Praten met Pauline Slot (1960) is als het lezen van haar tweede boek, Blauwbaard. Je voelt dat er van alles onder de enigszins koele oppervlakte zit. Maar ze blijft afstand bewaren, schreef het vakblad voor lezeressen Libelle begin dit jaar (8-2000). Het interview sprak boekdelen:
‘Een belangrijk thema in Blauwbaard is het verzwijgen van gebeurtenissen in de familie. Is dat een confrontatie met je eigen jeugd?’
Slot (aarzelend): ‘Ik kom uit een keurig gezin.’
‘Een warm nest?’
Slot: ‘Eh...’
‘In Zuiderkruis en Blauwbaard komen vreselijke moeders voor. Onbereikbaar, manipulerend, afstandelijk,’ prikkelde het vakblad voor gevorderde lezeressen Opzij in februari.
Slot: ‘zijn fantasiemoeders [...] die pakten nu eenmaal zo uit.’
Het vakblad voor elegante lezeressen Elegance in maart:
‘Wanneer haar [...] gevraagd wordt naar het gezin waaruit ze komt, doet Slot haar achternaam even eer aan. Vriendelijk maar beslist stelt ze de onwetendheid van lezers omtrent haar achtergronden zo te willen houden.’
Slot is gesloten, kun je veilig stellen. Geen zuiderkruisverhoor of blauwbaard kan haar ertoe bewegen iets over haar achtergronden te onthullen. Toch vindt zij de vraag naar haar particuliere leven relevant. In het vakblad voor gevorderde lezeressen en beginnende schrijfsters Surplus (14-2-2000) verklaarde zij althans:
‘Een goede biografie kan de weg naar het werk van de schrijver zijn. Mensen willen op een gegeven moment meer weten van de schrijver.’
Maar waarom zwijgt zij dan? Verlegenheid? Schaamte? Angst? Paniek? Waarvoor? Waardoor? Haar jeugd? Slecht? Te vreselijk voor
woorden? Vragen, vragen, vragen. Die Slot bijkans voor retorisch houdt. Maar dat is uitgesloten.
‘Pauline Slot promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam op retorische vragen in discussies. Zij publiceerde daarnaast over indirect taalgebruik, ironie en schrijfonderwijs.’
Dit staat te lezen op het achterplat van haar eerste boek, dat niet, zoals Libelle abusievelijk suggereerde de debuutroman Zuiderkruis is, maar een verhandeling over retorische vragen in alledaags taalgebruik, getiteld: Vroeg ik jou wat?
Vroeg ik jou wat? verscheen in 1995 bij uitgeverij Contact, die het als volgt aanprees:
‘Aan de hand van voorbeelden uit kranten, tijdschriften, films, poëzie, comedyseries en discussieprogramma's wordt de werking van retorische vragen van alle kanten belicht.’
Interessant. Want alleen al de krant die je leest zegt veel over wie je bent, nietwaar. Slot leest: De Volkskrant, het NRC Handelsblad, The Times en The Guardian. Maar ook De Telegraaf.
Tijdschriften: Elsevier, Vrij Nederland, Opzij, Rails, de VPRO-gids, de Nieuwe Revu en Privé.
Verknipt? Laten we het er maar op houden dat Slot een brede belangstelling heeft.
Dit blijkt ook uit de overige bronnen, waarvan de meest in het oog springende ‘mijn Canadese vriendin’ is. Het voorbeeld:
‘Mijn Canadese vriendin vond de volgende Nederlandse uitdrukking bijzonder onsmakelijk, omdat zij het beeld aanvankelijk heel letterlijk voor zich zag: “Ze zitten op dat kantoor de hele dag uit hun neus te eten.” Ik zag op mijn beurt een walgelijk tafereel voor mij toen ik voor het eerst de volgende uitdrukking hoorde: “Now the shit will hit the fan!”’
Leuk, een schuine bak. Maar: géén retorische vraag. Ook de andere voorbeelden in Vroeg ik jou wat? wijken opvallend af van het eigenlijke onderwerp. Een voorbeeld:
‘Ronduit onlogisch zou het zijn dat eenoudergezinnen wel mogen adopteren, maar homoseksuele paren niet. Immers, wat hebben twee adoptieouders van hetzelfde geslacht nu juist gemeen met eenoudergezinnen?’
Dit voorbeeld bevat weliswaar een retorische vraag, maar het is toch in de eerste plaats een stelling waarvan de ínhoud de aandacht trekt en niet de vorm. Als voorbeeld is het daarom ongeschikt. Nog zo'n misser:
‘Is de minister even bezorgd over de identiteitscrisis van een homoseksueel kind dat in een heteroseksueel gezin is geplaatst?’
Een bezorgde minister, homoseksuele kinderen met identiteitsproblemen, een heteroseksueel gezin... Wie heeft er nog oog voor een retorische vraag? De vraag die zich hier opdringt is: Waarom kiest een taalkundige zulke controversiële voorbeelden?
Ik heb hier over nagedacht en ben tot de volgende theorie gekomen: (1) Slot is zélf een homoseksueel kind in een heteroseksueel gezin geweest. (2) Is hierdoor in een identiteitscrisis geraakt. (3) Is hier zo goed en zo kwaad als het ging uitgehaald door haar Canadese vriendin. (4) Vierde haar coming-out in dit boek. (5) En tot slot: het verleden blijft pijnlijk en kan maar het beste opgeborgen blijven in een schimmig bovenkamertje. Maar nadere bestudering van Vroeg ik jou wat? zal ongetwijfeld nog van alles aan het licht brengen. Omdat Slots linguïstische werk even weinig met de taal van doen heeft als haar romans met literatuur?
Frans H. Venema