terug  begin  verderprepost
[p. 24]origineel

Poetry International '99
Brendan Kennelly

De Ierse dichter Brendan Kennelly is in eigen land bijna even populair als Nobelprijswinnaar Seamus Heaney. Hij is niet alleen dichter, hij is ook als Professor of Modern Literature verbonden aan het Trinity College in Dublin. Toch kennen de meeste leren hem eerder uit de kranten en de andere media, inclusief de roddelrubrieken. Hij was ook tot voor kort in een humoristische t.v.-reclame te zien voor een bekend automerk. Op zijn zestigste verjaardag kwamen de leden van popgroep U2 zijn feest opluisteren.

Zijn populariteit dankt Kennelly waarschijnlijk aan het feit dat zijn poëzie het eclecticisme van de Ieren in alle opzichten weerspiegelt. Hij spreekt in zijn gedichten door vele stemmen, net zoals hij in vele vormen schrijft: van vrije, verhalende verzen tot en met strakke sonnetten. Kennelly schreef hierover: ‘Poëzie betekent voor mij het binnentreden in de levens van dingen en mensen, dromen en gebeurtenissen... Het gebruik van een personage kan meer onthullen over ons bestaan dan persoonlijke ontboezemingen.’

De neiging om in de huid van andere personages te kruipen komt naar voren in The book of Judas (1991), waarin allerlei aanstichters van het kwaad met elkaar en de lezer in de clinch gaan, en in Poetry my arse (1995), een letterlijk gigantische bundel waarin men een lofzang op de stad Dublin kan zien, en dan vooral op het platte maar zeer inventieve taalgebruik van haar bewoners.

Het zal gezien het voorgaande geen verrassing zijn dat Brendan Kennelly een groots voordrager van eigen werk is.

 

Peter Nijmeijer

 

Beknopte Bibliografie:

 

A time for voices: Selected poems 1960-1990 (1990), Breathing spaces: Early poems (1992), Cromwell (1983), The book of Judas (1991), Poetry my arse (1995), The man made of rain (1998), The singing tree (1998).

[p. 25]origineel
Het verhaal
 
Het verhaal werd niet geboren bij Robbie Cox
 
En ook niet bij zijn vader
 
Of bij zijn vaders vader
 
Maar verder terug dan iemand zich kon herinneren.
 
 
 
Cox vertelde het verhaal
 
Op twaalf avonden rond Kerstmis.
 
Het was het verhaal
 
Dat Kerstmis maakte tot wat het was.
 
Toen het afgelopen was
 
Was het nieuwe jaar begonnen,
 
Echt gemaakt door het verhaal.
 
Het oude jaar was gestorven,
 
Begraven door het verhaal.
 
De mens leefde voort,
 
Versterkt door het verhaal.
 
 
 
Toen Cox stierf
 
Stierf het verhaal.
 
Niemand had de tijd
 
Het verhaal te leren.
 
Kerstmis verschrompelde,
 
Het oude jaar werd tot stof,
 
Het nieuwe jaar niets bijzonders,
 
Zoveel tijd om nog te leven.
 
 
 
De mensen verdorden.
 
Niet dat het iemand iets deed.
 
Het verhaal was een dode kraai op een nat veld,
 
Een verlaten huis, een vod op een struik,
 
Een ziekelijk gefluister in een stervende kamer,
 
De trillende gleuf van de mond van een grijsaard
 
Die als verbrand papier uiteenwaaiert
 
Als zwarte as verspreid door de wind,
 
Mensen vluchtend voor de honger.
 
Niemand heeft ooit van hen gehoord.
 
Niemand zal ooit over hen spreken.
 
 
 
Ik ken de leegte
 
Die zich na de dood van het verhaal
 
Zal verspreiden.
 
Deze leegte is op de wegen
 
En in de velden, in de ogen
 
Van mensen en de stemmen van kinderen,
 
Op zomeravonden wanneer de sterren
 
Als konijnen spelen achter Cox' huis,
 
Het huis van het verhaal
 
Dat ooit leefde op de lippen
 
Als spreeuwen opgeschrikt uit een boom,
 
Exploderend in een hemel van openbaring,
 
Weloverwogen en vrij.
[p. 26]origineel
De bezoeker
 
Hij schreed het huis binnen.
 
 
 
Lachend
 
Liep hij op de vrouw af
 
Drukte een kus tegen haar gezicht.
 
 
 
Hij droeg handschoenen.
 
Hij had een bonten kraag op zijn jas.
 
Hij was de meest zelfverzekerde man van de wereld.
 
Hij hield van zijn eigen gevatheid.
 
 
 
Hij schonk nu aandacht aan de kinderen
 
En tikte ieder van hen zachtjes op het hoofd.
 
Ze zijn gezond maar een beetje verlegen, zei hij.
 
Ze zullen prima mannen en vrouwen worden, zei hij.
 
 
 
De kinderen keken naar hem op.
 
Hij lachte nog steeds.
 
Hij was zo zelfverzekerd
 
Dat ze er geen woorden voor konden vinden.
 
Hij was zo elegant
 
Dat hij indrukwekkender was dan de reuzen van de nacht.
 
 
 
De wereld
 
Kon alleen maar voor hem neerknielen.
 
De gekuste vrouw
 
Werd verwacht hem te adoreren.
 
 
 
En blijkbaar deed ze dat ook.
 
 
 
Ik wil nu eten, zei hij,
 
Niets bijzonders, gewoon iets eenvoudigs -
 
Bacon, eieren, worstjes, tomaten
 
En een paar heerlijke licht beboterde sneetjes
 
Van je zelf gebakken
 
Bruinbrood.
 
O lieve vrouw die je bent,
 
Zie je niet dat mijn tong smacht
 
Naar een pot van je heerlijke thee.
 
Geen andere vrouw ter wereld
 
Kan zo goed voor me koken als jij.
 
 
 
Ik word altijd geroerd door je bescheiden meesterschap!
 
 
 
Hij zat aan tafel als een koning.
 
Hij at tussen lachsalvo's door.
 
Hij was een groot filosoof,
 
Wijs, in staat te adviseren,
 
De wereld tussen happen door op te lossen.
 
De vrouw fladderde om hem heen.
 
De kinderen staarden naar zijn vitale hoofd.
[p. 27]origineel
 
Hij had hen van elk woord dat ze hadden beroofd.
 
Zal ik je nog wat opscheppen? vroeg de vrouw.
 
Hij at, hij lachte, hij maakte grappen,
 
Hij kende de wereld, zijn bord was leeg
 
Als dat van Jack Spratt in het grappige gedicht,
 
Hij was een knappe wolfman,
 
Getalenteerder dan iedereen
 
Die de vrouw en kinderen van dat huis
 
Ooit hadden gekend of gezien.
 
 
 
Hij was de storm waarnaar ze luisterden
 
's Nachts samengekropen in bed
 
Hij was wat de vrouw kon kalmeren
 
Met die moordende pijn in haar hoofd
 
Hij was de dreiging in de vloed
 
Die achter het huis beukte
 
Hij was een luide klop op de deur
 
In een moment van vrede
 
Hij was de nek van een bloedhond
 
Buigend op het moment van doden
 
Hij was een havik van de hemel
 
Duikend om zijn wil op te leggen
 
Hij was de zin die vermoeide gospelschrijvers
 
God baden dat hij zou schrijven
 
Hij was een zwarte explosie van spreeuwen
 
Uit een boom in november
 
Hij was een plan dat werkte
 
In een klimaat van zelfbehagen
 
Hij was al de stemmen
 
Van de zee.
 
 
 
Mijn tijd is om, zei hij,
 
Ik moet nu gaan.
 
 
 
Hij nam zijn jas, handschoenen, filosofie, gelach, gevatheid,
 
En maakte aanstalten weg te gaan.
 
Hij kuste de vrouw nogmaals.
 
Hij glimlachte neer op de kinderen.
 
Hij liep het huis uit.
 
De kinderen keken elkaar aan.
 
De vrouw keek naar de stoel.
 
De stoel was een troon
 
Beroofd van zijn koning, zijn bezoeker.

Brendan Kennelly

 

vertaald door Peter Nijmeijer

prepostterug  begin  verder