terug  begin  verderprepost
[p. 30]origineel

Daniil charms: de poses van een buitengewoon fenomeen

[p. 31]origineel

‘Onze zaken staan er nu nog slechter voor. Ik weet niet wat we vandaag zullen eten. En wat we in de toekomst nog moeten eten, weet ik al helemaal niet. We hongeren.’ Dat schrijft zestig jaar geleden, op 25 maart 1938 Daniil Charms in zijn dagboek. Hoe wonderlijk is zijn leven na zijn dood: het vrije Rusland verslindt zijn oeuvre met miljoenen en ook in Nederland houdt het niet op: dachten we dat alles wel zo'n beetje één of meer keren in Nederlandse vertaling was verschenen, dan komt daar opeens Nietes welles, een verzameling van zijn verhalen voor kinderen. Al is de scheidslijn tussen zijn kinderverhalen en zijn ‘serieuze’ werk moeilijk te trekken. Dat zien we ook bij de gedichten, opgenomen in de onlangs verschenen Bloemlezing van de Russische poëzie.

Nee hoor, Charms is here to stay. Zijn gebeden ten spijt: ‘Here, op dit moment heb ik één verzoek tot U: vernietig mij, sla me definitief neder, voer mij ter helle, laat mij niet halverwege staan, maar ontneem me de hoop en vernietig me voor de eeuwigheid der dagen,’ zo noteert Charms in de vroege avond van 23 oktober 1937. Maar God heeft wel andere dingen aan Zijn hoofd, zo aan de vooravond van één van Zijn meest ambitieuze projecten, en Charms moet nog tot februari 1942 wachten voordat hij aan de ondervoeding mag sterven.

Zijn vriend en kunstbroeder Vvedenski zei het al: ‘Charms maakt geen kunst, hij is kunst.’ Zelf schrijft Charms op zijn eenentwintigste: ‘Nu heb ik het begrepen, ik ben een buitengewoon fenomeen.’ Aan dat inzicht zou hij zijn leven wijden.

 

Volgens officiële opgave wordt Daniil Ivanovitsj Joevatsjov op 30 december 1905 geboren. Te gewoon voor een ‘buitengewoon fenomeen’, concludeert Charms. In Autobiografie beweert hij dat zijn vader per se wilde dat zijn zoon op nieuwjaarsdag geboren werd. Dus op 1 april 1903 komt hij bij moeder aan met het voorstel een kind te verwekken. Moeder vreselijk blij natuurlijk, maar het project mislukt faliekant omdat vader het niet kan nalaten ‘1 april!’ te roepen. Het jaar erop, 1 april 1904, denkt moeder ‘ik laat me niet nog eens bedotten’ en gaat verder niet op vaders avances in. Uiteindelijk lukt het vader de kleine Daniil op 1 april 1905 te verwekken. Maar Daniil wordt vier maanden te vroeg geboren. Vader is zo kwaad op de kraamvrouw dat-ie van de wijs raakt en het kind weer terug begint te duwen. Consternatie alom, vooral als een ijlings opgeroepen dokter constateert dat vader de kleine Daniil niet bij moeder maar bij de kraamvrouw heeft teruggestopt. Met behulp van een flinke portie Engels zout komt de kleine Daniil voor de tweede keer ter wereld. Hij belandt in een couveuse waar hij precies op 1 januari 1905 wordt uitgehaald. Zo komt Daniil voor de derde keer ter wereld; vader is tevreden.

Vader Joevatsjov is een zeeman die wegens deelname aan de anti-tsaristische beweging Volkswil lange tijd naar Siberië wordt verbannen. Terug in Petersburg ontpopt hij zich als schrijver van religieuze en mystieke verhalen. Te fantastisch naar de smaak van L.N. Tolstoj, zo blijkt uit de briefwisseling die beiden korte tijd hebben gehad. Wat zou Tolstoj hebben gevonden van de verhalen van zoon Daniil:

 

‘Een kleine man zei: “Ik zou alles best vinden, als ik maar ietsje groter was.” Hij heeft het nog niet gezegd of hij ziet dat er een tovenares voor hem staat. “Wat wil je?” vraagt de tovenares. Maar de kleine man staat daar en kan van angst geen woord uitbrengen. “Nou?” zegt de tovenares. Maar de kleine man staat daar en zwijgt. De tovenares verdween.

[p. 32]origineel

Daarop begon de kleine man te huilen en zijn nagels af te bijten. Eerst beet hij alle nagels van zijn vingers af, daarna van zijn tenen. Lezer, denk goed over deze fabel na en je zult je beroerd voelen.’

 

Ook de naam Joevatsjov is een buitengewoon fenomeen onwaardig. De naam Charms duikt voor het eerst op in 1924. Er zullen er nog vele volgen. Charms sticht graag verwarring door zich telkens nieuwe namen aan te meten. Tot ergernis van de huismeester verandert hij in een week iedere dag zijn naambordje. Van Charms maakt hij toch maar Tsjarms of weer iets anders. Als de huismeester verhaal wil halen, wordt er niet opengedaan. En wanneer hij de volgende dag gaat kijken, hangt op de vermaledijde deur het bordje: ‘Sjardam heeft vandaag geen spreekuur.’ Charms heeft zo'n dertig namen tot zijn beschikking, waaronder Garmonius, Daniil Dandan, Ja. Basj, Ivan Toporyskin, Schrijver Kolpakov, Anatoli Smoesjko en Karl Ivanovitsj Schusterling, die nog figureert in Sprookje, waarin hij geraakt wordt door de losgeslagen kop van een hamer juist op het moment dat hij zijn hoed afneemt ‘om zijn achterhoofd te luchten.’

Ook zijn hondje moet aan die namengekte geloven. De kleine Kepka moet zelfs nog een tijd naar de naam Eert-de-nagedachtenis-aan-de-slag-bij-Thermopilae luisteren.

Charms verandert niet alleen graag van naam: ‘Meet je een pose aan en heb de wilskracht om deze ook vol te houden. Ooit had ik de pose van een Indiër, daarna van Sherlock Holmes, daarna van een yoga en tegenwoordig die van een geïrriteerde zenuwlijer. Deze laatste pose zou ik voor mezelf niet altijd willen houden. Ik moet een nieuwe pose bedenken.’

In 1927 heeft Charms de pose van de jonge avant-gardist. Samen met vooral de leeftijdgenoten Alexandr Vvedenski en Nikolaj Zabolotski richt hij OBERIOE op, een afkorting voor Vereniging van de Reële Kunst, al hecht Charms net zo zeer aan de vondst Academie van Linkse Klassieken.

OBERIOE wordt tegenwoordig beschouwd als de belangrijkste kunststroming in Rusland na de futuristen en vóór de Stalin-terreur. Nochtans rest van OBERIOE niets dan een handvol anekdotes, een manifest en een programma van een (afgelaste) avond.

Om publiek te trekken voor een literaire avond wandelt Charms, gekleed als een lord op zijn landgoed, over de kroonlijst van de vijfde verdieping van het Boekhuis, nonchalant een pijp rokend. Nu en dan neemt hij de pijp uit zijn mond en schreeuwt de verzamelde menigte beneden toe: ‘Kom allemaal naar de literaire soiree van de oberioeten!’ Het volk staart hem met open mond aan, maar de zaal is die avond tot de nok toe vol.

In de voorstellingen wordt men getrakteerd op literatuur, film, muziek en theater, maar ook op goocheltrucs en acrobatiek. Op het programma van de voorstelling op 12 december 1928 treffen we uitnodigende items aan als: Daniil Charms: voorwerpen en figuren; Igor Bachterev: vorken en verzen; Alexandr Vvedenski: zelfbespiegeling boven een muur.

Tijdens één zo'n gelegenheid loopt Charms de hele avond rond met een zijden theemuts op het hoofd.

Van OBERIOE is een beginselverklaring bewaard gebleven, het Manifest dat op gewichtige toon stelt dat OBERIOE op organische wijze zoekt naar een nieuwe waarneming van de werkelijkheid, een nieuwe benadering. Men spreekt van het ‘concrete object, waar de kunst bezit van neemt, zodra er de literaire en dagelijkse huid van is afgestroopt

[p. 33]origineel

(...) Kunst kent haar eigen logica, en vernietigt een voorwerp niet, maar biedt hulp bij het leren kennen ervan.’ Met een beetje goede wil kan je hier nog in meegaan, maar al te bont wordt het wanneer men stelt dat men geïnteresseerd is in ‘de botsing tussen een aantal objecten, op hun onderlinge relatie. Op het moment van actie krijgt het object nieuwe, concrete trekken vol reële betekenis.’ Hoe serieus slavisten als Thomas Langerak en Charles B. Timmer dit Manifest ook nemen, het blijft toch vooral een typisch ‘oberioetse’ prank. Lariekoek is het. Een parodie, net als het reglement voor de wachtposten op het dak van de Staatsuitgeverij dat op 22 mei 1929 door de ‘leden- grondleggers’ Daniil Charms en Boris Levin wordt ondertekend. Het reglement stelt vast wie wachtpost mag zijn, wat hij moet doen, wat hij niet mag doen en welke rechten hij heeft. Zo moet de wachtpost een man zijn van gematigd postuur, die de OBERIOE-overtuigingen aanhangt. Hij moet roker zijn of, in het uiterste geval, niet-roker. De wacht moet op het hoogste punt van het dak zitten en energiek om zich heen kijken, zover als de nekwervels toelaten. Regel 4 van de verboden luidt: ‘Niet achter de mussen aanzitten, noch hun gewoonten aannemen.’ De wachtpost heeft ook rechten, zoals het recht het leven beneden als een mierenhoop te zien. Het reglement eindigt in typische Charms-stijl: ‘Dat is alles.’

OBERIOE en Charms' relatieve literaire vrijheid is van korte duur. ‘Poëzie van de klassevijand,’ schrijft de pers. Het speelse nonconformisme van de oberioeten past uiteraard niet binnen het socialistisch-realisme, de norm voor elke kunstenaar in de heilstaat.

Van wat Charms zelf zijn ‘serieuze’ werk noemt, zijn tijdens zijn leven maar twee gedichten gepubliceerd. Het toneelstuk Elizaveta Bam wordt na één voorstelling verboden. Het hoofd van de afdeling kinderliteratuur van de Staatsuitgeverij Leningrad, Samuil Marsjak, ontfermt zich over de voormalige oberioeten. In de jaren dertig verdient Charms zijn geld met het schrijven van verhalen en gedichten voor kinderen. Het onlangs uitgegeven Nietes welles toont aan hoe oorspronkelijk zijn werk nog altijd is. Wat vooral opvalt, is het ontbreken van enig moralisme, uniek binnen de sovjet-kinderliteratuur.

In 1931 wordt Charms beschuldigd van ‘organisatie van en deelname aan een anti-sovjet-groepering van literatoren’. Het aanvankelijke vonnis, drie jaar strafkamp, wordt op het laatste moment omgezet in een verbanning uit Leningrad voor een half jaar.

Na Charms' terugkeer in Leningrad noteert de dichter Kornej Ivanovitsj Tsjoekovski na een ontmoeting met hem in zijn dagboek: ‘Over de gevangenis spreekt hij met plezier, maar over Koersk met afschuw. In Koersk heeft Charms helemaal niets geschreven, hij is daar erg ziek geweest. “Wat mankeerde u?” “Ik had koorts. 's Nachts had ik steeds 37.3. Ik baadde in het zweet en kon niet slapen. Later bleek dat mijn thermometer kapot was, en dat mijn gezondheid in orde was. Maar dat was pas na een maand, en gedurende die periode ben ik helemaal uitgeput geraakt.” Dat was Charms ten voeten uit.’

Van dezelfde ontmoeting schrijft Charms in zijn dagboek: ‘Kornej Ivanovitsj ontving me met een uitroep van blijdschap en ging naast de schoorsteenmantel op de grond liggen. Hij heeft griep gehad en is nog steeds niet in orde. Hij ligt op de grond, gewoon omdat hij dat mooi vindt. En het is inderdaad heel mooi.’

En als Vladimir Lifsjits hem thuis in de Majakovskistraat bezoekt, treft hij in het vrijwel lege vertrek een vreemd voorwerp aan, opgebouwd uit stukken ijzer, planken, lege sigarettendoosjes, springveren,

[p. 34]origineel

fietswielen en conservenblikken. ‘Wat is dat?’ vraagt Lifsjits. ‘Een machine.’ ‘Wat voor machine?’ ‘Zo maar, een machine in het algemeen.’ ‘En wat doet die machine?’ ‘Hij doet niks.’ ‘Hoe zo niks?’ ‘Nou gewoon niks.’ ‘Waar dient-ie dan voor?’ ‘Ik wou thuis een machine hebben.’

In de eerste helft van de jaren dertig komen er van Charms nog regelmatig kinderverhalen en -gedichten uit en is hij actief bij kindertijdschriften als Het Sijsje en De Egel. Allerlei anekdotes getuigen van zijn excentrieke gedrag op redactievergaderingen.

Volgens Boris Semjonov is Charms een begenadigd goochelaar die de ernstige sfeer tijdens redactievergaderingen plotseling kan verbreken door ongemerkt, in één beweging twee uitpuilende kunstogen in zijn oogkassen te plaatsen en daarmee zijn ontstelde collega's aan te staren.

Ook kan hij tijdens een vergadering plots opstaan om rustig het raam uit te klimmen en een eindje te gaan wandelen over de kroonlijst, waarna hij onbewogen door een ander raam de kamer weer binnenkomt.

Of men vermaakt zich met weddenschappen: ‘Zo moest Charms bijvoorbeeld van ons huis naar de Litjny Prospekt lopen met een afgeknipt strooien hoedje op waar zijn haar boven uitstak, in een colbertje zonder hemd met een groot kruis op zijn blote buik, in een rijbroek uit de diensttijd van mijn broer en met pantoffels aan zijn blote voeten,’ beweert de illustrator Alisa Poret. ‘In zijn hand had hij een vlindernetje. Er werd gewed om een fles wijn: als Charms tot aan het kruispunt kon lopen zonder dat iemand aandacht aan hem schonk, had hij gewonnen en andersom. Daniil Ivanovitsj liet zich aankleden en wandelde heel rustig en waardig zonder een spier te vertrekken over het trottoir. Wij volgden over het trottoir aan de overkant van de straat, en keken stikkend van de lach naar de voorbijgangers. Niemand lette op hem, behalve een oudje dat zei: “Wat een idioot.”’

Maar na het verschijnen van het gedicht ‘Er ging een keer een man van huis’, waarin hij iemand van huis laat gaan die voorgoed verdwijnt, is dat voorbij. Op 1 juni 1937 schrijft hij in zijn dagboek: ‘Nog rampzaliger tijden zijn op me afgekomen. Bij de Staatsuitgeverij voor Kinderboeken hebben ze zitten kankeren op een paar van mijn gedichten en zijn ze begonnen me het leven zuur te maken. Ze zijn opgehouden mijn werk nog te drukken. Ik voel dat er zich daar in het geniep iets kwaads afspeelt. We hebben niets te eten. We lijden vreselijk honger.’

Al weet hij dat hij nooit meer iets zal publiceren, hij blijft schrijven. De aanvankelijke poëzie en toneelstukken maken plaats voor korte absurdistische prozaschetsen die naarmate de kommervolle jaren dertig vorderen een steeds grimmiger tot ronduit wreed karakter krijgen.

Zo begint een verhaal met ‘Als ik een mens zie, heb ik zin 'm op z'n bek te slaan! Het is een waar genoegen om iemand op z'n bek te slaan!’ En een ander verhaal: ‘Op een keer sloeg Antonina Alekseevna haar man met een dienststempel en bekladderde zijn voorhoofd met drukinkt.’ Of: ‘Senja sloeg Fedja op zijn smoel en verborg zich onder de commode. Fedja haalde Senja met een pook onder de commode vandaan en rukte hem het rechteroor af.’

Wat de verhalen zo onheilspellend maakt, is de kaal-registrerende toon waarop de meest verschrikkelijke gebeurtenissen worden opgetekend. Niet alleen bij de schrijver ontbreekt ieder gevoel voor compassie of verontwaardiging, ook de hoofdpersonen (mensloze namen zijn het) lijken niet te beseffen waarom ze elkaar te lijf gaan. De situaties bij Charms zijn zo overdreven gewelddadig dat de uit het veld geslagen lezer zich aan de humor moet vastklampen, een ander houvast gunt

[p. 35]origineel

Charms ons niet. Maar Charms is geen Bottom, de anabolen-slapstick van Rik Mayall en Adrian Edmondson. Want: mensen die zonder enige reden worden opgepakt, geïntimideerd, gemarteld of gedood, dat is de werkelijkheid van Charms tijdens de Stalinterreur. Charms maakt reële kunst.

 

En jawel, Charms is reële kunst.

Nadat al veel van zijn vrienden hem zijn voorgegaan, wordt ook Daniil Charms voor een tweede keer gearresteerd. Op 23 augustus 1941 is dat. De aanklacht: verspreiding van defaitistische propaganda, artikel 58/10 van het Wetboek van Strafrecht. De huismeester vraagt hem mee naar beneden te komen. Op de binnenplaats staat de ‘zwarte raaf’ al klaar. Halfgekleed, met een paar pantoffels aan zijn blote voeten stapt hij in. Charms laat zich krankzinnig verklaren, zijn laatste pose, en wordt in een psychiatrische inrichting in Leningrad geplaatst. Daar sterft hij.

‘Ik heb Daniil Charms nog twee, misschien drie dagen voor zijn arrestatie gezien,’ aldus Aleksej Ivanovitsj Pantelejev: ‘Ik heb altijd geweten dat hij een intelligent man was, zijn excentriciteit was een masker en hij is nooit de doorgefourneerde clown geweest, waar sommigen hem voor hielden.’

En een andere schrijver V. Kaverin beaamt: ‘Hij had kinderlijke gelaatstrekken en hield ervan te epateren. Charms was een ernstig man, ik heb hem zelden zien glimlachen en zijn hang naar het excentrieke, naar het “poetsen bakken”, zijn talloze grappige pseudoniemen verhulden een gecompliceerde, gevoelige natuur.’

En het buitengewone fenomeen zelf: ‘Ik ben sowieso een verbazingwekkende figuur, hoewel ik het niet leuk vind om hier dikwijls over te praten.’

 

Oké. Laten we het liever niet langer over hem hebben.

 

Richard Dekker



illustratie

Charms in Nederlandse vertaling

BAM en ander proza (Charms, Vvedenski, Kazakov); Van Oorschot, 1978
Optisch bedrog en ander proza; Gerards & Schreurs, 1988
Brieven aan Claudia; De Lantaarn, 1989
Verhaal met opdracht; Pegasus, 1989
Alle mensen houden van geld; Pegasus, 1990
Tsjak; Plantage, 1993
Brieven en dagboeken; Pegasus 1993
Een, twee, hupsakee; Lannoo, 1996
Nietes welles; Querido, 1997
[p. 36]origineel

[advertentie]

prepostterug  begin  verder