
Vlucht AF2450 bestemming Tahiti. Nog voor we van het vliegveld Charles de Gaulle zijn opgestegen heb ik al het standaard vakantierepertoire uitgewisseld met mijn buurman. En er staat ons nog een vlucht van ruim 22 uur te wachten.
‘Dus u gaat naar het eiland H***? Dan zult u monsieur Cantona wel tegen het lijf lopen. Een opmerkelijk persoon, monsieur Cantona. De voetballer, ja. Maar nu schijnt hij zich teruggetrokken te hebben op zijn eiland. Hij schildert, hij denkt, en hij schrijft. En verdomd goed, wordt beweerd. Het gerucht gaat dat hij onderdak verschaft aan een heel legertje volgelingen. Ik weet het niet, ik woon op Tahiti en daar doen de vreemdste verhalen de ronde. Niemand weet er het fijne van; H*** ligt nog een heel eind van Tahiti af, toch zeker 1300 kilometer. Vergis u niet. Radio Cocotier hè, zo noemen we dat, de geruchtenmachine.’
Ik ben op weg naar Frans Polynesië om oude vrienden te bezoeken. Jaren geleden, in mijn jongere en meer kwetsbare jaren, om met Scott Fitzgerald te spreken, ben ik ooit op Tahiti verzeild geraakt en er ‘geadopteerd’ door een Tahitiaanse familie. Sindsdien keer ik geregeld terug om telkens andere eilanden in de buurt te bezoeken. Deze keer heb ik mijn zinnen gezet op het eiland H***. Alleen maar omdat het zo ver weg ligt en omdat het zoveel moeite kost om er te komen. Ik wist niet dat het de verblijfplaats is van de nog jonge voetballegende Eric Cantona.
Alles wat ik van Eric Cantona weet is dat-ie zijn voetballoopbaan begon bij Auxerre, dat-ie er met ruzie wegging (ik herinner me een vuistgevecht met zijn eigen keeper), dat-ie het ook bij Marseille te bont maakte, en bij Montpellier en bij Nimes. Als hij het voor de zoveelste keer aan de stok heeft gekregen met het tuchtcollege van de Franse voetbalbond (hij schreeuwt ‘Idioot!’ in het gezicht van ieder lid van het college) maakt-ie bekend de voetballerij voor gezien te houden. Hij is dan 24. In 1992 echter hijst hij zich in het tenue van Leeds United en maakt die club in een paar maanden tijd kampioen van Engeland, voor het eerst in zeventien jaar. Het volgende jaar vertrekt hij plotseling naar Manchester United, om die club kampioen te maken, voor het eerst in 26 jaar. Hij zal daarna nog twee keer kampioen worden met Manchester United. En twee FA-cups winnen.
Maar meer dan deze successen herinner ik mij zijn talent zichzelf te verliezen. In onbezonnen schoonheid, maar ook in onbezonnen agressie. Zoals toen hij in januari 1995 tegen Crystal Palace weer eens uit het veld wordt gestuurd en door iemand uit het publiek wordt toegeschreeuwd. Iets weinig complimenteus over zijn moeder, meen ik. Hij antwoordt, stijlvol in alles, met een sierlijke karatetrap over het McDonalds-reclamebord. Cantona wordt voor acht maanden geschorst. In 1997, twee kampioenschappen later, kondigt Cantona opnieuw aan met voetballen te stoppen. Hij is dan 30 jaar. ‘Na dertien jaar profvoetbal, en dat is lang, wil ik andere dingen gaan doen. Ik wil meer tijd besteden aan schilderen, filosofie en poëzie.’ Hij laat de voetbalwereld, collega's, supporters en journalisten verbijsterd achter. Het management van Manchester United wil het niet geloven en blijft hem nog geruime tijd zijn salaris van 15.000 pond per week betalen, in de hoop of overtuiging dat Cantona wel op zijn besluit zal terugkomen. Van de periode daarna ken ik Cantona alleen nog van een ijstheereclame.
De schoener die mij naar H*** zal brengen ligt achteraan de kade van het vervallen havengebied Motu Uta, de volstrekt ontropische industriële blindedarm van Papeete. In het kantoortje van de rederij leg ik de Chinese bedrijfsleider uit dat ik een lift wil naar H***.
‘Onmogelijk. Le branche d'or is een vrachtschip, we vervoeren geen toeristen.’
‘Dan ga ik mee als werknemer. Ik kan sjouwen, ik kan koken.’
‘Onzin. Een popaa kan niet sjouwen en een kok hebben we al.’
Geen doorkomen aan. Als het niet op eigen kracht lukt, dan maar met wat hulp van je vrienden. Achteloos laat ik de naam van mijn Tahitiaanse adoptiefamilie vallen.
Nadat alle formaliteiten zijn afgehandeld wil de Chinese bedrijfsleider me iets laten zien. Trots neemt hij me mee naar wat hij noemt de ‘directieverblijven’ in deze bouwvallige keet. Nee, de directeur is er eigenlijk nooit, de Chinese bedrijfsleider bestiert de hele rederij eigenlijk zo'n beetje in z'n eentje. Waarom sluipen we dan samen zo stiekem de trap op? De houten trap kraakt dat het een aard heeft. Aan de halfvergane groene verflaag te oordelen is er in geen dertig jaar onderhoud aan gepleegd. Ook het ‘directieverblijf’ is een armoedig hok met schrootjes aan de muur en aftands meubilair. Maar daar gaat het de bedrijfsleider niet om. Hij gaat naast een schilderij staan en kijkt mij verwachtingsvol aan. Alsof-ie niet zelf naar het schilderij durft te kijken.
‘Dat heeft hij aan de directeur gegeven toen hij een jaar geleden hier was,’ zegt hij en er klinkt een trots in zijn stem die niet past bij zijn schroomvolle houding. Hij staat erbij alsof-ie ieder moment door de op het schilderij afgebeelde paarden in zijn rug gebeten kan worden. Cavaliers sur la plage staat er linksonder in sierlijke letters. Geen naam.
‘Wie heeft dat gegeven?’
‘Ericantona, Ericantona,’ antwoordt hij ongeduldig. Ik heb het gevoel dat de Chinese bedrijfsleider mij zo snel mogelijk weer de directiekamer uit wil hebben.
‘Eric Cantona? Heeft die dat geschilderd? Wat is dat voor een man?’
‘Een voetballer.’
‘Ja, dat weet ik nog wel.’
‘De man is een wonder. Hij is een afgezant van het mededogen, van de wetenschap, de vooruitgang en weet ik allemaal meer,’ fluistert de bedrijfsleider gehaast. ‘Er zijn zelfs schrijvers die dat beweren.’
Hij verlaat de kamer zonder zich om te draaien. Volgens mij heeft hij niet één keer naar het schilderij opgekeken.
‘Die paarden op het strand, is dat het strand van H***?’ vraag ik terwijl we de trap afkraken. Maar hij is in gedachten verzonken en geeft geen antwoord. Als hij beneden zijn kantoortje binnenstapt, ga ik door de voordeur naar buiten.
Klinknagels. Het ruim van de Branche d'or ligt vol met kratten klinknagels. Ik zit met voorman Maiti tegen zo'n krat aan. We drinken Hinano bier en roken een jointje. We zijn vier dagen op zee. Nog vier dagen, nog vier van die lamlendige dagen en dan ben ik op H***. Je kunt ook stellen: nog vier dagen en dan ben ik op het eiland van Cantona. Want meer en meer lijkt niet H*** maar Cantona mijn reisdoel te zijn.
Telkens als de Branche d'or H*** aandoet, zoekt Maiti Cantona op. Ze kennen elkaar goed.
‘Zo kun je dat niet stellen. Hij kent mij niet. Een keer per maand leveren wij spullen af op H***, dat betekent dat ik hem zo'n achttien keer heb ontmoet. Toch zal hij mij niet herkennen, hij weet niet wie ik ben.’
‘Maar je praat toch met hem; hij-’
‘Je praat niet met hem, je luistert naar hem. Deze man heeft mijn geest verruimd, Richard. We spreken over van alles. Nachten lang heeft hij me uit mijn slaap gehouden. Zoals hij kan praten over de liefde. Nee nee, niet zoals je denkt. Ik bedoel over de liefde in het algemeen.’
En op de zesde dag, de witte Branche d'or verloren in een blauwe windstille wereld, het donkerblauw van de rimpelloze Stille Zuidzee en de onwerkelijke oneindige lichtblauwe lucht, als we staan te vissen op het achterdek, zegt Maiti: ‘Nooit meer zal ik een man ontmoeten zoals hij. Zijn verzen! Je zou zijn verzen moeten horen. Même quand ils se sentent romains / C'est au temps de la décadence / Ils grattent leur mémoire à deux mains / Ne parlent plus qu'à leur silence / Et / Ils ne veulent plus se faire aimer / Pour cause de trop peu d'importance / Ils sont désespérés / Mais avec élégance. Normaalgesproken kan ik nog geen boodschappenbriefje onthouden, maar je ziet: dit ken ik uit mijn hoofd. Zoals hij het voordraagt hoef je het maar één keer te horen. Men beweert dat hij zijn verzen ter plekke bedenkt, dat hij in contact staat met zijn onderbewuste. Het is een genie, Richard. Een waarachtig universeel genie.’
En ik ga dat genie ontmoeten. Langzaam kruip ik naderbij. Deze hele plas, uitgestrekt als cellofaan, ligt er om afstand te bewaren tussen Cantona en de zogenaamde ‘beschaafde wereld’. En ik kruip naderbij. Die nacht fluistert Cantona het zelfs tegen me in mijn slaap. ‘Als een slak over de scherpe rand van het scheermes, zo kruip jij naderbij.’
De laatste stop voordat we H*** zullen bereiken, is het eiland T***. Een miserabel atol dat met hevige droogte kampt. Pallets vol bier en bronwater worden uitgeladen, alleen de kratten klinknagels blijven in het ruim achter. Het laden en lossen duurt ongeveer drie uur, dus ik heb alle tijd om T*** te verkennen. Het zoveelste inwisselbare zuidzeedorpje: pastelgetinte huisjes met golfplaten daken in keurig aangeharkte tuintjes met visnetten die te drogen hangen, een hagelwit kerkje, een Chinese winkel van sinkel annex kantine. Dan op één huisje een knoert van een antenne. Ik kijk de jongen die in de tuin met houten planken in de weer is vragend aan terwijl ik wijs naar de antenne. ‘E aha t'ou huru te mea... mea...’ Tja, wat is antenne in het
Tahitiaans? Atete dus. De jongen nodigt me uit en binnen zie ik een radiozendstation.
‘Ik praat met zeelui. Vooral yachties die van de Galapagos komen op weg naar Tahiti.’ Hij zet een paar apparaten aan en meteen begint het te kraken. De jongen draait aan een knop; door het gekraak heen hoor ik een stem. De jongen draait aan een andere knop en het gekraak trekt langzaam weg. Een hese, mompelende mannenstem blijft over: ‘This is Martine, FO Zero MB (..) Onetahi atoll (...) I'm from all over. (...) I'm from Omaha.’
De jongen draait aan weer een andere knop en lacht. ‘Stil. Mamu. Moet je nu opletten.’
Ils sentent la pente plus glissante / Qu'au temps où leur corps était mince / Lisent dans les yeux des ravissantes / Que cinquante ans c'est la province / Et / Ils brûlent leur jeunesse mourante / Mais ils font ceux qui s'en dispensent / Ils sont désespérés / Mais avec élégance.
‘Maar dat is Eric Cantona!’ roep ik uit. De jongen lacht. Ik ben als een kind zo blij. Ik heb de neiging om ik weet niet wat te doen. Wat een stem! Wat klinkt hij helder door, wat spreekt hij trefzeker, ieder woord draagt zijn eigen intrinsieke kleur.
En het gaat maar door: Ils sortent pour traverser des bars / Où ils sont déjà les plus vieux / Ils éclaboussent de pourboires / Quelques barmans silencieux / Et / Grignotent des banalités / Avec des vieilles en puissance / Ils sont désespérés / Mais avec élégance.
We luisteren ademloos, die jongen en ik. Soms kijken we elkaar aan en lachen de gelukzalige lach van de uitverkorenen. Als Cantona even stilvalt herhaalt de jongen een strofe. Ik merk dat ik het gedicht zo kan meedreunen. Het is waar wat Maiti beweert: de voordracht van Cantona hamert zich vast in je hoofd.
Ik heb de boot gemist. Godverdomme! Ik zat zo gekluisterd aan de radiozender dat ik helemaal de tijd vergat. De Branche d'or is zonder mij vertrokken. Maar we hebben de achtervolging ingezet. Ik zit nu als een enorme joker in de speedboot van de dominee van T***. Uit nijd heb ik zojuist mijn sneakers overboord gegooid. Alsof de boot missen niet gênant genoeg is zit ik nu met blote voeten naast de van oorsprong Schotse dominee.
‘U hoeft u niet te schamen,’ schreeuwt hij boven het lawaai van de wind en de motor uit: ‘Ik verlies ook alle besef van tijd als ik naar monsieur Cantona luister. Ach, die man is zo wijs. De diabolische liefde en de bovennatuurlijke haat, hij kent ze. Wat weten wij nou van goed en van kwaad? Maar hij! Ik heb hem nooit in levende lijve ontmoet, ik benijd u echt, maar zijn lezingen zijn van een duizelingwekkende diepte. Ook heb ik thuis een geschrift van hem. Een tijdschift in Europa... een voetbaltijdschrift of een literair tijdschrift... ik weet het niet.. ik kende het niet... had hem gevraagd een verhandeling te schrijven over de toekomst van het strandvoetbal. Per toeval heb ik het geschrift onderschept... ik had het nooit voor mezelf mogen houden en nu is het te laat om nog door te sturen. De welsprekendheid, het zinderde van de welsprekendheid. Zeventien dichtbeschreven bladzijden. Geschreven door een uitheemse grootheid die gedreven wordt door een verheven zachtmoedigheid!’ Het is moeilijk tegen de wind in oreren.
‘En dat alles in een artikel over strandvoetbal?’ vraag ik, niet eens ongelovig.
‘U kent hem niet. Als u straks op H*** bent, ziet u het met eigen ogen: de man is een godheid daar! Kent u die Liptonice-reclame waarin hij een waterpolowedstrijd onderbreekt, over het water loopt en met een verwoestend schot scoort? Wel, ik heb mij laten vertellen dat daar geen trucages aan te pas zijn gekomen. Die man is een godheid!’
Ik weet even niets meer te zeggen. In de verte zie ik de Branche d'or.
H***. Ik ben er, ik heb het gered. Ik werd vanochtend wakker van de vogelgeluiden, sloeg het blauwe dekzeil open en zag het weelderige groen van de bergen van H***. Na acht dagen onafgebroken oneindigheid was het heerlijk om even geen horizon meer te zien. Ik haalde diep adem en genoot van de groene muur voor mij. Dus dit was H***, dit was Cantona-eiland.
Maiti heeft nog geen tijd om mij naar Cantona te brengen. Eerst moeten de kratten klinknagels gelost en de maandoogst copra van H*** ingeladen worden. Ik laat mij met een bootje aan land afzetten voor een eerste glimp van het dorpje. Voor de vakantie, nog in Nederland, had ik me verheugd op dit moment: mijn eerste indrukken van H***. Nu loop ik hier rond uit tijdverdrijf. Vanmiddag pas neemt Maiti me mee naar het hoogplateau, naar het afgelegen domein van Eric Cantona.
In het dorp zoek ik naar aanwijzingen, voorboden. In de Chinese winkel hangt een schilderij van hem: le sorcier. Een maohi gekleed als middeleeuwse magiër met een rode cape, achter
hem in de bush twee smoezende vrouwen, aan zijn voeten een duivels hondje en een onduidelijk type vogel, iets tussen een pauw en een raaf. De eigenaar van de winkel laat me een uit een schoolschrift gescheurd velletje papier zien. Ils se répètent tous les matins / Que si un jour les cocufiés / Voulaient tous se donner la main / Nul ne pourrait plus se moucher / Et / Croire que l'on chante et murmurer / Ils courent après la cadence / Ils sont désespérés / Mais avec élégance. Ik herken het handschrift van de titels op zijn schilderijen.
‘Doet hij bij u zijn boodschappen?’
‘Hij komt niet zelf naar beneden. Hij stuurt zijn kinderen naar het dorp. Nee, niet zijn echte kinderen, maar zijn leerlingen. In het begin kwam hij hier wel eens. Hij speelde graag strandvoetbal. Dan ging hier de winkel dicht, de nonnen sloten de school en iedereen ging naar het strand om hem te zien strandvoetballen.’
‘Waarom is hij ermee opgehouden?’
‘Daar moeten we niet over praten, meneer. Dat weet alleen Ericantona zelf.’
Het ‘postkantoor’ is een stenen gebouwtje van drie bij drie meter en wordt gerund door de burgemeester van H***.
‘Praat hij weleens over politiek met u?’
‘Hij zou een groot politicus zijn, er huist een Man van de Eeuw in hem. Altijd aan de kant van het volk hè. En een extremist. O la la. Links of rechts? Doet er niet toe; een extremist tout court. Wat hij ook aanpakt, hij blinkt erin uit, begrijpt u wel? Als voetballer was hij een te fel schijnende ster voor de Franse equipe. De bondscoach vond hem te goed voor zijn elftal. Met één zo'n grote voetballer zou hij zijn equipe nooit in evenwicht krijgen, zo groot was hij. Maar ik verzeker u: mocht hij sterven, dan zal hij helemaal niet als voetballer worden herinnerd. Zelfs niet als schilder, hoewel hij volgens mij de grootste schilder van zijn tijd is. Het is een dichter meneer: Ils savent qu'ils ont toujours eu peur / Ils savent leur poids de lâcheté / Ils peuvent se passer de bonheur / Ils savent ne plus se pardonner / Et / Ils n'ont plus grand-chose à rêver / Mais ils écoutent leur coeur qui danse / Ils sont désespérés / Mais avec espérance. En zulke dingen bedenkt hij spontaan. Hij heeft het me zelf gezegd, hij zei: “Ik voel mij aangetrokken door alles wat spontaan is. Ik houd niet van het reviserende soort. Wie te veel corrigeert, is bang voor kritiek. Ik schrijf zoals een goed voetballer voetbalt. Alleen wat direct in mij opkomt mag één seconde leven.”’
Maiti heeft een auto met vierwielaandrijving geleend en we rijden over de slingerende zandweg door de bergen van H***. Achterin zit een lifter, een van Cantona's volgelingen. Het is een jonge maohi, gespierd en getatoeëerd. Hij vertelt over de voorraad voetballen die vorige maand door de Branche d'or waren afgeleverd, ‘Iedereen dacht dat er weer gevoetbald zou mogen worden in het kamp. We waren door het dolle heen want we hadden al meer dan een jaar geen bal gezien. Sommigen begonnen al met de voorbereidingen, er werden doelen getimmerd, de vrouwen bereidden een feestmaal voor. Plotseling kwam Ericantona zijn hut uitgerend. Naakt en onder de verfspetters. Hij rende op de zak met voetballen af, sleurde deze achter zich aan en stak toen bal na bal op een van de spietsen van de omheining. Daar zitten ze nu nog, lekgespietst om ons te herinneren aan onze zwakte.’
‘Wat doen jullie dan de hele tijd?’ vraag ik na een tijdje, terwijl het beeld van de gespietste voetballen maar niet uit mijn gedachten verdwijnt.
‘'s Ochtends werken we allemaal en 's middags geeft Ericantona ons acteerlessen. Hij heeft in films gespeeld, weet je. In Le bonheur est dans le pré en in Mookie. Hij geeft ons lessen in “methode-acteren”, wat dat ook mag betekenen, want ik zie geen methode. Nog een bergkam voorbij en dan zijn we er.’
Ik krijg het er koud van. We zijn nog maar een paar minuten verwijderd van Eric Cantona. Ik luister nog maar met een half oor waar Maiti en de jongen het over hebben.
‘Hij wil binnenkort zelf een film maken, hier op H***.’ - Ik zie een rookpluim Ik ben aan het eindpunt van deze reis.
‘Wat wordt het voor een film? Actie, romantiek, drama?’ - Ik hoor honden blaffen. Hij weet nu dat we er aan komen.
‘Nee, horror. Horror.’
Fragmenten van E. Cantona, J. Brel, J. Conrad

Richard Dekker