Fragment uit een boksmonoloog over de Britse bokser Henry Cooper, die een klap of twee verwijderd bleef van eeuwige roem. Cooper die in 1963 en 66 tegen Mohammed Ali/ Cassius Clay vocht en volgens deskundigen duidelijk de beste was. Een van die twee is uiteindelijk uitgegroeid tot internationaal ikoon, een van de grootste sportvedetten. De ander moet het doen met een toneelstuk van Paul Feld voor John Buijsman.
Op Geen daden Maar Woorden 2000 wordt een voorproefje gegeven van deze voorstelling; Hengst beleeft zijn officiële première op 18 januari 2001 in de Rotterdamse Schouwburg.
Een keer brachten ze mijn manager naar de ring met een revolver in zijn rug. Moest ik verliezen, anders zouden ze hem doodschieten. Ik zeg: nee, daar begin ik niet aan. Ga maar liever de pijp uit, maar ik ga de mensen niet besodemieteren. Iedereen had natuurlijk op mij ingezet. Konden de mafiosi een goede klapper maken, als ik zou verliezen. Dus ik won gewoon. Maar ze schoten hem toch niet dood. Althans, niet toen direct, maar pas een tijd later, toen ie al lang mijn manager niet meer was. Maar erger dan de hele mafia bij mekaar waren die Black Muslims van Ali in de aanloop naar onze tweede wedstrijd. Dreigden ze mijn zoon te vermoorden, als ik niet verloor. Kreeg ik mijn ex-vrouw weer op mijn nek. Vanaf het platteland, waar ze was blijven wonen. Werd ik ook van die kant bestookt met van die lekkere telefoontjes en briefjes. Dat ik nu toch echt op moest houden. Dat ze in alle rust van haar scheiding wilde genieten. Hoe ik het in mijn hoofd haalde om een schoolgaand kind zo te laten intimideren. Enzomaardoor. Die Muselmannen wisten wel hoe ze me klem moesten krijgen. Als ze HAAR nou gewoon hadden ontvoerd. Maar nee, een kampioen mag zich nooit laten chanteren. Je kunt niet groot zijn zonder risico te lopen. Ali zei ooit zelf over zijn eigen zoon: Allah zou mijn zoon een dag voor een gevecht kunnen laten sterven, bijvoorbeeld door hem te laten overrijden door een auto. Dan zou ik toch de volgende dag ongeëmotioneerd boksen. Allah stelt je altijd op de proef.
Mijn ex-vrouw hield niet van neuken. Nou, ook goed. Dan kon ik lekker boksen. Maar dan ging ze daar ook nog 's over zeiken. Ja, hoor's. Nou moet je een keer ophouden. Het is boksen of neuken. Nou ja, ze wilde uiteindelijk geen van beide meer. Ja, dan houdt het op. Maar eerst hield ik voor haar nog op met boksen. Dat was na die eerste wedstrijd tegen Clay. Ja, toen werd het bij mij dus verplicht neuken. Want het was boksen of neuken. Dus toen zat ik zo'n keer of vijf in de week in het bordeel te wachten op mijn beurt. Stiekem een nummertje trekken. ‘Ik wil vandaag op zijn Portoricaans. Eénmaal Margarita graag.’ Een moordmeissie was dat, Margarita. En stapelgek op boksen. Ja, als het ware dan, hè. Dan legde ik 'r klem in een hoek en dan gaf ik 'r een zogenaamde uppercut. Ja, volkomen onreglementair natuurlijk, zo onder de gordel. Maar ik werd daar toch altijd effe heel blij van. Al was het natuurlijk in de verste verte geen echte wedstrijd meer.
Toen ik niet meer bokste moest ik zo ongeveer elke dag mijn neus wel een keer laten snuiten. Of verdomme alleen mijn teeltballen nog maar in training waren. Treurig, hoor. Dat kleine onhandige stramme pikkie zonder handen en zonder voeten klem zetten in dat natte gat. Seksuele vrijheid is voor mij toch veel eerder een echte wedstrijd boksen, hoor. Dat neemt niemand van me af. Krijg de tyfus. Al die wijven aan mijn lijf, daar word je toch eigenlijk doodziek van? Slaat zich ineens met de vlakke hand op zijn hals.) Hee, een vlieg. Ik had hem niet zien komen. Waar zit ie? Zzzzzz. (Volgt een zoemende vlieg.) Kom maar. Ga maar zitten. Dan zal oom Henry jou eens een punch op die gefragmenteerde oogies van je geven. (Slaat.) Hoppa! Mis, hoe kan dat nou? Er is iets echt helemaal mis, hoor. Ik voel me ook de hele tijd al niet goed. IK ZEG TOCH DE HELE TIJD AL DAT IK MISSELIJK BEN!!
Een journalist van de Daily Telegraph vroeg mij in die tijd waarom ik alleen nog maar keurig bloemkolen en tomaten verkocht. Ik heb die man toen zomaar uit het niks over de theetafel heen een ram verkocht. Hij wist niet hoe snel die weg moest komen met zijn kapotte lip en zijn beurse kaak. Schreef ie een insinuerend stukje over een doorgeslagen groentenboer, die een gevaar was voor de buurt.
Zat ik op een keer in het bed bij de mooiste hoer van het huis, Queen Elizabeth herself, bleef me die kleine Cooper daar beneden ineens als een uitgetelde lul in de touwen hangen. Niks geen beweging meer in te krijgen, zeg. Ik roep nog: WAKKER! En geef 'm een paar tikken links en rechts. Die prachtige vrouw ook nog wrijven en trekken wat ze kan. Ik schaamde me plaatsvervangend de ogen uit mijn kop. Ik zeg: dit heb niks met jou te maken, Liz, je bent een topwijf, ik zou 'm d'r net zo lief bij je in peuteren, maar d'r lijkt effe een kink in die kabel van me geschoten, er gaat wel meer fout de laatste tijd. Zegt ze: joh, dan doen we het toch voor de helft van de prijs. Zeg ik: ben jij nou gek, je krijgt het dubbele; want ik wil voor geen goud, Liz, dat iemand anders dan jij en ik hiervan op de hoogte raakt. Ja, je bent als voormalig Brits en Europees kampioen toch bang dat zoiets nog de boeken haalt. Of stel je voor dat het grote nieuws Ali zou bereiken. Die bezorgde ik toch niet graag een vrolijk moment voor niks.
Ik snapte eigenlijk pas iets van die bokshaat van mijn ex-vrouw, toen ik mijn zoon na de scheiding een keer zag boksen. Het bloed kruipt blijkbaar toch waar het niet gaan kan. Ik ben heus niet zo'n vader die er zich mee bemoeit, maar ik voelde elke klap die hij kreeg op mijn eigen lijf. Het litteken van mijn wenkbrauw ging zelfs jeuken. Op een gegeven moment stond ie in de ring te tollen, met van die slappe benen. Ik zag dat ie mij met zijn ogen zocht, hij wist niet waar ik was, hij was alles kwijt. Ik heb niks tegen 'm gezegd, ik heb me klein gemaakt, me verborgen achter de kraag van mijn jas. Het was verschrikkelijk. Voor het eerst van mijn leven haatte ik dat boksen ook. Na afloop in de kleedkamer, hij zat doodstil op de bank. Asgrauw. Beurse kaken. Een straaltje bloed liep uit zijn kapotte lip. Allebei de ogen helemaal gezwollen, dichtgeslagen. Zo daas als een konijn. Hij heeft me moeten beloven dat ie nooit meer van zijn leven de ring in zou gaan, nooit nooit nooit meer. Ach, je weet het niet, je kan het toch niet tegenhouden. Ik had die vrouw van mij ook beloofd dat het eerste gevecht met Cassius Clay het laatste zou zijn, dat ik daarna uit de ring zou stappen, dat we een groentenwinkel zouden openen in haar geboortedorp ver buiten Londen. Dat heb ik ook allemaal gedaan. Ik heb braaf de boel in Londen verkocht en we zijn heel vastbesloten verkast. Maar op het platteland had je ook een oefenlokaal en ik wilde na vijf weken hoerenlopen en hormonen trainen toch echt mijn overtollige kilo's en mijn andere spierenergie wel weer eens kwijt. Dus ja, ik sta me daar eindelijk weer eens uren achter mekaar te rammen op die boksbal en daar komen alle beelden van die partij tegen Clay weer terug, zeg. Haarscherp. Duidelijker zelfs nog dan tijdens de wedstrijd. Alsof de waas van bloed ook mijn waarneming had vertroebeld. Ik zie verdomme als in een slow motion zo helder dat toen ik Clay tegen het canvas had gemept dat die coach van hem, die Angelo Dundee, een klein scheurtje in Clay's handschoen heel snel groter trekt. Zo snel dat het de scheidsrechter ontgaat. Nou, en toen werd die handschoen afgekeurd en moest de scheidsrechter de jury om een paar nieuwe vragen. En zo won Clay zes minuten hersteltijd. Ik zeg tegen die vrouw van me: ik heb het gezien! Waarom heb ik niks gezegd? Waarom houden wij Engelsen altijd onze mond? Ik had hem dood kunnen slaan! Hij was er klaar voor! Ik had hem neer! Cassius Clay was uitgeteld, als de gongbel hem niet had gered! Ik moet niet ophouden met boksen, Francien. Ik verdien de wereldtitel! Er zit de verkeerde man op de troon, Francien. Ik moet iets heel erg gaan rechtzetten. Ik eis een revanche, Francien, ik moet een revanche. En zij kijkt me alleen maar aan, onbewogen. En ze zegt: Go your way, Henry. Ga maar. Maar weet dat ik er niet meer zal zijn straks. Ik vang je na afloop niet meer op in de kleedkamer. En ik kom niet meer op bezoek in het ziekenhuis. Al lig je op intensive care en moeten ze vrezen voor je leven. En je zoon krijg je alleen nog maar in de weekenden. En ik zie die onverbiddelijke blik, die strakke mond, met die gehate Britse stiff upper lip. En dat streng opgebonden haar doet me ineens heel erg aan die directrice van die kostschool denken. En ik flap eruit: Fuck you, bitch. Het is eruit voor ik er erg in heb. En ik sta op, ik pak mijn koffer en ik vertrek zo naar Londen.
Paul Feld