Gymnastiek op de middelbare school heb ik altijd gemeden. Hoe kon je die zakkenwasser van een gymdocent ernstig nemen? Zo'n morsige kloothommel in een hemd met gelige kringen en een fluitje om zijn nek, dat er ranzig uitzag van het mondvet. Die cocksucker maande ons een keer tot het doen van een godvergeten shuttlerun-test, wat zoveel betekende als het heen en weer rennen in de gymzaal binnen twee piepgeluiden die op een cassettebandje werden afgespeeld. Tussen de twee tonen hoorde je ‘The walk of life’ van Dire Straits en om de zoveel tonen klonk de stem van Jan-Douwe Kroeske die aangaf hoeveel keer je gerend had. Één keer de zaal heen en weer telde voor één. Voor meisjes lag het gemiddelde ergens rond de vijf, voor jongens rond de zeven. Het was een soort afvalrace, de tijd tussen de piepjes werd steeds korter. Je moest dus steeds sneller gaan rennen. Ikzelf strandde al bij viereneenhalf en meldde me met piepende adem bij de gymdocent, waarna achter mijn naam een ‘O’ van Onvoldoende werd gezet. Dat was iets om trots op te zijn, zeker als je de ietwat zwakbegaafde uitslovers zag die tot het uiterste gingen en pas ergens rond de elf stopten en met een paars aangelopen hoofd hijgerig ‘Yes!’ riepen en een vuist maakten naar hun vriendjes met een blik van: ‘Het is me gelukt!’ Ik heb het bij deze asshole van een leraar nog zover geschopt dat ik een vier op mijn rapport kreeg voor lichamelijke opvoeding.
De zon staat laag, de straat dampt van de hitte. Ik hoor geen geraas van auto's, geen geschreeuw van kinderen, geen gerinkel van de tram. Het is helemaal leeg op straat; dit is dus Euro 2000. Het voelt of ik de enige ben na een atoomoorlog.
De mensen zitten binnen achter hun dichtgeschoven gordijnen, vanwege het licht dat op hun televisietoestel viel. Uit sommige open vensters hoor je de panische stem van de commentator.
Ik loop in het midden van de Weesperstraat; ik balanceer op de witte strepen. Ik weet dat er geen auto aan zal komen rijden. Iedereen kijkt naar de wedstrijd op televisie. Ik ben de enige, de enige voetbalhater van Amsterdam. Als er meer zijn, dan houden ze zich angstvallig verborgen. Ik hoor het doffe geluid van de wedstrijd op televisie. De lucht is smogachtig. De Rembrandttoren in de verte is gehuld in slierten bruingele nevel. Het zweet druipt in grote druppels langs mijn slapen. Ik heb dorst, maar alle cafés zijn gesloten. Ik sla de Sarphatistraat in en loop richting Weteringcircuit. Op de stoep ligt een zwart-witte kater in de schaduw, zijn tong hangt uit zijn bek. Ik aai het beest. Dit is mijn compagnon, mijn lotgenoot. Ik aai het dier achter zijn oren. Hij spint. Ik loop verder.
Als ik ter hoogte van het Amstelhotel ben, zie ik dat aan de kade zowaar een café open is. Het terras is bijna leeg, er zit welgeteld één persoon. Een type met felblond haar en donkere kleding. De lage zon weerkaatst op zijn kapsel. Ik loop naar het terras, dat nu gehuld is in een mediterraan aandoend, zwoel schemerlicht. Ik knijp mijn ogen toe als ik, hevig zwetend, naar het tafeltje loop waar het figuur zit. Hij merkt me niet op, hij zit als in trance op zijn stoel, zijn ogen gesloten, genietend van de zon.
Ik tik de man aan. Hij trilt met zijn gezicht, knippert met zijn ogen en kijkt verward om zich heen.
‘Hallo,’ zeg ik.
‘Euh... Hallo?’ Hij houdt zijn hand boven zijn ogen om niet in de broeierige zon te kijken.
‘Vind je het erg als ik naast je kom zitten?’
‘Nee, Jezus... ik dacht dat niemand op straat was.’
‘Nee, ik bedoel, ja... shit, dat dacht ik ook.’
‘Niet dus.’
‘Nee.’
Ik schuif een stoel van het tafeltje weg en neem plaats. ‘Is eh, is er iemand daarbinnen?’ Ik richt mijn duim naar de fel reflecterende glazen deuren van het café.
‘Het is zelfbediening.’
‘Zelfbediening?’
‘Ja, de café-eigenaar heeft zijn tap voor bezoekers openstaan. Er staat een blikje op de bar waar je je geld in kan doen.’
‘Waarom?’
‘Inkomsten.’
‘Waarom zit dit café niet vol met voetbalfans?’
‘Heb je dan niet gehoord van dat verbod?’
‘Welk verbod?’
‘Een straatverbod.’
‘Hoezo?’
‘In verband met Euro 2000. Er geldt een straatverbod. De wedstrijd van vandaag mocht alleen binnenshuis bekeken worden. In verband met rellen enzo.’
‘Nee, nee... dat wist ik niet, man.’
‘Ben je weggeweest ofzo? Heb je geen kranten gelezen? Het werd sinds eergisteren overal aangekondigd.’
‘Och,’ ik schud mijn kop. ‘Ik heb sinds eergisteren mijn televisie en radio uitgelaten. Ik heb met opzet geen krant gelezen. Ik werd helemaal krankzinnig van dat Euro 2000.’
Hij knikt en lijkt na te denken. ‘Wil je iets drinken?’
‘Ja... Drinken, dat is oké, nu. Is daarbinnen een tap open?’
‘Yep.’
Ik sta op van mijn stoel en wandel door de schuifdeuren naar binnen. Het is donker in de zaak. Ik knipper met mijn ogen en loop op de tap af. Ik hoor uit een deur achterin de zaak het getetter van een commentaarstem. Ik pak een glas van de bar en houd deze onder de spuitmond. Ik haal de hendel over. De tap ejaculeert. Mijn glas vult zich. Ik kijk om me heen. Niets of niemand controleert of ik geld in dat bakje zal leggen, dus waarom zou ik betalen? Ik kijk nogmaals om me heen en wandel weer naar de schuifdeuren.
‘Betaalt u... alstublieft,’ hoor ik een doffe, krassende stem zeggen.
Ik kijk geschrokken om me heen, maar zie niemand.
‘Het is maar drie gulden... betaalt u, alstublieft.’
‘Eh, ja, ja, natuurlijk,’ mompel ik en zet het glas weer op de bar, en haal mijn warme portemonnee uit mijn broekzak. Ik graai er drie guldens uit en laat deze hard in het blikje kletteren.
‘Ik bedoel, het is toch redelijk,’ gaat de stem verder. De stem komt uit de ruimte achter de deur, achterin het café. Ik pak mijn glas en loop voorzichtig in de richting van de deur. ‘U mag hier eigenlijk helemaal niet zijn, in dit café, er geldt een straatverbod, dat weet u. Ik geef u de gelegenheid om toch een koud pilsje te drinken op het terras, dan is het toch redelijk dat u betaalt?’
‘Ik heb betaald,’ zeg ik vertwijfeld en wijs met mijn duim naar het blikje.
‘Goed.’
‘Wat doet u daar?’ vraag ik.
‘De wedstrijd kijken, natuurlijk.’
‘Welke wedstrijd is het?’
Een pauze. ‘Van welke planeet kom jij?’
‘...’
‘Nederland-Duitsland.’
‘O?’ Ik blijf voor de gesloten deur staan.
‘Ik wil verder kijken, dus gaat u alstublieft zitten op het terras. Er is daar nog iemand, geloof ik. De tap is open voor jullie, als jullie maar betalen... alstublieft.’
‘Ja, natuurlijk,’ zeg ik zachtjes en draai me weer om en loop het café uit. In de opening van de schuifdeuren blijf ik staan. De blonde man op het terras heeft nu een zwarte zonnebril opgezet, zo een die Madonna vroeger ook droeg. Hij leunt met zijn hoofd naar achteren.
‘Shit,’ zeg ik zuchtend. ‘Wat is er in godsnaam aan de hand? Wat gebeurt er in deze stad?’
De man draait zijn gezicht naar me toe. ‘Dingen. Er gebeuren dingen in deze stad, niets meer.’
‘En wat voor 'n dingen,’ mompel ik en ga op een stoel naast hem zitten. Ik neem een slok van mijn bier. ‘Waarom ben jij niet thuis om die wedstrijd te kijken?’
‘Ik houd niet van voetbal. Nooit gedaan, trouwens.’
‘Wow, ik ook niet.’
Hij lacht. ‘Ik ben Jacques.’ Hij steekt zijn hand uit.
‘Thomas,’ zeg ik en schud de hand.
‘Thomas, wij zijn waarschijnlijk de enige twee bewoners van deze stad die niet van voetbal houden.’
‘Denk je? Er kunnen toch ook mensen naar een dorp in Frankrijk zijn afgereisd, om van de ellende af te zijn. Dat ze daar nu wijn drinken.’
Jacques gaat met zijn tong langs zijn tanden. ‘Wijn, een goede witte, koele wijn, dat zou nou niet gek zijn.’
‘Nee,’ zeg ik, ‘maar die heeft onze kelner geloof ik niet.’
‘Nee.’ Hij glimlacht. Door die zonnebril kan ik niet zien of hij me nou aankijkt of dat hij langs me kijkt. ‘Zou je dat willen, nu? In een Frans dorp witte wijn drinken?’
‘Ach, nou ja, ik zei maar wat. Ik bedoelde het als voorbeeld.’
‘Ik zou best in een Frans dorp willen zitten, nu.’ Jacques schudt zijn hoofd stellig. ‘Niet gek, zo'n Frans dorp in de Provence. En dan Jacques Brel op de achtergrond, de instrumentale versie van Rogier van Otterloo.’
‘O ja?’
‘Ja, dat lijkt me prachtig. Waar zou jij nou willen zitten? Welk lied zou jij willen horen nu?’
‘Weet ik veel,’ zeg ik zuchtend. ‘Iets van Lou Reed ofzo?’
‘Lou Reed?’ Jacques trekt een vies gezicht. ‘Lou Reed?’
‘Ja, of iets anders,’ zeg ik, mijn schouders ophalend. Ik drink mijn glas leeg.
‘Wat is het nou, Lou Reed of iets anders?’
‘Wat maakt het uit, man?’ kreun ik en zie mijzelf reflecteren in die inktzwarte zonnebril. ‘Wat maakt het nou uit wat voor 'n liedje ik nou zou willen horen?’
‘Een heleboel. Noem eens wat.’
‘Ach, iets van Echo & The Bunnymen ofzo.’
‘De ouwe of de nieuwe? Jaren tachtig of jaren negentig?’
‘Jezus, man. Waar gáát dit over?’
‘Noem nou eens wat,’ sist hij. Hij lijkt echt kwaad te worden. ‘Welk lied? Wat voor 'n soort lied? Snel? Vrolijk? Doomy? Bombastisch? Swingend? Noem op z'n minst een album: Ocean Rain? Ballyhoo? Crocodiles?’
‘Waarom wil je dat weten?’ vraag ik geïrriteerd, op een hoge toon. Ik kijk naar zijn gezicht. De slapen zwellen op. Hij duwt zijn kaken stevig op elkaar. ‘Oké, oké.’ Ik wuif mijn hand slapjes in de lucht. ‘Goed, jij je zin. Ik zou wel “I want to be there” willen horen, van het album Evergreen.’
Stilte. Zijn gezicht lijkt te ontspannen. ‘Ken ik niet. Maar goed dat je het genoemd hebt.’
‘Waarom wilde je dat per se weten?’ vraag ik.
Hij zucht en gaat rechtop zitten. ‘Dat hele voetbal is toch ook maar een spelletje? Ik wilde gewoon dezelfde spanning voelen als voetbalfans. De wie-gaat-er-winnen-spanning.’
‘Aha,’ zeg ik quasi-begrijpend. ‘Wat doe jij? Ik bedoel: wat ben jij van beroep?’
‘Wasmachinemonteur.’
‘O?’
‘Tja. Niet zo spannend. Maar daarnaast speel ik in een band.’
‘Een band?’
‘Een coverband.’
‘Wat coveren jullie?’
‘We zijn een Duran Duran tribute band.’
‘Waarom zit je hier, Jacques?’
‘Nou,’ hij frommelt aan de knoop van zijn overhemd. ‘We zouden eigenlijk op een feest spelen op een plein. Maar in verband met dat straatverbod is het afgelast.’
‘Shit voor je,’ zeg ik niet-gemeend.
‘En nou zit ik hier op dit terras te fantaseren dat ik Nick Rhodes ben.’
‘Nick Rhodes?’
‘De toetsenist van Duran Duran.’
‘Speel je keyboard?’
‘Ik leek het meest van de jongens uit de band op Nick Rhodes. Dus ik moest wel. Eigenlijk speel ik bongo's.’
‘Bongo's?’
‘Ja, bongo's,’ klinkt het wat verloren. Hij speelt zenuwachtig met de knoop, zijn kin op zijn borst. ‘En jij?’
‘Ik?’
‘Ja?’
‘Je geloof't niet, maar ik, eh, ik schrijf verhalen.’
‘Echt waar?’
Ik knik.
‘Gaaf...’ zegt Jacques wazig en staart naar het water.
‘Waar fantaseerde je over, Jacques? Voordat ik kwam, zeg maar?’
‘Ik, eh... dit is heel gênant, maar ik zeg het toch... Ik fantaseerde dat Nederland kampioen werd vandaag, en dat er dan toch feest kwam en dat ik dan mocht spelen. Op de Dam.’ Hij glundert terwijl hij praat.
‘Welk liedje, Jacques?’
‘“Union Of The Snake”, ken je dat?’
‘Nee, ik denk het niet.’
Hij verheft zijn stem en zingt: ‘The union of the snake is on the grind...’
Ik lach.
‘Ik hoop dat Nederland wint, Thomas. Ik hoop dat Nederland echt wint zodat ik misschien op de Dam mag spelen.’
‘Als Volumia er niet speelt.’
‘Ja, of nog erger, De Kast.’
We lachen. ‘Misschien wint Duitsland wel,’ zeg ik met vurige hoop in mijn stem.
‘Jaaah!’ roept Jacques euforisch, ‘laten we hopen dat de Duitsers winnen... De Apocalyps... Dat alles dan een grote “Wild Boys” - videoclip wordt...’
‘Ja, zoiets ja,’ mompel ik.
Jacques grijnst strak. ‘Laat ze bloeden, onze jongens.’
‘Inderdaad, Jacques. Laat ze kapot vallen, onze jongens.’
‘Nederland-Duitsland: 0-10. Of nee, 0-13.’
Thomas van Aalten