
Onze cultuur wordt meer en meer een toeschouwerscultuur. Het verenigingsleven en de politiek in Nederland kwijnen weg, omdat steeds minder mensen deelnemen aan activiteiten. Zij kijken alleen nog toe. Als we niet noodzakelijk andere dingen hoeven te doen, kijken we het liefst naar de televisie hoe anderen zich vermaken, anderen afmaken of desnoods zich vervelen. In het echte leven nemen we die houding over en zijn we ook dan het liefst toeschouwer. We blijven staan als er ergens brand is of er een verkeersongeluk is gebeurd. En we kijken toe als mensen op straat worden doodgeschopt. Want we kunnen niet anders meer.
Het publiek heeft steeds minder nodig om geboeid te worden, want het toe-schouwen gaat steeds beter. Sinds kort is een keerpunt bereikt. Het blijkt mogelijk een miljoenenpubliek wekenlang naar helemaal niets te laten kijken. Een aantal doorsneemensen werden bij elkaar in een prefab bungalow in Almere gezet en gefilmd. Er gebeurde daar niets wat iedere Nederlander niet ook in zijn gezin in levende lijve kan zien. En toch bleef het publiek aan de buis gekluisterd; een ware verdwijntruc.
Behalve de televisie is het de (top)-sport die ons van deelnemers aan het volle leven tot toeschouwers heeft gemaakt. Sport is een vorm van (zelf)-kastijding die via de publieke martelpraktijken in de Middeleeuwen, zijn oorsprong vindt in de amfitheaters van Rome. Het is een cultureel residu uit barbaarser tijden. Het civilisatieproces heeft de inhoud van de evenementen aangepast aan onze tijd, maar het publiek bleef hetzelfde. Luister maar naar de spreekkoren op voetbaltribunes of kijk naar de stammenoorlogen van de supportersgroepen. Het publiek kijkt toe hoe anderen gelukkig of ongelukkig worden; de essentie van theater en kijksporten. Een doelpunt in een voetbalwedstrijd is een pseudogebeurtenis en van geen belang buiten het speelveld. Wat de eindstand van een wedstrijd of een competitie ook mag zijn; in feite is er helemaal niets gebeurd.
Natuurlijk is de zinloosheid van sport tevens een pluspunt. Dat heeft het dan ook met theater en literatuur gemeen. Sport vergroot het spelelement in onze

steeds zakelijker wordende samenleving en is om die reden toch weer broodnodig. Want zijn het niet juist de speelse, ongedwongen zaken die het leven de moeite waard maken. Ongezond eten. Reizen zonder dat je ergens heen hoeft. Seks zonder je voort te planten. Vraag maar eens aan een stel dat een jaar of vijf zonder succes probeert een kind te verwekken of het nog een aangenaam seksleven leidt.
Buiten spelen en activiteiten zoals lopen (in welk tempo dan ook), fietsen, zwemmen, zeilen, vliegeren, e.d., zijn in principe even gezonde bezigheden als het bedrijven van seks en verfrissend voor lichaam en geest. Bovendien krijgen ze een aangenaam sociaal aspect wanneer ze beoefend worden met één of meer partners. Maar het wordt bedenkelijk als er toeschouwers bij deze activiteiten aanwezig zijn die niet meedoen met het spel, maar zich louter vermaken met andermans opwinding en inspanning. Het zich verlustigen aan het vloeien van andermans lichaamssappen is niet netjes. Het is niet voor niets dat seks, evenals medische ingrepen en toiletbezoek voor beschaafde mensen achter gesloten deuren plaatsvinden.
Spel mag dan een waardevol bestanddeel van onze beschaving zijn; sport is de perverse vorm van spel, zoals porno de geperverteerde vorm van seks is. Opwinding in plaats van passie; dwangmatigheid in plaats van speelsheid.
Vanwege de lethargische werking van sport op de mens is het treurigmakend dat er in het Nederlandse taalgebied schrijvers zijn die sport en met name voetbal een warm hart toedragen. Dat cabaretiers als Freek de Jonge en Youp van 't Hek openlijk voor hun voetballiefde uitkomen is desnoods te vergoelijken met de constatering dat deze grappenmakers leven van hun toeschouwers. Net als topsporters zijn zij afhankelijk van een betalend, maar passief publiek. Dat er echter schrijvers zijn die belangstelling tonen voor voetbal en dat er een literair tijdschrift bestaat dat aandacht aan voetbal schenkt, is ontluisterend. Topsport en literatuur zijn namelijk fundamenteel verschillend in hun relatie tot het

publiek. Terwijl topsport alleen kan bestaan bij de gratie van een inactief publiek, bestaat literatuur alleen bij de activiteit van de lezer. In de literatuur bestaan er geen toeschouwers, alleen maar deelnemers. Lezen is namelijk deelnemen aan literatuur. En eenmaal gelezen neemt literatuur deel aan iemands leven.
Zo niet sport. Sport zou alleen nog getolereerd mogen worden als het in besloten kring plaatsvindt en argeloze passanten, zeker minderjarigen, er niet ongevraagd geconfronteerd mee kunnen worden. Sportevenementen kunnen misschien nooit helemaal verboden worden, maar wel kunnen toeschouwers geweerd worden. Voetbalwedstrijden in ere- en eerste divisie moeten dan voortaan zonder publiek gespeeld worden. Televisie en gedrukte media mogen alleen nog maar de uitslagen van wedstrijden bekend maken, hooguit wedstrijdverslagen bieden, maar geen beelden meer tonen. Geen daden, maar woorden. Sportprogramma's op televisie moeten achter een decoder en alleen laat op de avond te zien zijn. De sportbijlagen van kranten moeten afgeschaft worden.
Oftewel, we moeten geen toeschouwer zijn bij andermans sportwedstrijden, maar zelf gaan spelen. Niet via de webcam het dagelijks leven van vreemden gadeslaan, maar zelf dagelijks leven. Geen pornovideo's bekijken, maar aan seks doen. Niet naar grappenmakers luisteren, maar zelf grappen maken. Weer deelnemer worden.
Thijs Kramer