terug  begin  verderprepost
[p. 6]origineel

In den beginne

Ondanks het matige weer was het een mooie zomer. Die kon dan ook niet meer stuk toen op 28 mei bekend werd gemaakt dat Rotterdam in 2001 Culturele Hoofdstad van Europa is. Door degenen die zich daarvoor de afgelopen jaren hebben ingezet is een grote prestatie geleverd: ondanks de meelijwekkende politieke spelletjes van de Europese Unie is men erin geslaagd de felbegeerde titel voor een jaar naar Rotterdam te halen. Dat de titel weliswaar met Porto moet worden gedeeld mag de pret nauwelijks drukken. Bovendien weet iedere creatieve instantie daar wel een mouw aan te passen.

 

Verheugend was ook de inhoud van het persbericht dat de gemeente Rotterdam naar aanleiding van de bekendmaking opstelde. Zo deelde ze het volgende mede: ‘Een ander punt van aandacht is de aansluiting tussen de gevestigde cultuur en nieuwe generaties. Om die aansluiting te vinden is het vanzelfsprekend dat de jeugd en jongerencultuur een centraal thema is in de programmering van het evenement.’ Een fraaie ambitie die je als jonge organisatie, met veel jonge medewerkers en jongeren als je belangrijkste doelgroep, alleen maar kunt toejuichen. Tegelijkertijd roept het echter ook de vraag op hoe Hans Kombrink, wethouder Kunstzaken, dit meent te kunnen realiseren. De ervaring leert dat de gevestigde cultuur en die van de jongeren strikt gescheiden zijn, ondanks incidentele pogingen de twee in contact te brengen.

De zwakte van het huidige cultuurbeleid in Rotterdam is dat dit volkomen geïsoleerd is van het uitgaansleven. In deze beperkte benadering van de cultuur doet zich de verouderde opvatting van een generatie voelen dat cultuur gelijk staat met het zingeven aan het persoonlijke bestaan. Men bezoekt een theater en na afloop wordt er in een dodelijk saai en uiterst correct etablissement in het beste geval nog wat nagebabbeld en in het slechtste over de betekenis van de voorstelling gediscussieerd. Voor een nieuwe generatie cultuurliefhebbers is amusement echter minstens zo belangrijk als zingeving. Cultuuruitingen zijn er niet alleen om je bestaan een plaats in de wereld te geven, maar dienen ook, of juist, ter vermaak. Kunst is bevrijd van haar moralistische ondertoon. Goddank zou ik zeggen.

Die nieuwe benadering van de kunst heeft er niet toe geleid dat jongeren zich volledig afwenden van de gevestigde cultuur. Integendeel, velen weten de instellingen te vinden waar deze zich manifesteert. Er is echter een groot verschil aan te wijzen met het uitgaansgedrag van de vorige generaties. Na bijvoorbeeld een moderne versie van één van Shakespeare's toneelstukken in de Schouwburg te hebben

[p. 7]origineel

bezocht, heeft een grote groep jongeren geen behoefte aan oeverloze discussies over de diepere betekenis van de voorstelling of het politiek correcte gedrag van de regisseur. Wat men wil is uitgaan, dansen, drinken, roken, versieren, en al datgene waaraan men plezier beleeft.

Wie dit uitgaansgedrag vergelijkt met het huidige cultuurbeleid van de gemeente Rotterdam kan niet anders concluderen dan dat het integreren van een nieuwe generatie tot mislukken gedoemd is. Het is namelijk zo dat er naast een stimulerend cultuurbeleid een repressief horecabeleid gevoerd wordt. Zo zijn de sluitingstijden van de horecagelegenheden verscherpt en is een aantal cafés gesloten. Voor veel van die cafés waren hier zeer plausibele redenen aan te voeren en niemand in de stad zal er om treuren dat er zaken gesloten zijn waar voorheen in harddrugs werd gehandeld, de criminaliteit floreerde en waar de onveiligheid zich tot de directe omgeving uitstrekte.

Maar dit repressieve beleid heeft er tevens toe geleid dat de ‘schone’ of ‘culturele’ horeca aan banden is gelegd. Er bestaan in Rotterdam talloze cafés waar nooit iets onoorbaars gebeurt, maar die wel met de strakke regelgeving geconfronteerd worden. Een schrijnend voorbeeld is de keer dat ik om 1 uur 's nachts werd verzocht om jazzcafé Dizzy te verlaten aangezien de politie streng aan het controleren was. Terwijl het breken van drie bierglazen op 15 juni 1992 het ergste is wat er de afgelopen tien jaar in Dizzy gebeurd is. Nog pijnlijker zijn de maandagavonden waarop na enen de avondklok lijkt te zijn ingegaan. Bevriende buitenlanders die een avondje stappen in Rotterdam in gedachten hadden bezorgden mij ooit het schaamrood op de kaken toen ik ze op zo'n avond door de Rotterdamse metropool zou leiden. Na een half uurtje zoeken naar een leuke gelegenheid die nog open was besloten ze de nachttrein naar Amsterdam te nemen omdat daar nog wel genoeg te beleven was. En gelijk hadden ze. Stelt u zich eens voor wanneer in 2001 al die buitenlanders de bruisende cultuurstad Rotterdam komen bezoeken en ze 's nachts door de lege straten zwerven op zoek naar enig vertier. Een bezoek aan Oostenrijk zou niet erger kunnen zijn.

Behalve door het samenvoegen van het horeca- en het cultuurbeleid kunnen de jongeren alleen maar aansluiting bij de gevestigde cultuur krijgen indien er niet alleen activiteiten vóór maar ook dóór jongeren worden georganiseerd. Tijdens een onlangs gehouden bijeenkomst over jongeren en cultuur in HAL 4 suggereerde de leeftijd van het panel dat vooral het eerste het geval zal zijn. Tijdens deze bijeenkomst werd Kees Weeda, hoofd culturele zaken van de gemeente Rotterdam, gevraagd welke personen in de organisatie Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001 zitting zouden nemen. Vervolgens vroeg Weeda welke personen in de zaal onder de 25 jaar waren. De vijf aanwezigen die hun hand opstaken moesten volgens een ironische Weeda dan maar de organisatie voor hun rekening nemen. In hoeverre die belofte wordt waargemaakt moet afgewacht worden, maar gezien het voornemen van de gemeente zou enige invloed van jongeren op de organisatie wenselijk zijn.

Niet dat jongeren de aangewezen groep zijn om de organisatie op zich te nemen. Ze missen de bestuurlijke ervaring om zo'n groot evenement tot een succes te brengen. Maar daarnaast ontbreekt het de vertegenwoordigers uit de gevestigde cultuur aan affiniteit met de belevingswereld van jongeren. Een treffend voorbeeld hiervan is de graffiti die men overal in de stad aantreft. Voor de gevestigde orde wordt deze uiting van de jongerencultuur alleen als overlast gedefinieerd, die zo goed mogelijk bestreden moet worden. Dat er naast ongewenste graffiti ook prachtige kunstwerken worden gemaakt gaat aan deze groep geheel voorbij.

Onlangs studeerde de voorzitter van de podium-commissie van Passionate, Francy Derks, af als Vrijetijdskundige. In haar scriptie Geen Daden Maar Woorden '98; een verslag van een literair festival voor jongeren pleit zij voor een sleutelrol van een intermediair die enerzijds genoeg affiniteit met het publiek heeft en anderzijds over voldoende kennis en ervaring beschikt. Een intermediair kan de door de gemeente Rotterdam gewenste aansluiting tot stand brengen door met het ene been in de jongerencultuur en met het andere in de gevestigde cultuur te staan.

Ten slotte zou het mooi zijn indien het culturele evenement in 2001 een meerwaarde voor een nieuwe generatie Rotterdammers heeft. Zo zouden er meer jongeren kunnen doorstromen naar sleutelposities in de culturele sector. De stad beschikt over opleidingen als Kunst- en Cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en Vrijetijdskunde aan de HR&O, maar het komt te vaak voor dat directeuren en de bekleders van andere belangrijke functies van buitenaf worden aangetrokken. Niet dat deze personen niet capabel genoeg zijn, of dat er een soort voorrangsbeleid gevoerd moet worden, maar een natuurlijke doorstroming is noodzakelijk om het culturele leven ook in de avonduren een gezicht te geven. Daarom is het van belang dat de nieuwe generatie voldoende kansen krijgt. Jongeren zullen dan vaker besluiten om na hun studie in de stad te blijven wonen. En alleen zij kunnen Het Nieuwe Rotterdam verder gestalte geven.

 

Giel van Strien

[p. 8]origineel


illustratie



illustratie

[p. 9]origineel


illustratie

prepostterug  begin  verder