i.s.m.
[p. 30]
origineel
Wacht
Het schemert 's ochtends en de dag blijft weg.
Men zou die grauwte kunnen opwaarderen
met lamplicht op het wit papier.
Dan houdt een lang gestorven hand
de mijne tegen. Schraal buitenlicht komt
schuchter en toch doelbewust naar binnen,
als was het raam de deur. Het is een vriend
van vroeger. Hij heeft je moeder nog gekend.
Die had geen wekker nodig om altijd
eerder op te zijn dan jij. Zij had
geen boodschap ook aan 't weerbericht.
Blijf even roerloos nu als deze dag.
Wacht tot de stilte oplicht, het zingen
van de ketel zich onveranderlijk
laat horen.
[p. 31]
origineel
Zei zij
Al dat geluk van vroeger en niet nu,
jij gelooft er niet in.
En 't is waar,
je hoeft niet lang te zoeken
of daar is weer de angst
om wat er stond
aan het duistere eind van de zoldertrap,
de god der wrake of ander net niet
wurgend ongemak.
Maar toch, angst was nooit verder weg
dan toen je in het vroege licht
de trap afsprong
en door dubbele deuren de nog natte
tuin in liep met de nog matte
maar allesbelovende kleuren.
[p. 32]
origineel
Hier komt de zon
die de mensen donkerder maakt
zodat ze weer zichtbaar worden
in het wit van die baaierd.
Vroeg zijn zijn stralen als brushes
die amper het kalfsvel beroeren,
de strakke huid van zeg maar het zwerk.
Of zie ze onder de boog van de brug
als spelende panters bewegen
met wisselende stippen zwart en goud.
En later de koperen ploert
die je doet snakken naar zondvloed,
zoals in dat land van stoffig smaragd
waar regen te groot is voor regen
en bruine kinderen, voetzolen
onverwacht geel, zich joelend repten
naar de oorverdovende ovatie
van een zinken dak. Of eerder nog,
thuis, de helende geur van modder
en de drie aroma's van gras.
Hier komt de zon,
leg je zwachtels nu af.
Maak, zon, mij
in uw strenge liefdadigheid
onsterfelijk zolang ik leef.
J. Eijkelboom
[p. 33]
origineel