Het moment dat je leven veranderde. Het moment dat je besloot beroemd te worden. Het moment dat je stopte met drinken en je voeten Compostella-waarts draaide. Journalisten, tv-makers, vechtsportinstructeurs, allen willen ze het precieze tijdstip weten wanneer de held zich onderscheidde van de verliezer. Het leven is een meerkeuzevraag en de klok loopt.
Schrijvers krijgen dan vaak de vraag voorgeschoteld wie hen de literatuur in gidste. Gorter, hoor je vaak, of Holden Caulfield. Af en toe zelfs Gerhardt. Mijn antwoord is Mieke.
Ik was een normale puber met goede cijfers, lichtsuïcidale neigingen en een eeuwige hunkering in mijn broek. Mieke verloste mij tijdelijk van die hunkering door me af te rukken achterin de bus. Veel verder dan een snel gedraaide tong met je fiets aan de hand, was ik toen nog niet gekomen. We keerden terug van een schoolreis naar Brugge en Mieke - getroffen of verveeld door mijn pogingen haar aandacht te trekken - schoof haar hand tussen mijn broek en trok me af. Een daad van ongekende seksuele bravoure, in mijn puberoogjes. Toen ze haar hand vol lauw medelijden aan mijn jas afveegde, fluisterde ze dat ik vooral normaal moest blijven doen tegen haar.
Ervan overtuigd dat mijn leven vanaf nu één aaneenschakeling van gekets en gegraai zou zijn, kleefde ik aan Mieke als een geboortevlek. Iets waar ze weinig van gecharmeerd was en meer dan de voornoemde gedraaide tong kon er niet meer van af. Ik sleepte me nog steeds achter die hunkering in mijn broek aan en zij begon me te mijden en uiteindelijk de huid vol te schelden. Op school zat ik met mijn ogen opgezwollen van het janken en mijn ballen pijnlijk van het obligate rukken voor schooltijd.
De verlossing kondigde zich aan, zoals wel vaker in mijn geboorteland België gebeurde, onder auspiciën van de katholieke kerk. De drukpers van de roomse zuil, het Davidsfonds, organiseerde een verhalenwedstrijd voor scholieren. Het Davidsfonds geeft geïllustreerde herdrukken van Van den vos Reynaerde uit en andere pronkstukken uit de gammele vergaarbak die Vlaamse identiteit heet. Een kleine, grijze weduwe kwam één keer per jaar over de vloer om te weten welke boeken ze bij 't Fonds moest bestellen voor ons. Een koffielikeurtje later was ons gezin de zoveelste studie over Vlaamse wandtapijten rijker.
De leraar Nederlands kondigde de verhalenwedstrijd aan, zei dat er geen regels waren behalve dat het verhaal minstens duizend woorden moest tellen en keerde terug naar de Heren van Lebak. Iedereen vergat de wedstrijd. Op mij na.
‘Rigor Vitae’ (Jaha! Gymnasiumstudent, mevrouw!), zo heette mijn verhaal over mijn gebeurtenissen met Mieke. De masturbatiescène veranderde ik in een kuise zoen (het bleef 't Fonds immers). De eerste zin luidde ‘Ze had de geur van een hond’ en eindigde met ‘Ik rook stront’, ergens midden in zat de kus, en de rest kunt u zich wel inbeelden. De schoolreis, de lesuren, haar uiterlijk, alles werd beschreven en alleen een myope idioot kon niet vermoeden dat het hier Mieke en mij betrof. En kijk, David moet de patroonheilige zijn voor gefrustreerde pubers. Ik won.
Ik kreeg een foto in de krant, een boekenbon van 10.000 frank en een speech van een dronken priester over hoe het Nederlands een kleine taal is maar van alle kleine talen wel de grootste of iets dergelijks. Hij noemde me een Zoon van Vlaanderen en gaf me een hand, nog nat van zijn glas streekbier. Belangrijker
was dat het verhaal integraal werd afgedrukt in de schoolkrant. Mieke verloor haar vriendje en schold me de huid vol. Maar ik huilde 's nachts tenminste niet meer. Het rukken bleef.
Wat ik niet verwachtte was de aandacht die me ten deel viel. De meest dichtbijgelegen boekhandel die die naam waard was, lag op vijftig kilometer van mijn stad. Het schrijven van een kortverhaal getuigde dan ook van een zelfde excentriciteit als het openlijk belijden van homoseksualiteit. Iedereen vond het moedig van me en liet geen gelegenheid voorbij gaan om dat duidelijk te maken. Leraren, slagers, buschauffeurs, ze bleken allemaal fervente liefhebbers van mijn larmoyante novelle. Bovendien verdiende ik geld met die grootstedelijke strapatsen. Was ik tot die tijd overtuigd dat ik rechten of medicijnen zou gaan studeren, nu lonkte de literatuur. En ik, de ogen opgezwollen van ijdelheid, ging naast Literatuur zitten in de bus en begon aan haar kop te zeuren.
Overtuigd van mijn kunnen ging ik op zoek naar andere wedstrijden. En wie zoekt naar literaire wedstrijden, heeft het in Vlaanderen niet slecht getroffen.
Jeroen Brouwers heeft een kop volgeploegd van zorgen gekregen door het verkondigen van de boodschap dat de Vlaamse literatuur niet bestaat. Hij heeft gelijk. Wie in Vlaanderen een boek weet te schrijven, vlucht nog voor de slotparagraaf naar een uitgeverij boven de Moerdijk. Noem een paar levende Vlaamse auteurs en u begrijpt wat ik bedoel. Sla de publicatiegang van getalenteerde nieuwlichters als Saskia De Coster of Thomas Blondeau er maar op na. Die paar amechtig reutelende literaire uitgevers die onder de Moerdijk te rotten liggen, schrijven zelfs schrijfwedstrijden uit met als hoofdprijs de publicatie van het manuscript. Het lijkt misschien een godsgeschenk voor een jong pennenpikkie maar wees gewaarschuwd. U fungeert voor het fonds in kwestie eerder als hartmassage dan als aanwinst.
Recenter dan Hugo Claus kan ik geen voorbeelden vinden van auteurs die zo de boekenwinkel in gelanceerd werden richting Faam. Of jawel, die... nee wacht, toch niet. Op zich hoeven die gefnuikte scribenten zich daar geen zorgen over te maken. Reguliere debutanten uit dezelfde literaire winkel van sinkel duiken ook zonder de ramtamtam van een schrijfwedstrijd meteen afslag Vergetelheid. Men denke aan Wolf Hexen. Precies.
Maar dat mag de pret niet derven. Geen heemkring, gemeente of psychiatrische afdeling zo klein of ze heeft wel haar eigen literaire wedstrijd. De Poëziekrant publiceert zelfs maandelijks een bloemlezing van deze wedstrijden en ik had maar uit te kiezen. En ziedaar! De eerste gedichtenwedstrijd van mijn leven: een derde plaats op schier tweeduizend deelnemers! Ik werd op het gemeentehuis verwacht in een dorpje dat vier uur treinen ver lag. Toen ik was aangekomen op het station dat slechts twee perrons telde, begonnen mijn ogen te ontzwellen. Een heel leger van moeilijk kijkende, ingetogen kopjes stapte af. Later die avond bleken er driehonderd derde plaatsen te zijn, tweehonderd tweede en honderd eerste prijzen. En allemaal mochten ze hun gedichten voorlezen.
Tegen middernacht kregen we een linnen zak met een bloemlezing en een Poëziekrant. Er was geen trein meer terug en ik moest op het station slapen. Ik geloof dat dat de avond was waarop ik begonnen ben met meer te drinken dan goed voor me is.
Wijzer geworden van mijn fouten, scande ik de wedstrijdadvertenties met rabiate verbetenheid. Wedstrijdreglementen opvragen? Weg ermee. Hoofdprijs: waardevol kunstwerk? In het ronde archief. Gratis lidmaatschap van ‘De Vrienden van Uilenspiegel?’ Saluut en de kost. Ik borduurde een hattrick van literaire ereschavotjes en kreeg een interessant trofeekastje met als hoofdvogel een Hongaarse bloemlezing van de helaas veel te laat overleden priester-dichter Anton van Wilderode. (Voor de Ollanders onder jullie, Tom Lanoye heeft nog bij hem in de klas gezeten.)
Op een avond kreeg ik zelfs een gepikeerde man in een krap zittend bruin pak aan de deur die meldde dat hij van Soetendaal was. Toen ik zei dat ik niet van Soetendaal was, leek het pak nog krapper te worden. ‘De verhalenwedstrijd. U had een eervolle vermelding. Ik kom uw prijs afgeven.’ Hij gaf me een linnen tasje met een bundel landschapsgedichten en een gekalligrafeerde oorkonde. De prijsuitreiking was al bijna een jaar geleden. De brief dat ik een vermelding had gekregen was meteen weggegooid. De man in het bruine pak reisde blijkbaar Vlaanderen af, jonge literaire goden hun lauweren nadragend.
Na de gepikeerde man ben ik gestopt met verhalen-, gedichten-, sonnetten-, monoloog-, knittelvers- en haikuwedstrijden. Van de literatuur ben ik nog niet afgeraakt. Mieke heeft nu kinderen, geloof ik. Ik ben geen advocaat of arts geworden. Ik lees en indien men mij betaalt, schrijf ik wel eens wat. Ik zit met opgezwollen oogjes naast Literatuur in de bus met nog steeds die eeuwige hunkering. Maar klaarkomen in haar hand is er niet meer bij.