Er klinkt snoeiharde gabber uit de speakers van de autoradio. Het bandje van Sjaak. BOEM BOEM BOEM BOEM. Een beat die je tot diep in je donder voelt dreunen. Geen slappe zooi. Geen kankertroep van de radio. Geen softies. Pure Rotterdamse hardcore
‘Mijn voet slaapt,’ zegt Freek. Zijn rode petje staat achterstevoren op z'n kop. Hij draagt een blauwe zonnebril. Tussen zijn lippen bungelt een nieuwe sigaret. ‘Ik heb godverdomme zin om het fuckin' gaspedaal in te duwen tot we niet meer harder kunnen.’
We rijden met een slakkengang van negentig per uur. Freeks linkerhand ligt krampachtig op het stuur. Zijn rechter grijpt naar de aansteker die op het dashboard ligt.
‘Dan hou je je maar fuckin' in,’ zeg ik. Ik zweet me kapot. Het is verdomd heet in de auto en we hebben geen airco. Airco is voor mietjes en rijke klootzakken. En ik hou niet van mietjes en rijke klootzakken. Ik draai het raampje open, maar de lucht die naar binnen stroomt brengt nauwelijks verkoeling. Alleen ons bier is koel. Dat moet wel. Bier dat niet koud is, is als een wijf dat niet heet is. Niets lekkers aan. Sjaak heeft speciaal een koelbox meegebracht. Geleend van z'n moeder. Mietje.
‘Get ready for this! Klote politie!’ schreeuw ik boven de muziek uit. ‘Klote politici, we zijn jullie toch te slim af!’
We zijn bijna bij de laatste stop. Het verzamelpunt. Als we eenmaal over de grens zijn, staat niets ons meer in de weg. Het is peanuts. Een abc'tje. Antwerpen-Brussel-Charleroi. The road to hell. En niemand houdt ons tegen.
In de achteruitkijkspiegel zitten nog steeds onze volgauto's. Zes stuks. We zijn met bijna dertig man. Ik drink mijn bier op, druk het blikje plat en smijt het over mijn schouder naar achteren. Sjaak vangt het lege blikje op, pakt een volle uit de koelbox op de hoedenplank en geeft het aan mij. ‘En toch vertrouw ik ze voor geen meter,’ zegt Sjaak. ‘Klote joden.’
‘Je moet je smoel houden,’ roep ik.
‘Ja,’ zegt Freek. Hij zet de muziek zachter om zichzelf verstaanbaar te maken. ‘Je moet je smoel houden. Anders douwen we een honkbalknuppel in je reet.’
‘Die met spijkers erin,’ zeg ik.
‘En toch zijn het joden.’
‘Yeah,’ geeuwt Remco langzaam. ‘Joden.’ Hij zit met gesloten ogen op de achterbank, suf van het bier en de zon. Die heeft straks een snuif nodig, denk ik. Of een pil. Ik draai de volumeknop weer open. ‘Het is niet ver meer.’ Mijn stem gaat verloren in de dreunende beats.
Ik hou van alles wat hard is. En wat harder is. Gabber en death metal. Natural born killers. American psycho. Kooigevechten op leven en dood. Mortal combat. Van Freek heb ik videobanden met beelden van het Heizeldrama en de slag bij Beverwijk. Hardcore reality TV. Ik heb het EQ van een bevroren kikker. En ik voel me prima.
Sjaak maakt op de motorkap van onze auto twee lijntjes voor Remco - het enige waar een clubcard goed voor is. We staan op een parkeerterrein zonder benzinestation, patatkraam of telefooncel. Bankjes en prullenbakken, dat is alles. Ik werp de lege blikjes die ik van de achterbank heb verzameld in de dichtstbijzijnde afvalbak. Eromheen gonzen wespen. Geen afvalbak zonder wespen. Kankerbeesten.
Een paar van onze jongens staan te dansen op een houten bankje, dat onder het gewicht begint te kraken. Freek controleert of zijn videocamera werkt. Hij is vastbesloten om in Charleroi te gaan filmen. Helden van de hooligans. Opnames die we later kunnen kopiëren en doorverkopen. Als hij maar zorgt dat onze smoelen niet op de band komen te staan.
Sjaak en ik zitten op een stoeprandje te roken. De houten bank is inmiddels gesloopt. In mijn ooghoek zie ik Remco over de motorkap buigen. Freek komt naast ons zitten en zet z'n camera op de grond. ‘Het wordt een mooie dag,’ zegt Freek. ‘We gaan geschiedenis maken. Overal zullen supporters jaloers zijn op onze organisatie. Ze zullen respect hebben en ons aanvaarden als de hardste en meest meedogenloze.’ Hij pauzeert even om een sigaret op te steken en kijkt daarna op zijn horloge. ‘Er is tijd genoeg. Heb je nog meer spul bij je?’
Sjaak knikt. Met z'n drieën gaan we terug naar de auto.
Zeg me niet dat ik dom ben. Want ik ben slim. Ik vind dat het leven zo makkelijk mogelijk geleefd moet worden. Noem het dom - ik weet wel beter. Slim en dom liggen dichter bij elkaar dan je denkt. De IQ-schaal is circulair. Iemand met een IQ van veertig of honderdnegentig; beiden zijn freaks.
Ik bén een freak. Ik ben cool. Ik ben wreed. Ik ben tof. Ik ben super. Ik ben wild. Ik ben gaaf. Ik ben extreem. Ik ben een bikkel. Ik ben een peer. Ik ben een bom. Ik ben een copkiller. Ik ben...
Voetbal is oorlog. En niet alleen voetbal. Alles is oorlog. Makkelijker kan niet. Iedereen in elkaar rammen die niet bij jouw groep hoort. Dat deden Freek en ik vroeger al en dat doen we nog steeds.
Don't fuck with us, kankermietjes! Zo'n gezicht probeer ik te trekken. Er is zojuist een groep hooligans op de parkeerplaats gearriveerd. Hun auto's staan een eindje verderop. Sommigen van hen staan bier te drinken, anderen roken of trappen blikjes heen en weer. Een jongen die staat te pissen wordt door een ander in zijn knieholte getrapt en valt bijna voorover in zijn eigen zeik.
Twee mannen komen langzaam onze richting op. De rechter waggelt als een sumoworstelaar. Zijn hoofd lijkt op dat van een schildpad. Hij draagt aan elke vinger een ring. Ook een manier om stoer te lijken. Als we handen schudden knijpt hij de mijne haast fijn. ‘PSV Oostfront.’
‘Tukker Terror,’ zegt de ander. Zijn gezicht is hol en zijn ogen liggen diep in de kassen. ‘Zijn we al compleet?’
‘Nee,’ antwoordt Freek. ‘We moeten nog wachten.’
Sjaak geeft de schildpad, die met zijn vette vingers een sjekkie heeft gedraaid, een vuurtje. Ook Freek neemt een sigaret. En ik. En Sjaak zelf. De Tukker niet, want hij rookt niet.
Uit de broekzak van Freek klinkt een lullig geluidje. Z'n gsm. Kloteding. Hij peutert de telefoon uit de zak van zijn spijkerbroek en laat daarbij z'n sigaret vallen. ‘Godverdomme.’ Terwijl Freek de telefoon inschakelt, pakt de Tukker de sigaret van de grond en geeft 'm terug. Aan de andere kant van de lijn wordt kort iets gezegd. Voordat Freek kan antwoorden, is de verbinding verbroken. ‘Berend,’ zegt hij met de telefoon nog aan z'n oor. ‘Het was Berend.’
‘Wie is Berend?’ vraagt Sjaak.
‘Een Ajacied met de neus van Harry Mulisch,’ zeg ik.
‘Ik háát Ajacieden,’ klinkt de stem van Remco achter ons. Hij staat te pissen tegen de afvalbak waarin ik de bierblikjes gedumpt heb. Met één hand maakt hij slaande bewegingen naar de wespen.
‘Ik haat Harry Mulisch,’ mompel ik.
‘Wie is Harry Mulisch?’ vraagt Sjaak.
Freek bergt z'n telefoon op en zegt: ‘Over tien minuten is hij hier. Met de F-side en de Hagenezen.’
Remco ritst zijn broek dicht. ‘Waarom rammen we ze niet in elkaar?’ roept hij. ‘Dan moeten ze maar op tijd zijn. Het blijven joden.’
‘Klote joden,’ zegt Sjaak.
Voetbal is oorlog. In het veld, op de tribune, om het stadion, op straat, in het café. Overal. En overal staan kerels. Behalve op het veld. Daar lopen wat nichterige middenvelders, eer schele keeper en een mongoloïde tweeling. Hockeymietjes met een IQ van veertig. Losers. Logisch dat die niet winnen. Het was duidelijk dat we het zelf moesten doen.
Om plannen te maken spraken Berend en ik af in een kroeg in Leiden, midden tussen Amsterdam en Rotterdam. Ideetje van Berend. Slecht ideetje. Het café zat bomvol met kutstudenten, het irritantste volkje van Nederland. Zuipen met een aardappel in je keel. En intussen denken dat je cool bent. Ik kon me nauwelijks bedwingen om er eentje aan zijn stropdas mee naar buiten te sleuren en flink in elkaar te rammen.
To the point. 17 juni. Duitsland-Engeland in Charleroi. Een mooiere gelegenheid bestond er niet. Bad meets bad meets bad. We zouden onze clubliefde opzij zetten. Oorlog moest er komen. Creëer een gemeenschappelijke vijand en je hebt een leger. The Dutch Army.
Alles werd perfect geregeld. Geen aankondigingen via Internet. Gecodeerde e-mails. We maakten afspraken met Belgische, Engelse en Duitse supporters om elkaar buiten Charleroi te ontmoeten. Dan hadden we zo min mogelijk last van de politie. Berend zou zelfs voor Belgische kentekens zorgen, zodat onze auto's over de grens niet zouden opvallen.
‘Je bent een extreme lul,’ brul ik door de auto heen. ‘Een extreme hardcore teringlul.’
‘Ja,’ roept Freek. Hij heeft vergeten de muziek aan te zetten. Zijn handen knijpen hard in het stuur. ‘Je bent een extreme hardcore teringlul.’
Het is even stil achterin. Ik pak een sigaret en zoek tussen de bandjes op het dashboard naar een aansteker.
‘We zijn losers,’ klaagt Freek. ‘Enorme losers. En heel Europa zal ons uitlachen.’
‘Geen gezeik,’ zegt Remco. ‘Sjezen, man. Sjezen!’
‘Ik kan verdomme niet harder.’ Freeks stem klinkt schor. We zoeven over de snelweg. Honderdveertig op de linkerbaan.
‘Heb je echt geen verbanddoos?’ vraagt Remco. Dat heeft hij al bijna tien keer gevraagd.
‘Nee,’ schreeuw ik. Dat gezeik. ‘ik heb de hele kankerzooi hier doorzocht. Geen verbanddoos. Denk je trouwens dat een pleistertje zou helpen?’ Ik kijk even achterom. Nee. Ik denk niet dat een pleistertje zou helpen.
Onze jongens stonden strak van de pillen te wachten bij hun auto's. De irritaties liepen steeds meer op. Zeker toen bleek dat de Ajacieden te weinig nummerplaten bij zich hadden. Maar ze waren godverdomme wel zo link geweest om hun eigen platen bij een vorige stop alvast te verwisselen.
We stonden te overleggen met de leiders van Ajax, ADO Den Haag, NAC, Twente en PSV. Opeens kwam Sjaak aanstormen. ‘Klote joden,’ schreeuwde hij. ‘Jullie zijn nooit te vertrouwen.’ Hij liep op Berend af en sloeg hem een bloedneus. ‘Moeilijk te missen,’ grinnikte hij.
Een andere Ajacied sprong vooruit en trapte Sjaak in zijn maag en tegen zijn hoofd. Dat was het startsein voor chaos. De schildpad raakte de Ajacied zo hard in het gezicht dat het bloed van z'n wenkbrauw spatte. Twee jongens met petten van de New York Yankees maakten boksbewegingen naar de schildpad. ‘Kom dan, klootzak,’ riepen ze. ‘Vuile klootzak.’ Remco had een honkbalknuppel uit de auto gehaald. Freek pakte zijn camera en probeerde van een afstandje te filmen.
Ik sprong op het dak van een auto en wilde de groep kalmeren. Maar hoe? Van alle kanten kwamen hooligans aanrennen. Voordat ik iets kon zeggen stond er iemand met een afgebroken plank van het gemolde bankje naast de auto. ‘Hoerenjong,’ riep hij. ‘Kom van m'n wagen af, kutlul! Tiefushond!’
Hij zwaaide met het stuk hout en sloeg tegen mijn schenen. Ik smakte voorover, rolde over de motorkap en viel op de grond. Ik bleef even liggen om rond te kijken. Door een paar supporters werd gevochten. De rest stond wat te schelden en te duwen. Remco tikte hier en daar met zijn honkbalknuppel autoruiten in. Ik werd overeind getrokken door dezelfde jongen. Op z'n borst hing een kettinkje met hakenkruis. ‘Weet jij wie Harry Mulisch is?’ vroeg ik. Hij keek mij even verbaasd aan. Ik gaf hem meteen een kopstoot en wist daarna zijn arm op zijn rug te draaien. Met mijn rechtervuist beukte ik in zijn onderrug. Hij schreeuw-de en liet de plank vallen. ‘Ik maak je helemaal af,’ fluisterde ik in zijn oor. ‘Ik sla je nieren kapot.’
Bij elke slag kermde hij harder. Of zachter. Ik weet het niet meer. ‘In het ziekenhuis mag je naast Bart de Graaf liggen.’ Hij kon er niet om lachen. Tiefushond.
Ik liet de nazi los en rookte leunend tegen een lantarenpaal een sigaret. De afvalbak bij het gesloopte bankje stond in de fik. Een langsrennende gozer sloeg ik vol in zijn bakkes.
Hij ging meteen neer. Sukkel. Het was de Tukker. ‘Sorry,’ mompelde ik. Ik wierp mijn peuk in z'n gezicht en stak een nieuwe op.
Plotseling stond Freek naast me. Met één'arm ondersteunde hij Sjaak. Aan de andere arm hing zijn videocamera. ‘We moeten weg,’ zei hij. Op dat moment zakte Sjaak in elkaar.
‘Bloedt hij nog?’ vraag ik aan Remco.
‘Ja, hij bloedt nog.’
Sjaak zit met ontbloot bovenlijf op de achterbank. Hij heeft z'n ogen dicht. Remco houdt z'n hand onafgebroken tegen de wond op de rechterzij van Sjaak. Het bloed sijpelt tussen zijn vingers door en loopt in straaltjes over de rug van zijn hand. Ik heb trek in bier, maar de koelbox ligt achterin en Remco wil hem niet geven. Hij moet het bloeden stelpen. Klootzak.
Freek zet muziek op. Gabber. Nog steeds hetzelfde bandje. ‘Wat zeggen we eigenlijk bij het ziekenhuis?’ vraagt hij. ‘Slachtoffer van straatgeweld?’
‘Maak er zinloos geweld van. Die term kennen ze goed.’
‘Bestaat dat, zinloos geweld?’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Geweld is zinvol. Je merkt dat je leeft. Behalve na afloop, soms.’
‘Leeft hij eigenlijk nog?’
Remco drukt zijn oor tegen Sjaaks borst en luistert. ‘Hij leeft nog,’ zegt hij. ‘Ik hoor: boemboemboem.’
‘Ik hoor het ook,’ zegt Freek. ‘Tweehonderd slagen per minuut. Boemboemboem.’ Met zijn vuist ramt hij in het ritme van de muziek op het stuur.
‘Rij nou maar door, lul,’ roept Remco. ‘Er ligt hier iemand dood te gaan.’
Freek duwt het gaspedaal nog verder in. ‘Het is niet voor niets geweest,’ zegt hij. ‘Ik heb prachtige opnames gemaakt. De steekpartij met Sjaak staat er ook op.’
‘Mooi,’ zeg ik. ‘Die dader pakken we nog wel eens. Net als de Duitsers en Engelsen. Het EK is nog niet voorbij.’
Steven Verhelst