Heleen Groenendijk en Mariette van Muijen stellen in de recentste Passionate dat ‘rappoëzie de dichtkunst redt’ en gooien hiermee benzine op het vuur van een van de onzinnigste discussies die binnen de Nederlandstalige poëziewereld gevoerd is: Nederlandstalige rappoëzie bestaat niet. De eerste die mij een Nederlandstalige ‘rapdichter’ bij naam kan noemen (en voor de goede orde: noch Serge van Duijnhoven, noch Olaf Zwetsloot, noch Def P. hebben zich ooit zo genoemd) krijgt van mij een volledig verzorgd weekend in Groningen aangeboden.
Het hele non-issue werd drieëneenhalf jaar geleden gestart in twee Groene Amsterdammer-artikelen, waarin rap als de nieuwe poëzie bejubeld werd en Serge van Duijnhoven en Olaf Zwetsloot hoogst aanvechtbare uitlatingen deden.
Enkele maanden na verschijning van die artikelen werd ik gebeld door Emerald Beryl die voor De Arbeiderspers een bloemlezing uit het werk van ‘jongere’ dichters en rappers aan het samenstellen was. Ook was hij bezig met het organiseren van een festival waarin rappers en dichters met elkaar konden experimenteren. Of ik affiniteit met rap had, was zijn vraag. ‘Ja,’ was mijn antwoord. Al is het niet de muziek die mijn voorkeur geniet, ik had in de jaren daarvoor enkele malen met rapper Sherlock van de Groningse rapformatie Zombi Squad opgetreden. Zoiets maakte me natuurlijk niet tot een rapdichter, noch Sherlock tot een dichtrapper. Evenmin als mijn voordrachten met het ska-orkest Jammah Tammah mij tot ska-dichter maakten of de dingen die ik in samenwerking met moderne jazz-muzikanten deed mij tot modern jazz-dichter bombardeerden.
Maar goed, ik schreef een gedicht, stuurde het in en bemerkte tot mijn schrik en verbazing dat ik na het verschijnen van die bloemlezing, gelijk de andere dichters in dat boekje, plots tot rapdichter bestempeld was.
De Arbeiderspers zal ongetwijfeld gedacht hebben: ‘Dat is handig, Van Duijnhoven en Zwetsloot hebben juist een pleidooi voor de opwaardering van de Nederlandstalige rap gehouden. Laten wij een stap verder gaan en een nieuwe stroming verzinnen: rappoëzie. Een hapklare term voor de media, wellicht boren we een nieuwe lezersgroep aan ... verdomd commercieel aantrekkelijk!’
Er verscheen het boekje Double Talk. En er kwam het festival Double Talk. Waar de dichters - zo ze al op mochten treden - weggestopt werden in een achterafzaaltje en de rap-acts te zien waren op het hoofdpodium. Van wederzijdse uitwisseling was geen enkele sprake. Noch tijdens dat festival, noch in het boek: rapteksten en gedichten staan (met veel redactiefouten) gebundeld, dat wel, maar zonder samenhang: ogenblikkelijk zie je welke de rapteksten zijn en welke de gedichten.
En hoewel alle rappers zeiden ‘wij zijn rappers, geen dichters’ en alle dichters zeiden ‘wij zijn dichters, geen rappers,’ schreven de kranten dat er sprake zou zijn van iets nieuws. Want dat verkoopt nu eenmaal. En schijnbaar had al die media-aandacht tot gevolg dat De Arbeiderspers dacht: ‘De grote leugen blijkt te verkopen. Laten we het succes nog verder uitmelken.’ En zie daar,

Double Talk Too rolde van de persen. Met ditmaal drie gedichten en verder enkel rapteksten. Ondanks het lovende voorwoord van Komrij, die nooit dat voorwoord geschreven zou hebben als hij op de hoogte was geweest van de volledige inhoud van Double Talk Too, een boek dat al snel in de ramsj belandde, en terecht: het aantal typeen grammatica-fouten is zo hemeltergend groot dat zelfs een basisscholier er zich voor zou schamen.
Maar het onheil was geschied: het onderwijzend personeel, altijd op zoek naar literatuur die hun leerlingen zou kunnen aanspreken, had zich massaal door de media laten voorliegen en ging in vele gevallen over tot het behandelen van rapteksten binnen de schaarse tijd die het huidig onderwijs besteedt aan Nederlandstalige literatuur. Als dat zou plaatsvinden binnen het muziekonderricht zou ik er geen bezwaar tegen hebben: Nederlandstalige rapteksten zijn muziekteksten. Maar door de idiote rap-fixatie geraakte de aandacht voor oorspronkelijke poëzie nog verder in het verdomhoekje.
Er wordt gesteld dat rappers in tegenstelling tot dichters aandacht besteden aan prostitutie, criminaliteit, betonnen buitenwijken, werkloosheid, racisme en dergelijke.
Het doet me verdriet dit te lezen in een Rotterdams literair blad, waar al in de jaren dertig het arbeiders/ schrijvers-collectief ‘Links Richten’ zich met dergelijke zaken bezig hield. Maar ook nadien hebben talloze dichters, ook op rauwe, directe manieren, zich met deze onderwerpen beziggehouden: Jan Arends, Gust Gils, J.A. Deelder, Piet Gerbrandy, Bart Chabot, Tom Lanoye, Arjan Witte, Menno Wigman, Ruben van Gogh en vele, vele anderen.
Het is jammer en ook dwaas dat de schrijfsters van ‘Rappoëzie redt de dichtkunst’ geen andere bronnen hebben geraadpleegd dan de bronnen die ze aanvoeren. Want daardoor schetsen ze een te eenzijdig beeld van wat werkelijk gaande is en negeren daarbij de dichters die zich door middel van het geven van boeiende optredens en het schrijven van sterke gedichten inzetten voor de verbreding en popularisering van de poëzie. Bertolt Brecht schreef eens: ‘Die Befreiung der Arbeiterklasse kann nur das Werk der Arbeiter sein.’ Dit geldt ook voor de poëzie: alleen dichters kunnen deze redden.
Bart FM Droog
Groningen
Bart FM Droog (1966) is dichter. Met Tjitse Hofman oprichter van De Dichters uit Epibreren en het poëzietijdschrift De Rottend Staal Nieuwsbrief (1995). In 1998 verscheen zijn debuutbundel Deze dagen (Passage). In het najaar van 2000 verschijnt zijn volgende bundel Benzine bij Passage. Werkt momenteel aan Dichters 1900/2000, een encyclopedie over Nederlandstalige dichters uit de 20ste eeuw.
