|
|
|
| |
| | | |
We hadden elkaar een tijdje nodig
Interview met Hans Verhagen
Erik Brus
Hans Verhagen maakte deel uit van de zogenaamde ‘bende van vier’. Samen met Vaandrager, Hans Sleutelaar en Armando introduceerde hij begin jaren zestig een nieuwe stroming in de Nederlandse poëzie. De Nieuwe Stijl periode is een onmisbare fase in Verhagens dichterschap, maar zijn latere werk staat ver af van de zakelijke poëzie van die tijd. Het heeft zijn verstandhouding met Vaandrager, die de bende bijeen wilde houden, ernstig verstoord.
Hans Verhagen (Vlissingen, 1939) begon zijn loopbaan als leerling-journalist bij de Provinciale Zeeuwse Courant, en werd in 1958 redacteur bij het Algemeen Dagblad. Hij verzorgde er de Pagina Q, de ‘eerste volwassen jeugdpagina, waarin Verhagen schrijft over wat hem boeit: moderne poëzie, dito jazz, idolen en rages,’ zoals de Haagse Post de AD-rubriek typeerde.
Verhagen schreef zelf ook poëzie waarin de nieuwe tijd voelbaar was. Hij raakte geïnteresseerd in Gard Sivik, een van de vernieuwende literaire tijdschriften op dat moment. Verhagen: ‘In 1959 bezocht ik een optreden van de redactie van Gard Sivik, in Lantaren/Venster in Rotterdam. Daar heb ik Cor Vaandrager en Hans Sleutelaar voor het eerst gezien. Armando was er ook. Ik was een jongen uit Vlissingen, ik had helemaal geen contacten in de literaire wereld. Ik had ook nog niets gepubliceerd.’
‘Later, in 1960, zag ik Vaandrager en Sleutelaar in café Melief Bender in Rotterdam. Ik zat aan een leestafel en Cor kwam een tijdschrift pakken. En toen zei ik, Cor heeft het later vaak geïmiteerd, “Meneer Vaan- | | | |

Foto Mark Kohn
drager?, ik ben Hans Verhagen.” Die naam kende Cor want hij had artikelen gepubliceerd in het Algemeen Dagblad. Ik heb ze toen een gedicht laten zien waar ik aan bezig was. Er volgde een hele verhandeling van Sleutelaar, hij vond mijn gedicht niet koel genoeg.’
‘Maar ik stond wel op het punt te debuteren met mijn poëzie, in Podium. Dat was hét tijdschrift toen, daarin publiceerden de Vijftigers waartegen wij ons later gingen afzetten. En in dat nummer van Podium stond Cor toevallig ook. Die gedichten van mij vond Sleutelaar wèl goed. We voelden ons al snel verbonden.’
| |
Opgeruimde tijd
Verhagen raakte goed bevriend met zowel Vaandrager als Sleutelaar. ‘Ik wist nooit wie ik leuker vond. Mijn eerste beeld was: een vrij zakelijke Sleutelaar, die de zaak onder controle heeft, en Vaandrager wat losser, meer de bohémien. Maar dat bleek al gauw andersom te zijn, want Sleutelaar leefde in een voortdurende paniek, een voortdurende chaos. Af en toe ging Cor naar Hans' souterrain toe, het redactieadres van Gard Sivik, om orde op zaken te stellen in de administratie.’
‘Ze vroegen me te publiceren in Gard Sivik en dat heb ik gedaan, in nr 19. Toen ging het eigenlijk vanzelf, later werd ik gevraagd in de redactie te komen. Het was een heel opgeruimde tijd, zelfs voor Cor. Waar hij was, dat was eigenlijk het centrum van de artistieke wereld in Rotterdam. Hij was echt een held. Daarom is het zo raar, later werd hij iemand waar de mensen voor wegliepen, bang voor waren.’
| | | |
‘Wat ik me voornamelijk herinner is dat we verschrikkelijk gelachen hebben. Cor en ik hadden een bepaalde tic, wat betreft humor, bijvoorbeeld het imiteren van mensen, zoals Simon Vinkenoog die we regelmatig in Amsterdam opzochten. We namen onszelf nog niet zo serieus, en we waren niet altijd met literatuur bezig. Ik was ook geïnteresseerd in het hitwezen dat toen opkwam. Ik had saxofoon gespeeld en ik had een hele jazzperiode achter de rug. Cor was erg op jazz, had ook wel iets met popmuziek, en ook film. Over literatuur hadden we het wel, maar niet op een gewichtige manier. Later is dat wel veranderd.’
Aanvankelijk woonde Verhagen nog in Vlissingen, later zou hij naar Rotterdam verhuizen. ‘Cor kwam vaak bij me logeren, en dan gingen we tochten maken. Sleutelaar en Armando waren er soms ook bij. Cor moest op zijn wenken bediend worden, dat was ook een beetje omdat ik de jongste was, dat was een verschil. Hij zei altijd “Benjamin” tegen me. En dan gingen we naar België toe met die Citroën van mij, en Cor die deed niks dan, hij was ook niet geïnteresseerd in de natuur. Armando zei bijvoorbeeld: “Cor, de zee,” en dan zei Cor: “Wat, café?”, “Nee, de zee”, “O,” zei Cor dan alleen. Ik had inmiddels een zoon, daar had ie ook weinig interesse voor.’
‘Hij kwam vaak in Vlissingen, werd ingehaald door de mensen daar. Dat gebeurde een beetje ironisch, met overdreven eerbetoon, maar dat zag hij helemaal niet, hij liet het zich welgevallen als een jonge vorst. Hij was iemand die erg in zichzelf opging.’
| |
Programma
Vanaf 1962 kende Gard Sivik vier Nederlandse redactieleden - Verhagen was als laatste toegetreden - en zij drukten een steeds duidelijker stempel op het van origine Vlaamse Gard Sivik. Ze gebruikten Gard Sivik - en opvolger De Nieuwe Stijl - als platform voor hun vernieuwende poëzie. Terwijl voorheen de meeste dichters zich verhieven boven het dagelijks leven, werd nu slechts op nuchtere wijze geregistreerd. Verhagen: ‘Het groeide uit tot een programma. De Vlaamse redactieleden hadden er weinig binding mee en stapten één voor één op. Het was niet echt een coupe van ons, wat wel eens gezegd wordt. De Vlamingen herkenden zich gewoon niet meer in hun blad. Het was vooral Armando die het in zijn kop had waar het met Gard Sivik naar toe moest. En Sleutelaar wist het het beste te formuleren.’
‘Er zaten natuurlijk ook overeenkomsten in wat wij vieren publiceerden in Gard Sivik. Het anti-poëtische noemt Sleutelaar het, ik spreek liever van het buiten-poëtische. Het idee dat poëzie voortkomt uit de wereld, het alledaagse. En daarin konden wij ons afzetten tegen de Vijftigers. Ze waren te romantisch en te poëtisch in onze ogen, het moest zakelijker. Daarbij vonden we het een voordeel dat we in Rotterdam zaten. De poëzie was koel, objectief, en dat past bij de stad. Dat clichébeeld werd ook door ons geëxploiteerd.’
‘Ik heb me met mijn gedichten nooit bewust aan dat programma geconformeerd. Maar het beïnvloedt je natuurlijk wel als je samen een groep vormt. Cor ging er veel verder in. Aan zijn gedrag kon het je al merken. In het begin kon hij totaal uit zijn bol gaan. Sleutelaar zei toen wel eens, jullie moeten eens ophouden met die imitaties. Dat vonden wij ook wel, maar soms konden we er niet mee ophouden. Maar voor Cor was dat ineens over, alsof ie dacht: dat is kinderachtig, ik ben nu een belangrijke schrijver. Hij ging het allemaal heel serieus nemen. Hij heeft ook oude gedichten van zichzelf herschreven, zodat ze beter in het programma zouden passen.’
‘Cor ging ook míjn gedichten op de Nieuwe Stijl principes beoordelen. Hij had steeds meer aan te merken. Bijvoorbeeld “Het nieuwe Zeeland”, daarover zei hij tegen Sleutelaar: “Er staat hier mij volslagen vreemde wereld, nou dat klopt niet want wij zijn mensen van de wereld,” en dan zei Sleutelaar: “Ja, Cor, maar er staat: deze mij volslagen vreemde wereldvreemde wereld.” Zo is het ook, ik schrijf in dat gedicht juist dat ik de enige ben die zich in de wereld thuis voelt. “Ja maar dat vind ik ook een romantisch beeld,” zei Cor dan. Of hij maakte opmerkingen dat ik te lang haar had, dat paste niet bij een Nieuwe Stijl dichter. Later realiseerde ik me pas dat hij jaloers was, een heel nare trek van hem. Sleutelaar bewonderde mijn poëzie en dat zat Cor dwars.’
‘De publieke discussies lieten we meestal over aan Armando en Sleutelaar. Ze gingen steeds verder in hun uitlatingen. Op een gegeven moment beweerden ze dat Freddy Quinn, die Duitse schlagerzanger, belangrijker was dan Strawinsky. Om ons punt maar te maken dat wij van het alledaagse hielden. Als men er mij naar vroeg dan zei ik dat wij niet geïnteresseerd waren in de persoonlijke gevoelens van de dichter. Dat wij zodanig informatie wilden verschaffen dat mensen zich in hun eigen tijd thuis voelden. En dat meende ik ook. Maar hoe we ons als groep presenteerden begon me te benauwen. Ik denk ook dat Cor daardoor zo raar ging doen, hij voelde dat de vriendenclub na een paar jaar uit elkaar groeide.’
| |
| | | |
Nulpunt
De onderlinge spanningen kwamen tot een uitbarsting tijdens een gezamenlijke treinreis naar Rotterdam. Verhagen en Sleutelaar hadden in Amsterdam gewerkt vanwege hun betrekking als journalist bij de Haagse Post. Vaandrager vergezelde hen die dag. Verhagen: ‘Vaandrager was een tijdje samen met Sleutelaar geweest, en hij had hem tegen mij opgestookt. In de trein zaten ze mij aan te kijken alsof ik verraad had gepleegd. Ze kwamen met ideologische praatjes, maar er zat iets persoonlijks achter. Maar ik had helemaal niet in de gaten dat iets Cor dwars zat. Dat had ook met dat naar binnen gekeerde van hem te maken. Ik ben in Den Haag uitgestapt, ik heb daar staan janken. Het waren mijn beste vrienden.’
Verhagens vriendschap met Sleutelaar is later hersteld, met Vaandrager lag dat moeilijker. Vaandrager nam het Verhagen kwalijk dat hij niet vast bleef houden aan De Nieuwe Stijl, en zich in zijn nieuwe poëzie liet beïnvloeden door de sixties-cultuur. ‘In de pers zette hij zich altijd tegen me af, hij deed hij alsof ik er nooit echt bij had gehoord. Hij noemde mij decadent, zei dat ik een hippie was geworden. “Daar houden wij Nieuwe Stijlers niet van.” Maar ik wilde gewoon kijken naar de mogelijkheden die je als mens hebt, omdat men zich in de jaren vijftig had blindgestaard op de onmogelijkheden.’
‘Het was een fantastische tijd met ons vieren. Maar als je steeds minder woorden gebruikt en ieder gevoel eruit wilt filteren, kom je uiteindelijk op een nulpunt. Mijn werk werd uitvoeriger, maar wel met behoud van technieken uit de Nieuwe Stijl tijd. Je inspiratie halen uit de werkelijkheid, je er niet tegen afzetten, is iets wat ik ben blijven doen. Ik zie altijd een totaliteit, het is niet het één of het ander. Wij hadden elkaar gewoon een tijdje nodig om een vuist te maken. Daarna moet je verder gaan. Maar het leek wel alsof Cor erin vast zat.’
| |
Optimistisch
Verhagen is Vaandrager altijd blijven volgen. Hij is een groot bewonderaar van met name De reus van Rotterdam en De hef. ‘Ik vind het fantastische boeken, maar het is geen Nieuwe Stijl proza. Dat was waarschijnlijk wel Cors bedoeling, maar de vorm is te chaotisch. Het gebruik van readymades zit er natuurlijk nog wel in, en het zit heel dicht op de werkelijkheid. Ik noem het speedproza. Hij heeft een begoochelend taalvermogen, een gevoel voor saillante woorden. Die boeken zijn ook heel humoristisch. Ik vind het echt het beste proza dat in Nederland is verschenen.’
‘Dat taalgevoel had ie trouwens niet van een vreemde, zijn vader had ook zo'n apart woordgebruik. Ischa Meijer heeft eens een artikel geschreven over De Nieuwe Stijl (Haagse Post, 22-11-75, red.) waarin hij Cors vader citeert. “Jullie hingen groots op de drugs,” zegt hij tegen Cor; fantastisch uitgedrukt.’
In de jaren zeventig werkte Verhagen bij de VPRO-tv. Twee maal maakte hij een item over Vaandrager, voor de programma's Het Gat van Nederland en Hoepla. ‘Mensen schrokken echt van die uitzendingen, ze dachten dat Cor er heel slecht aan toe was. Maar we hadden lol als vanouds tijdens de opnames. Ook daarna leek hij oprecht blij te zijn als we elkaar tegenkwamen. En ik heb hem een paar keer met geld geholpen als hij in de problemen zat. Maar in interviews bleef hij op me afgeven. Die rancune is een noodlottige trek van hem geweest. Hij bleef mij, en Sleutelaar ook, kwalijk nemen dat de groep uit elkaar was gevallen.’
Kort voor Vaandragers dood had Verhagen nog telefonisch contact met hem. ‘Hij zat in een uitzending van Radio Rijnmond waarin ze met hem door de stad reden. Het ging heel slecht met hem, maar hij klonk optimistisch. Hij zei dat hij een nieuw tijdschrift wilde beginnen, en vroeg me werk op te sturen. Zijn voet zat in het gips, maar hij zei dat hij “vrolijk ter been” was, en dat ze hem in een doemhokje probeerden te stoppen. Ik herinner me dat de presentator tegen me zei dat Cor zwervende was. En dat Cor op de achtergrond riep: “Ze liegen, Hans, ze liegen.” Een paar maanden later belde Het Parool me op om te vragen wat ik van Cors dood vond. Hij was in stilte gestorven, ik wist nog van niets.’
|
|
|