift:
 
 
 
DIT IS DE VIJAND
 
 
 
Slaat hij ook munt uit de vijand? Si,
 
smartegeld: een beeldenaar betekent een onthoofding.
 
 
 
Er klopt iets niet (?):
 
vliegtuigen vliegen voor hem. Storten neer,
 
dolle veren.
 
Hij torpedeert wel tempels,
 
hij mutileert wel landen,
 
hij bombardeert wel, bombardeert zichzelf
 
bijvoorbeeld, tot Fidel Castro van Havana
 
of Achilles.
 
 
 
Maarrr
 
zijn bombardementen blijken bombardementen
 
van een maquette.
 
 
 
Hier klopt iets niet.
 
Wat klopt er niet?
IV
 
Stompzinnig gevecht. Maar hij was sterk
 
en niet bang, hij beet tot er bloed vloeide
 
en hij vluchtte door vreemde zijstraten,
 
 
 
waarboven de zeekastelen traag voorbijgleden
 
en hun schaduw over de lage huizen wierpen,
 
op weg naar de wereldzeeën, en de emigranten
 
 
 
aan de reling afscheid namen van het door oorlog
 
en vernietiging geteisterde Europa, terwijl de platte
 
zwarte boten met een dekknecht in het gangboord
[p. 11]origineel
 


illustratie
Bibliotheektheater Rotterdam (eind jaren '80)

[p. 12]origineel
 
stroomopwaarts voeren naar het land van de voormalige
 
vijand, inmiddels dik bevriend met de gehavende stad,
 
vanwege handelsbelangen: Navigare necesse est,
 
 
 
vivere non est necesse, schreef Plutarchus
 
over Pompejus, kapitein van de graanvloot,
 
die bij slecht weer onder zeil ging voor Rome.
 
 
 
En zijn stad schreef in haar vaandel, tot heil
 
van haar bewoners: Varen is nodig, leven is niet nodig.
 
Wat moet een dichter in een stad zonder woorden?
 
 
 
Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) is,
 
u moet het weten,
 
‘ontwerper van Neerlands grondwet,
 
voorstander van vrijen handel,
 
trouw aan Nederland en Oranje.
 
 
 
Deze Gijsbert Karel van Hogendorp
 
zat eerst in de tuin van onze sociëteit.
 
Onze sociëteit is al lang gesloten
 
door een geintje met de politie.
 
Gijsbert Karel van Hogendorp is weggepromoveerd
 
naar de beurstrappen.
 
Snotapen klimmen op zijn schoot
 
Doorzakkers pissen op tegen hem
 
en tegen de grondwet van 1814.
V
 
Zijn vader, - nazaat uit een familie van vertellers,
 
van verhalen over het boerenleven, polderbedijking,
 
graanhandel, de havens en de zee - was chauffeur
 
 
 
bij de posterijen, een onverbiddelijke besteller,
 
brenger van boodschappen in gesloten enveloppen,
 
facturen, vrachtbrieven, geheime zendingen.
 
 
 
Hij reed door een stad die er niet was, trams
 
reden door straten zonder einde, zonder huizen,
 
door bochten die geen verrassing boden.
 
 
 
In dit Troje deden de bewoners boodschappen
 
in warenhuizen van hout die inderhaast waren
 
opgetrokken, ze aanbaden de goden van het witte doek
 
 
 
in de bioscopen tussen de puinhopen en bouwputten
 
waarhoven een orkest van heimachines met dreunende
 
akkoorden de symphonie van de wederopbouw speelde.
 
 
 
De geboorte van de nieuwe mens werd aangekondigd
 
in bouwplannen, beursberichten, reclameteksten,
 
in een stad vol vlaggen, in een stad vol mist.
 
 
 
Je kent het wel: een middag wachten
 
tot het gaat misten. Wachten
 
tot het donker wordt. Of avond wordt. Hij
 
(ik heb het over hem) kijkt,
 
ziet lege bussen
 
die koppig starten, de stad in - op zoek naar meer mist
 
 
 
Stemmen van mensen. Oproer? Bijval?
 
Hij herkent ze, de stemmen. De mensen
 
kent hij niet - nooit gekend.
 
 
 
Je kent het wel: pijnlijk nauwkeurig
 
kan hij je zeggen (maar hij doet het niet):
 
‘Nu gaat de telefoon.’
 
En dan gaat de telefoon. De angst
 
dit aan te voelen. En de angst (nog groter)
 
zich na tien, elf juiste voorspellingen te vergissen
 
 
 
De mist is binnen.
 
Reeds zijn de radiatoren verkild.
 
Hij trekt zijn benen op. Wacht.
 
Het wordt donker. Of avond.
 
Hij trekt huiverend een haar uit zijn pols.
VI
 
We schrijven jaren vijftig, de stad kruipt
 
uit een vlakte van modder en zand tevoorschijn,
 
wil in haar nieuwe gedaante bestaan: staat
 
 
 
maken, straten maken, haar havens herstellen,
 
het leven van voor de oorlog voortzetten.
 
Maar er is een andere oorlog, de koude,
 
 
 
onder is boven, er hangt een waterstofbom
 
in de hemel, en: de stad is beide: hemel en hel
 
Een verhouding met een getrouwde vrouw idem.
 
 
 
Laat staan een verhouding met een getrouwde
 
vrouw in een stad. Laat staan een verhouding
 
van een dichter met een monogame stad,
 
 
 
die trouw blijft aan haar opdracht te zwijgen
 
waar het zonder woorden kan. Waarom? Daarom.
 
Daarom debuteert de dichter: met andere ogen
 
Hij geeft een voorbeeld van gezichtsbedrog:
 
Nergens een nis (die moderne architectuur!)
 
en daar dreunt het beton al:
 
de stappen der geslepen assistenten.
[p. 13]origineel


illustratie
Met zijn ouders en Marianne Groen (begin jaren '80)

[p. 14]origineel
VII
 
Bevrijd uit de klauwen van de cycloop,
 
- die ieder kind gevangen houdt,
 
tot het weet hoe het monster te misleiden,
 
 
 
het oog uit te steken, zich groot te maken,
 
op te vallen - steekt hij definitief
 
de rivier over, van de vette, vaderlijke
 
 
 
klei naar het verraderlijk veen - en reeds
 
denkt hij aan zijn jeugd
 
als een cyclus in de verleden tijd:
 
 
 
Ik kwam gek uit de hoek.
 
Ik struikelde over mijn woorden.
 
Ik zei maar wat.
 
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
 
Ik zei niks.
 
Ik sloot me aan bij de vorige spreker.
 
 
 
Ik had kapsies.
 
Ik was onzakelijk.
 
Ik had geen geld.
 
 
 
Ik had klamme handen.
 
Ik schaamde me.
 
Ik had geen geduld.
 
 
 
Ik was naïef met wijven.
 
Ik kon niet dansen.
 
 
 
Ik was stug.
 
Ik wou opvallen.
VIII
 
: Wat trekt je in het schrijven?
 
: De mogelijkheden. Die lettertjes.
 
Het is een kracht die mij inschakelt.
 
Het moet, het moet gewoon.
 
 
 
: Altijd schrijver willen worden?
 
: Nee, detective eigenlijk. Speuren.
 
Journalistiek. Ik ontdekte die
 
copywriting. Dat is het geworden.
 
 
 
: De literatuur toen je begon?
 
: Wij hadden te maken met de Vijftigers.
 
Wij moesten ons afzetten.
 
Nieuwe poëzie maken.
 
 
 
: Je ontmoette een vriend?
 
: Ik zag hem op een schoolavond
 
met een saxofoon. Daar viel ik voor.
 
Hij schreef ook gedichten.
 
 
 
: Later wilde je hem vermoorden?
 
: Die vete? Om een wijf was dat.
 
Een uitlaatklep voor de spanningen.
 
Die waren er. Het liep uit de hand.
 
 
 
: Jullie begonnen een tijdschrift?
 
: Een nieuwe datum in de poëzie.
 
Streep door Vijftig. Geen lyriek meer.
 
Aanvaarden van de realiteit.
 
 
 
: En de anderen?
 
: Als het ons niet beviel, dan pleurden
 
we iemand eruit. Radicaal was dat.
 
We bleven met z'n vieren over.
 
 
 
: Welke opvattingen deelden jullie?
 
: Afkeer. Afkeer van veel: van halve zolen,
 
van andere auteurs, schrijvers,
 
van kunstenaars vooral, Terpen Tijn figuren.
 
 
 
: Hoe Rotterdams is dat?
 
: De kern waren wij, bevlogen Rotterdammers.
 
Dat is heel wat voor een Rotterdammer,
 
dat ie bevlogen is. Het is hier geen artiestenstad.
 
 
 
: Een artiest in een stad die geen artiestenstad is?
 
: Ik wil niet in een artiestenstad wonen.
 
Ik ben wel vereerd met die positie hier.
 
Daar ben ik trots op.
 
 
 
: Hoe noem je jezelf?
 
: Schrijver. Als je dichter zegt, ben je meteen
 
een halve zool. Zo voel ik dat aan.
 
Schrijver, daar kun je je geen buil aan vallen.
IX
 
Terwijl de stad groeit, stijgt de roem
 
van de dichter die zich geen dichter noemen wil.
 
Waarom niet? Waarom wel? Angst voor halve zolen,
 
 
 
waar het spel op grote voet gespeeld wordt?
 
Spelen atavistische sentimenten op,
 
de voorvaderlijke eenvoud, het zwijgen van de
 
 
 
postbode, die geen weet heeft van de
 
inhoud van zijn bestellingen? Wordt de boodschapper
 
gedood om de boodschap die hij brengt?
[p. 15]origineel
 


illustratie
Paard van Troje te Den Haag (1991)

[p. 16]origineel
 
De dichter monddood gemaakt omdat hij zijn mond
 
niet houdt? Meneer Dinges weet niet wat swing is.
 
Hij onderzoekt het dagelijks leven:
 
 
 
Tijd zal het leren.
 
Tijd heelt alle wonden.
 
Tijd is geld.
 
 
 
Hij onderzoekt het seksuele leven: Kind: wie was
 
die meneer. Moeder: die meneer kent mammie nog
 
van vroeger, toen mammie nog niet getrouwd was.
 
 
 
In een onwerkelijke stad (want in aanbouw)
 
aanvaardt hij de werkelijkheid, sluit haar op,
 
isoleert haar in zijn taal, glashelder;
 
 
 
nu vertroebeld door de tijd (want glas slijt).
 
Met z'n vieren, vrienden, maakt hij een program
 
voor de nieuwe poëzie, een nieuwe stijl.
 
 
 
Er is kritiek: wie de werkelijkheid aanvaardt,
 
staat stil, wil niet naar huis, strijdt niet
 
als Odysseus maar als de zot Don Quichot,
 
rijdt met een vleeswagen naar Parijs:
 
 
 
De cabine zindert, twee maal lang haar
 
met gitaar. Ik val mijn lifters niet lastig
 
met vragen over drugs. Ik ben goedkoper
 
dan de trein, en slik gratis metedrijn.
 
Ze kunnen een zware van me draaien.
 
Geen gerook van dat andere spul, dan
 
worre we draaierig en zijn we te lul.
 
Ik rij in 1 ruk door
 
Bij Reims moet ik zeiken als een makke beer.
 
Doen als ik, de stutten trekken, het loopt
 
al in me overall. Geen sterveling te zien,
 
toch pik ik gindse boom voor een
 
brede, schuimende straal, merkwaardig
 
want wat drink ik nou?
 
‘Aarappels afgegoten en
 
naar het vlees gekeken.’
 
Geen antwoord, geen schrammetje aan
 
de gitaren. Ik zoek een zender met weinig
 
gelul en veel muziek.
 
Ik buig mij over het stuur en vraag om vuur.
 
Ik sta paf en sla beleefd een zuurtje af.
 
Ik pak mijn thermosfles en spoel wat
 
meetjes mee. Ze zien alleen elkaar en ik
 
zet grote ogen op, en andere muziek.
X
 
Zijn medestrijders heten niet Agamemnon of Menelaos
 
- wiens vrouw door Paris werd geschaakt, om wie
 
de oorlog begon, de werkelijkheid werd gemaakt -
 
 
 
en zelfs niet Jan of Piet of Klaas, maar dragen
 
namen uit het lab van crazydrivers: Heroïne,
 
Opium, Cocaïne, Captagon, Serenase, Amfetamine.
 
 
 
Wie met hen strijdt raakt ver van huis: hier ben ik.
 
Ik ben schrijver, schrijf stadsgeheimen, wie ze
 
met mij deelt deeldert niet, want één kan maar
 
 
 
de grootste zijn en er zijn kapers op de kust
 
der reputaties, in zijn bewonderaars
 
ziet hij zijn vijanden, zijn kazerne wordt het
 
 
 
gekkenhuis, want altijd argwaan, altijd waakzaam,
 
er loert gevaar achter elke lantaarnpaal,
 
zoals vroeger in de wijken van zijn jeugd,
 
 
 
gaat hij van straat tot straat, als een schim
 
door de nacht, zijn plastic tassen volgestouwd.
 
Een vader in de hongerwinter verzamelt wat verzadigt
 
 
 
Alles wat hij vindt is eetbaar en leesbaar. Hier
 
en daar slaat hij een ruitje in of trekt een bel
 
uit een deurpost. Want een voorloper zonder optocht
 
 
 
wil aandacht van de slapers. Nachtgezang.
 
De ochtend is koud. 's Middags zit hij als verlamd
 
en tikt, tikt dan de kroniek van zijn nacht.
XI
 
Terwijl de stad groeit, het verleden achter zich
 
laat, zich een toekomst graaft, de nieuwe mens
 
behagen wil, maar vermoeit met eeuwige beloften
 
 
 
van-het-wordt-wel-wat, wordt de dichter belaagd door
 
de schimmen die hij op zijn zoektocht oproept.
 
Hij beroept zich op zijn oude vrienden die
 
 
 
carrière in de hoofdstad maken, hem alleen
 
hebben gelaten met de onverbiddelijke maar
 
altijd bewegende werkelijkheid: Panta Rijdt.
 
 
 
Zij laat zich niet dwingen: wie haar
 
tot uitgangspunt van een theorie maakt,
 
moet steeds opnieuw beginnen, wordt zelf een
[p. 17]origineel
 


illustratie
Columnserie het Vrije Volk (1987)

[p. 18]origineel
 
bezienswaardigheid in een stad waarvan
 
de torens de bodem van de hemel plaveien.
 
Zo wordt de dichter die op grote voet zou
 
 
 
gaan een voetnoot, waarin de geschiedenis
 
overleeft. De voorloper wordt ingehaald,
 
de avant-gardist verliest de achterhoede
 
 
 
uit het oog: zijn taal wordt kaal, kaler, kaalst,
 
nog slechts verstaan door wie hem spreekt, door
 
wie met hem streed: I saw the best minds of my
 
 
 
generation destroyed by madness, starving hysterical
 
naked, dragging themselves through the negro streets
 
at dawn looking for an angry fix...

Gebeurtenisse lekke uit. Dinge die ik toegeef. Por fabor, bestand tegen klierspot. Intro laat weer te wensen over, hm. Figuurlijk, hm. Der zijn now wel dooie gevallen, tot mijn opluchting, maar eigeluk zit men op wonderen te wachten, waar pers aan te pas komt. Botsende jeugd in maasstad. Men spreekt van iemand of mekaar onder tafel drinke. Ik hou meer van plafond (van Melief-Bender bijv.); een ‘public animal’ opfokken tot plafond, waar-die hoort. Zolang de transformatie tot ‘bird’ nog niet gans geschied is, gelegenheid tot interviewen. Wordt ruim genomen, wordt beschimpen, met drek werpen en harde bieten en penen, die hij vangt als hij trek heeft. Na sluitingstijd kan hij eve ‘down’ om naar de wc te gaan uiteraard. Mag hij aftrekke in volle zaak? Ja, met toestemming van klanten. Over en weer-dromen? Zo, hoor nu dat Koop bij Eddy Engel doodging. Zal best flinke shot geweest zijn; speed met scopolamine? Wist ie dat dit ‘slangegif’ er in zat? Heroïne? Nog begraven of zo? Gecremeerd, plechtigheid zonder Vogel; ‘ik sta er niet zo best op bij zun ouwelui’. Antenne-Robbie dus thuis, bij wijze van lulle in moeders armen; veel te veel slaaptabletten. Wat doe je nu, de Ruyter? Ergens lijntje in Niemandsland? Je wer knap ‘makkelijk’ op het laatst. Hoe lang blijf je daar? Pleur op, Rob, anders tape ik je in ‘De Kroonkurk’. Cor vraag hoe het nou moet, met wat er nog staat. Staande soms als vogels naas mekaar op hoge poten, ademenin. Rod is op. Schop tegen scheen (zeer been?). Plafond-mobile voor maand, zolang wand-expositie duurt. Gratis zuipen. Hou meer van plafond, sinds het dansvloer is. Aha, un wenser. Interview met lul allang gedaan, ja sjek maar af. Pak. Horige nok. Soort zoeke soort (snel snel), zitaat uit science-future-verhaal. Veilig bij veilig. Buck between us. Robot en plant naar bed. Goed, drie. Hatelijk, boy. Goed, spot, ik plot, ‘duel’ lijkt verouderd voor dit target over tracks, schijven, doorsneden, transparant, krasloos, zo droomhelder en interessant, dat Dommy Blond leert voorbij haar dijlaarzen, zo visueel dat Kokkies tjaptjoy koud wordt, want ete met lipslot. Anderzijds: wer ik maar angerand, wer ik maar geil, wer ik maar met gesloten deur gedwongen, dingen te doen waarover bladen nu voluit schrijven in foutloos Nederlands. Deze mensen kunnen schrijven, schuilend achter lachwekkende namen: Tepelhof, Onanski. Lust tot schrijven (schrijf het zelf), jaargang voor jaargang na Hem, Jan Cremer, en, als het goed is, in de nieuwe stijl, maar waarom piranja?

‘Tri-narangus, listen, you now a lot of people hear, I'd like to buy hash.’

‘It's very dangerous, such a question, on this island.’

‘I know, I know.’

Hoor ik er dan nog niet bij? Ik een ‘verrajer’? Kijk dan, Tri Narangus, por fabor, zie je dan niet met je living theatre- ogen, hoeveel kilo ik al achter me kieze heb? Zeker al geen zin meer om verder in te gaan weven; interessante-acid-stoppers in ons engels, Marty en Dina en dansen oproepen. Als het zo moet. Ongeduldig? Goede veertigster, kijk is naar me jas. O, heeft zich al weer afgewend, luidkeels switchen. Mis. Hoeft al nie meer? Om

[p. 19]origineel



illustratie
Delfshaven (halverwege jaren '80)

[p. 20]origineel

de godverdomme wel! Doe het voor... voor... d.i. un apisiopese (die ape zien ons peze, daarom, die ape tee kope, daarom emergency).

‘Ik gun je alles, behalve take-five.’

Hm... rol hoogtepunten volschieten, en week later kater krijgen zeker? Was gewoon wat te donker. Lag an ut licht. Had ik maar moeten blitsen, beter moeten contact-stylen. Mun dubbelzninnigheid(heden) niet erg opzettelijk, nee, wat doe ik hier nog, met wie fak ik eigeluk? Vijf-pik he? Vijf-pik van onoplettendheid maakt dat man vijf jaar schrijt, as ut nie meer is. Lafaards. Rot stewards. As je in overdrachtelijke zin maar goed zit. In hoeverre kom je boven bar uit? Zak bij je om wat in te steke? Laat ons de schompes wachten, laat ons omlopen. Hm... buk (Humbug). Go... gelag. Finnisses van lulligheid (die groot is). Vliegtuig vol vliegen. Mama loopt high. Isis voor hij aangezien. Andere mood, vuur, koningin. Had je maar mensen om je heen hè, om je uit te leven. Striknine door speed? Bangmakerij? Je weet wie ut zegt (Je kent Zegman toch?), niet zoals gewoonlijk, spagetti-lang op praatstoel (niet verbieden), doch piercing, klein maar kijk, bruin gelik en gezoen met H 73, klok 11 jaar terug. Neukgebaar naar twee Theoos; mensen hoelang precies verdragen we mekaars vorderingen, als grote kinderen scheetsgewijs op onze kut staand, als toen; ik haalde vlees op uit Fles, mijn boezemvriend versiermoeite besparend.

‘Twee vrouwen meegebracht. Een voor jou, uiteraard.’

Of wist ik maar één ‘vrouw’ mee te tronen naar het snuisterrein (wil je het nummer?), delend, toeziend, hoe mijn naakte, harige boezemvriend sich ein Libido hat. Nauwelijks af, of boezemvr. belt haar al op zaak, en imponeert met telefonische bloemen. Ik krijg ‘naam’, bijrijder, ‘weer op moete krikke.’

‘Bedankt voor je schattige rozen.’

Wat moest-ie zeggen? Dat het zovéel rozen waren? Woorden als schattig vallen niet, als onafscheidelijke vrienden doorgaan met ‘tof gesprek’ to the bottom.

‘Hoest met je Latijn?’

‘Geen moer.’

XII (epiloog)
 
Wij spraken van een dichter die leefde
 
in deze stad; Vaandrager was zijn naam,
 
of kortaf Vaan; hij liep vooraan.
 
 
 
Zij die hem hebben gekend zagen hem gaan:
 
hij ging tot op de bodem van het onmogelijke,
 
maar werd niet verstaan, werd onmogelijk,
 
 
 
onnavolgbaar; hij bikte zijn woorden in het
 
bikkelharde bolster van de stad, die hij
 
voor alles, als geen ander, liefhad, want:
 
 
 
God sgiep
 
land
 
water
 
en lug,
 
maar Zijn mees kreatieve wens
 
was tog
 
Rotterdamse mens.

Rien Vroegindeweij

 

De dichter en de stad werd geschreven in opdracht van het RO- Theater en ging op 25 september 1997 in première, gespeeld door Joop Keesmaat en onder regie van Peter Sonneveld. Het stuk werd tot nu toe zo'n twintig keren opgevoerd. De dichter en de stad vormt een programmaonderdeel van Poetry International 1998, dat van 13 t/m 19 juni in de Schouwburg te Rotterdam wordt gehouden.

[p. 21]origineel


illustratie
Openluchttheater te Rotterdam (1987)

[p. 22]origineel


illustratie



illustratie

[p. 23]origineel


illustratie

prepostterug  begin  verder