terug  begin  verderprepost
[p. 24]origineel

Grieten & Zeebrasem
Een fragment uit de roman Passie en Lef

Het schemerde al toen ik café Annie binnenkwam. Het was zaterdag en dan was het er altijd druk. Vaste klanten waren er dan minder. Op zaterdagavond rook het een beetje naar overmoed, verbeelding en wansmaak en daar hielden de meeste vaste klanten niet van.

Henkie Toupet en lamme Frans waren er wel, die waren er altijd.

Harm zat achterin aan een tafeltje met twee jonge vrouwen te praten. Ik bleef van een afstand staan kijken hoe hij dat deed. Hij was goed met vrouwen. Ik begreep vaak niet hoe hij dat allemaal voor elkaar kreeg. Waarschijnlijk kende hij de vrouwen niet en was hij er gewoon bij gaan zitten. Hij was daar beter in dan ik.

Zo te zien was hij goed op dreef. Wat hij vertelde was blijkbaar erg grappig, want de vrouwen sloegen zich op de knieën van plezier. Ik wist niet waar hij het over had.

Misschien vertelde hij weer eens het verhaal over Napels, waar hij een autoradio gekocht dacht te hebben, maar bij aankomst in het hotel een steen aantrof in een keurig verpakte doos. Waarna hij de rosse buurt in was getrokken en in bed belandde met een prostituee die hem almaar vroeg haar via de achterdeur te nemen. Waarop hij zei dat hij liever de vooringang nam. Waarna bleek dat die er niet was. Het was een verhaal dat het altijd goed deed, vooral als het laat was en iedereen wat had gedronken. En het was duidelijk dat de vrouwen al wat op hadden.

Een van hen liet twee keer achter elkaar haar sigaret vallen en moest ook daar weer vreselijk om lachen. De andere vrouw steunde op Harms arm.

Ik liep naar de tafel. Ook Harm had al het een en ander gedronken. Voordat ik iets kon zeggen, sloeg hij zijn armen om mij heen en kuste mij op beide wangen. Daarna stelde hij mij voor aan de vrouwen.

De vrouw die zojuist twee keer haar sigaret had laten vallen, heette Katja. De andere vrouw stelde zich voor met Trees. Ik ging zitten en keek Katja aan. Ze glimlachte en ik glimlachte terug.

‘Eigenlijk heet ik Katharina,’ zei ze, ‘maar dat klinkt zo truttig.’

‘Maarten,’ zei ik, ‘verder niets, alleen maar Maarten.’

‘Jij bent die schrijver hè?’ zei ze, ‘Harm heeft mij verteld dat je een geweldig boek hebt geschreven.’

Ik knikte om aan te geven dat ik die schrijver was.

‘Je lijkt me enorm depressief, maar dat hoort natuurlijk zo als je schrijver bent.’

Ik wist niet wat ik daar op moest zeggen.

Er klonk applaus. Lamme Frans was op de bar geklommen en zong uit volle borst een lied over een vader die er hevig aan twijfelde of zijn zoon nu van hem was of door de melkboer was verwekt. Het moest een bekend lied zijn, het hele café brulde het refrein mee. Want telkens als ik naar mijn jongen kijk/word ik door twijfel overmand/dat hoofd, het is een baviaan gelijk/voorwaar, het is een rare klant. Trees had bier besteld en wilde een toost uitbrengen op de vriendschap.

Frans, enigszins overmoedig geworden door het plotselinge succes, wilde een tweede lied inzetten, maar werd door de barman vriendelijk doch beslist naar zijn kruk verwezen. ‘Mensen, verbeeld je maar niks, het kan zo weer over zijn,’ zei hij en begon daarna op verongelijkte toon voor zich uit te mompelen. Katja lachte weer naar mij. Ik probeerde terug te lachen, maar ik geloof niet dat ik daar goed in slaagde.

‘Niet zo treuren hoor,’ zei ze, ‘treuren is voor tante Geepie.’

Ik vroeg wie tante Geepie was.

‘Nou, dat weet ik niet, maar dat zegt mijn tante altijd, treuren is voor tante Geepie.’

‘Heet je tante zo?’ vroeg ik.

‘Hoe bedoel je?’



illustratie

[p. 25]origineel

‘Heet je tante Geepie?’

Ze proestte het uit. ‘Nee joh, gekkie. Ik weet niet waar het vandaan komt. Misschien was het iemand uit de buurt die altijd treurig was en Geepie heette.’

Ik knikte maar weer eens. Dat deed ik meestal als ik niet wist wat ik moest zeggen. Wie knikte zat bijna altijd goed, kon in ieder geval weinig fout doen.

‘Ik heb honger,’ zei ze en keek mij aan alsof ze verwachtte dat ik direct op zou staan om iets te eten te halen. Ik zei dat ik ook wel wat lustte en dat ik een goed visrestaurant wist waar ze 's nachts heerlijke schotels serveerden.

‘Zie je wel dat je vrolijk kunt zijn,’ zei ze en kneep in mijn arm.

‘Ik ben niet vrolijk,’ zei ik, ‘maar ik wil wel wat eten.’

‘Wie wil eten is vrolijk,’ besloot ze en trok haar jas aan. Harm en Trees waren druk in gesprek geraakt en gingen niet mee. Katja en Trees smoesden nog enkele onverstaanbare zinnen en kusten elkaar daarna op de mond.

‘Nou doei,’ riep Katja nog toen we al bijna bij de uitgang van het café waren. Buiten gaf ze mij een arm en zei: ‘Zeg jij maar hoe we moeten lopen.’

Het viel mij nu pas op hoe elegant ze was. En hoe lang, ze stak minstens een kop boven mij uit. Haar benen waren mij bij elke pas net iets voor, zodat ik moeite had haar bij te houden.

‘Wie had dat gedacht, dat ik nog eens op stap zou gaan met een schrijver,’ zei ze toen we al een paar minuten zwijgend naast elkaar hadden gelopen.

‘Zo bijzonder is dat niet,’ antwoordde ik, ‘je zal zien dat er nauwelijks verschil is tussen mij en een slager of een, eh, timmerman.’ Ergens hoopte ik dat ze dat verschil wel zou zien, maar dat zei ik niet.

Katja lachte naar mij en kneep weer in mijn arm. ‘Je bent een fantast, tenminste dat hoop ik,’ zei ze.

‘Waarom hoop je dat?’

‘Omdat ik van fantasten hou. Het leven is al saai genoeg zoals het is.’

‘Dat is waar,’ zei ik en maakte een soort dubbele pas om haar bij te houden.

‘Het moet natuurlijk niet te ver gaan met die fantasie,’ ging ze verder.

Ik vroeg haar of het wel eens te ver was gegaan.

Ze keek mij onderzoekend aan en zei toen: ‘Dat dacht ik wel, dat kan je wel zeggen ja. Ik heb eens twee jaar verkering gehad met iemand die zijn hele leven verzonnen had.’

Het klonk treurig, maar ik schoot in de lach. Ik kon er echt niets aan doen.

‘Het is helemaal niet zo leuk als je denkt,’ zei ze zonder boos te worden. ‘Het was heel triest, zijn hele leven was een leugen. Zijn baan, zijn achtergrond, familie, waar hij was opgegroeid, het was allemaal fantasie. Toen ik hem voor het eerst ontmoette had ik niets in de gaten. Dat was tijdens een feestje van een vriendin. Ik vond hem knap en vreselijk charmant, echt een man van de wereld. Hij kon overal over meepraten. Ik was meteen verkocht.

‘Later heb ik mij wel afgevraagd hoe het kon dat ik niets aan hem gemerkt heb, maar toen had ik niets in de gaten. In het begin vond ik het vreemd dat ik zijn familie nooit zag, maar op de een of andere manier raakte ik daaraan gewend. Dat kwam ook door de verklaringen die hij overal voor had. Zijn ouders waren gescheiden toen hij zelf nog heel jong was. Zijn vader was hertrouwd en woonde al vijftien jaar in Amerika. Met zijn moeder, die ook ergens in het buitenland woonde, had hij geen contact meer. Broers en zussen had hij niet, zei hij. Ik geloofde gewoon alles wat die man zei. En niet alleen ik, iedereen geloofde hem.

‘Met zijn werk was het net zo, hij kon het zo vertellen dat je er niet precies achter kwam wat hij deed, maar dat het ergens wel goed zat. Het was iets heel moeilijks,

illustratie

[p. 26]origineel

onderzoek naar ruimtevaart of zo. Met veel wiskunde. Daar had hij echt heel veel verstand van, want hij gaf regelmatig bijles aan kinderen van vrienden.

‘Het duurde wel een jaar voordat bepaalde dingen mij gingen opvallen. Zo kwamen we bijvoorbeeld nooit collega's tegen. Als ik daar over begon of bijvoorbeeld naar de naam van het bedrijf vroeg, kwam er altijd een vaag antwoord. Dan zei hij dat het geen echt bedrijf was, maar meer iets dat tussen een universiteit, de overheid en het bedrijfsleven in zat. Of hij zei: “Ach schat, het is werk, daar moet je niet over praten. Laten we in de stad gaan eten.” Dan streelde hij over mijn rug en kuste mij in mijn nek. Ook gaf hij vaak dure cadeaus. “Zomaar,” zei hij dan, “omdat ik van je hou.” Op zulke momenten werd ik helemaal week. Ja, hij wist beslist hoe je een vrouw moest inpakken.’

Ik meende een groot verlangen in haar stem te horen nu ze aan de liefkozingen van haar vroegere vriend dacht.

Het restaurant zat vol. Het was een geluk dat er net een tafeltje vrij kwam toen we binnenkwamen. De ober, een kleine magere man met een nerveus dribbelpasje, ruimde onze tafel af en zei dat hij zo terug kwam om de kaart te brengen.

‘Hoe ging het verder?’ vroeg ik.

Ze zuchtte diep, alsof ze eigenlijk geen zin had om er nog langer over te praten. ‘Op een dag kwam alles bij toeval uit. De auto waarmee hij naar zijn werk ging wilde niet starten en daarom ging hij met de trein. Ik zie hem nog lopen met zijn diplomatenkoffertje. Meestal stond ik voor het raam om hem uit te zwaaien. Trots als een pauw, niemand anders in de straat had een vriend die ruimtevaartonderzoek deed.

‘Die middag ging de telefoon. Iemand van de politie vertelde dat hij was aangereden in Scheveningen en naar het ziekenhuis in Den Haag was gebracht. Ik begreep het niet, in Scheveningen werd naar mijn weten geen onderzoek verricht naar ruimtevaart. Toen ik hem in het ziekenhuis opzocht, heeft hij mij alles verteld. Het diplomatenkoffertje waar hij 's morgens mee wegging was altijd leeg. Er was geen sprake van onderzoek of ruimtevaart. Hij kwam uit een rijke bankiersfamilie, ik zal de naam maar niet noemen. Hij kreeg een flinke maandelijkse toelage waar hij riant van kon leven.

Al twee jaar reed hij naar Scheveningen, daar had hij een hotelkamer gehuurd met uitzicht op zee. Ik geloof niet dat hij daar andere vrouwen ontving, daar was het hem niet om te doen. Hij zat daar gewoon hele dagen te lezen en 's middags maakte hij een wandeling langs het strand.’

‘Een verzonnen leven is beter dan geen leven,’ zei ik.

Ze ging er niet op in, maar zei: ‘Ik heb hem gezegd dat hij zijn spullen kon komen ophalen zodra hij weer op de been was. Dat ik iemand die zijn leven verzon niet kon vertrouwen en niet wist wat zijn gevoelens voor mij waren. Misschien waren die ook wel verzonnen.’

Ik had honger. De ober kwam naar onze tafel en zei dat alle menukaarten in gebruik waren. Hij begon uit zijn hoofd alle gerechten op te noemen. Dat was knap, want het waren er nogal wat. Het had alleen niet veel zin. Na een halve minuut waren we al weer vergeten met welke gerechten hij was begonnen. Daarom zei ik op een willekeurig moment: ‘Ja, doet u dat maar.’ Katja nam hetzelfde.

‘Twee maal griet met zuring,’ zei de ober terwijl hij de bestelling noteerde. ‘Wilt u er wijn bij?’

‘Doet u maar een fles witte wijn,’ zei ik, ‘er gaat niets boven een paar lekkere grieten en wijn.’ De ober moest hier niet om lachen. Of hij had de grap niet begrepen. Het was ook geen sterke grap.

Katja praatte honderduit, ze was echt op gang gekomen door dat rare liefdesverhaal.

illustratie

[p. 27]origineel

Ik vond het alleen jammer dat haar verhalen minder interessant werden. Ze vertelde nu over haar collega's op het werk.

Ze werkte bij een bank. Er was een collega die bijzonder in haar geïnteresseerd was. ‘Ik heb nu al een paar keer gezegd: “Stop met die attenties George, het wordt gênant,” maar hij luistert niet.’

Ik knikte. Ik had geen zin om te vragen wat voor attenties George voor haar meenam. Misschien hield ze er dan vanzelf over op.

‘Er wordt al achter mijn rug gepraat,’ zei Katja, ‘je weet hoe het gaat als je op een bank werkt.’

Ik wist niet hoe het ging als je op een bank werkte. Ik wilde het niet weten ook. De ober was mijn redding, ik zegende hem in stilte.

‘Twee maal griet met zuring, eet smakelijk.’

Het bleef nu een tijd stil. Ik wist niet meer wat ik moest zeggen, wilde ook liever niets meer zeggen.

Ik was een beetje treurig geworden. Ik wist niet precies waarom. Misschien had het verhaal over de man die zijn leven verzonnen had meer indruk op mij gemaakt dan ik wilde toegeven. Misschien was ik bang dat ik mijn eigen leven aan het verzinnen was. Ik wilde geen verzonnen leven.

Ik wilde op terrassen zitten in Parijs, in dure hotels logeren en elke avond snoek in roomsaus, tong met garnalen en trompets de la morte en gebakken zeebrasem in muscadet eten. En als ik genoeg had van Parijs, vloog ik naar Rome of Athene of New York. Ik wilde niet griet met zuring eten en naar mensen luisteren die over hun werk op een bank vertelden. Ik was bang dat ik al te vaak naar zulke verhalen geluisterd had en dat ik dat altijd zou blijven doen als ik niet snel zorgde dat mijn leven veranderde. Griet met zuring eten kon altijd nog.

‘Het punt is niet dat hij niet aantrekkelijk is om te zien,’ zei ze alsof ze nooit was opgehouden met praten. ‘Hij is gewoon niet van mijn niveau, snap je?’

Ik zei dat ik het snapte en probeerde mij iets bij haar niveau voor te stellen.

De ober kwam informeren of alles naar wens was. We bedankten hem, zeiden dat alles dik in orde was en dat we niets meer nodig hadden. Waarop hij ons weer bedankte en ons voor de tweede maal smakelijk eten wenste. Het was een nette ober.

Katja pakte mijn hand vast. ‘Jij bent meer van mijn niveau,’ zei ze.

Ik voelde mij ongelukkig en wilde naar huis. ‘Katja,’ zei ik, ‘ik heb geen niveau. Mijn niveau is zo laag, dat wil je niet weten. Het spijt me.’ Ik legde al het geld dat ik nog in mijn zak had op tafel en liep het restaurant uit.

 

Paul van der Schoor



illustratie

prepostterug  begin  verder