terug  begin  verderprepost
[p. 33]origineel

Poetry International 2000: Boris Ryzji

Boris Ryzji was de jongste gast op Poetry International 2000, het poëziefestival dat in juni plaatsvond in Rotterdam.

Ryzji (‘de Rooie’, in de zin van ‘roodharige’) werd in 1974 geboren aan gene zijde, maar woont sinds zijn zesde aan deze zijde van de Oeral. In Sverdlovsk: de belangrijkste Europees-Russische stad na Moskou en Sint-Petersburg. Tot aan de Russische revolutie heette het Jekaterinaburg. Officieel heet het sinds de perestrojka weer zo, maar Ryzji noemt het - althans in zijn gedichten - nog altijd Sverdlovsk. In de jaren negentig ontwikkelde Sverdlovsk / Jekaterinaburg zich tot een van de machtigste bases van ‘de maffia’.

Sverdlovsk is het milieu van de dichter Ryzji. De straat, een mannenwereld: drank en sigaretten, geweld en politie, gevangenissen en fabrieken. De enkele keer dat er aan vrouwen gerefereerd wordt, gebeurt dat meestal in bewoordingen als ‘de vrouw met wie ik niet geleefd heb’, of ‘Elja is gestorven’. Ryzji voelt zich ‘dichter en bandiet’ en wil dan ook ‘zingen als een dronken hoer’. Hij is een kind van de jaren tachtig, de jaren van ‘stilstand’, en ‘een soldaat van de perestrojka’: een verloren generatie bij uitstek.

 
De een slaat je nu op je bek,
 
de ander is pooier en clubbaas.
 
Idioten. Wat kan het me schelen.
 
Ik omarm jullie, kus jullie lippen.

Aan zulke ‘liefdesverklaringen’ voor de heffe - en voor Sverdlovsk, waar de dichter begraven wil worden - dankt Ryzji's poëzie een groot deel van haar kracht. Zijn schrille thematiek en woordkeus zijn verweven met zaken als lucht en licht, de kleur blauw, sneeuw, kuise liefde, intieme vriendschap (opvallend vaak worden vrienden bij naam genoemd), begrippen als ‘de onzen’ en zelfs ‘ziel’. In de pijn die de botsing tussen het rauwe leven en de zuivere geest veroorzaakt, heeft Ryzji zijn bijzondere toon gevonden.

 

Hans Boland

Zeven november
 
Er zal nooit iets anders zijn dan dit
 
ene lied, dat klinkt op schrale lippen.
 
Met een loodzwaar hoofd van alle meta-
 
fysica en metafysica's
 
zal ik sterven en daarna verrijzen.
 
Om de leraren te treiteren
 
zal ik mijn meest schaamteloze lied
 
zingen. Over plein en binnenplaats
 
zal het schallen, bandeloos en vrolijk,
 
zal het dansen als een dronken hoer.
 
 
 
Om de tijd terug te laten lopen,
 
het verleden weer te laten keren.
 
Buiten in mijn t-shirt. Niets dan vlaggen.
 
Pubers paffen achter de garage.
 
Uit een klein pakketje steekt het heft
 
van een mes van Finse makelij.
 
Dat gaat beter, zegt men, met een lied.
 
Schunnigheden gaan door stad en land.
 
Is dat lied niet wonderlijker, mooier,
 
vraag ik mij in het voorbijgaan af.
[p. 34]origineel
From Sverdlovsk with love
 
Paneuropese glans zullen de woorden
 
verwerven van een dichter uit Transazië;
 
ik zal het sprookjesachtige Sverdlovsk,
 
het schoolplein bij de staalfabriek vergeten.
 
Maar waar mijn botten ook zullen verstijven,
 
in Londens kilte, in Parijse hitte,
 
laat men dit beetje stof van mij begraven
 
tussen de naamlozen hier in Sverdlovsk.
 
Niet in een artistieke en opzichtige,
 
hoewel esthetisch best te pruimen pose,
 
maar samen met mijn maten op het kerkhof
 
met rozen en hun marmeren profielen.
 
Op blauwe sneeuwvelden, als vitriool,
 
met zesjes van de LTS gekomen,
 
zijn zij, soldaten van de perestrojka,
 
met koper in hun schedels hier gestruikeld.
 
Laat de sirenes van de staalfabriek
 
en van de kunstvezelfabriek maar loeien,
 
en laat de vrouw met wie ik niet geleefd heb
 
een sigaret opsteken, heel gewichtig,
 
en dit lichtblauwe fotoalbum inzien:
 
gezichten die zich warmen in de toekomst
 
en levend zijn, in dit lichtblauwe album -
 
het schuim der aarde, dichters en bandieten.
 
-
 
Ten eerste, ten tweede, ten vierde,
 
ten levende zelfs, de duivel
 
mag weten wat en waar iedereen is.
 
Wat de doden betreft is er trouwens
 
nauwelijks nieuws.
 
Ik zal alleen vragen, vermoeid:
 
Elja, ben je een wolk
 
of ben je geen wolk geworden?
 
Ik herinner me de middelbare school -
 
zou ik er niet een keer heengaan?
 
Ze hebben me er afgetrapt.
 
Ook jij bent er onvrijwillig vertrokken,
 
rechtstreeks van de witte treden
 
naar het rijk van de schimmen.
 
Ik huilde tranen met tuiten,
 
net als Jevgeni, de botterik.
 
In de ‘Oeral’ publiceerde ik
 
op rijm gezette smarten,
 
zodat allerlei mensen
 
zouden wenen en lezen.
 
Ik verkondigde ouwehoerend:
 
ziedaar, Elja is gestorven
 
midden in april.
 
Midden in april,
 
mijn verdriet, vergeef me
 
de verzen van een jongeling
 
en neem welwillend de volwassene,
 
de minder onoprechte,
 
waar je beter om kunt lachen,
 
en met meer cultuurweerklank.
 
De bomen staan zwart
 
op een fond van witte sneeuw.
 
-
[p. 35]origineel
 
Fier als guerrillero-bandieten
 
in het stoffige stadje N
 
binnentrekkend om bier te hijsen
 
en actrices te roven, recht
 
van de planken. Rechtvaardiging?
 
De rechtvaardiging is gelegen
 
in het anderhalve sonnet
 
op het hart, in de vonk, de gekte,
 
de pretentie. Vort, naar het hok,
 
epigonen en klootjesvolk!
 
Epauletten van plastiline
 
en revolvers van bordkarton.
 
Jullie, afgodenliefhebbers, blijf
 
als het donker wordt veilig thuis.
 
 
 
Zuipend schieten we onze pistolen
 
leeg op gaslantaarns. Met welk recht?
 
Dit is onze rechtvaardiging:
 
morgen trekken we nuchter ten oorlog,
 
niemand keert van het slagveld weer.
 
Vrienden, vijanden. Dwaasheid, laat maar.
 
Vlaggen wapperen in de wind.
 
Is het ooit soms anders geweest?
 
Het is altijd en eeuwig hetzelfde:
 
Terwijl jullie vanaf het balkon
 
van het leven staan toe te kijken,
 
jullie slimmeriken en dwazen,
 
vormen wij in het vuurrode gloren
 
de verdwijnende regimenten.
 
-
 
Mijn held ontglipt in de duisternis,
 
achtervolgd door drie man.
 
Ik heb hem verzonnen, want
 
zonder held voelt een dichter zich down.
 
Ik heb hem geschapen uit
 
vermoeidheid en mogelijk ook uit verlangen
 
te worden gehoord, of om het publiek niet down
 
te maken, mijn zonden te schonen.
 
Hij hing maar wat rond, met zijn Roesskaja-wodka,
 
maakte mistige parkjes onveilig.
 
Ik verpestte mijn ogen met lezen,
 
verminkte mijn taal met Engels.
 
Al ploeterend hoop ik postuum
 
zilveren rente te vangen,
 
maar hij, de uitvreter, maalt niet
 
om applaus.
 
Sla erop, jongens! De ziel
 
kan van nu af aan zonder bemiddelaars
 
communiceren, soms, in de woestijn,
 
met als enig middel een potlood.
 
Ik zet de kraag van mijn winterjas op
 
en steek er bij voorbaat één op: jouw tijd
 
is op, sla hem dood, jongens,
 
hij is niemand.
 
Een diepblauwe lichtstraal met groenige randen
 
breekt op de bakstenen wanden.
 
Ik hoor het geloei van politiesirenes,
 
lijnen trekkend door woestenijen.
 
-

Boris Ryzji

Vertaling: Hans Boland

prepostterug  begin  verder