Passionate. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Passionate


bron: Passionate. Jaargang 11. Stichting Passionate, Rotterdam 2004


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 35]origineel

‘Ze zijn net even anders gekruid’
Over de poëzie van Ramsey Nasr, Alfred Schaffer en Mustafa Stitou

Neruda

Alles is gelijk, niet alleen mensen onder elkaar, maar ook planten en mineralen
en poezen en regen en Vivaldi. Ik breng de avond door met een vriend en een glas wijn en een dode en verhalen en schemer en minnestrelen.
Wij zijn met zeer velen.

Herman de Coninck

Op 19 mei van dit jaar werd in boekhandel Schimmelpenninck aan de Weteringschans te Amsterdam de nieuwe bundel van Alfred Schaffer gepresenteerd, Geen hand voor ogen, in aanwezigheid van onder anderen Mustafa Stitou en Ramsey Nasr. Waarom die twee? Waarschijnlijk omdat ze net als Schaffer bij De Bezige Bij publiceren? Of omdat ze alledrie een bijzondere achtergrond hebben? En goeie gedichten schrijven? Stitou is gewoon van Marokkaanse afkomst, werd geboren in Tetouan. Nasr heeft Palestijns/Nederlandse ouders (hij reisde pas in 1996 naar Palestina) en Schaffer een Nederlandse vader en een Arubaanse moeder. Nasr en Stitou zijn uit 1974, Schaffer is uit 1973. Ze zijn alledrie Nederlander, zij het dat Nasr als ‘ingeweken’ Nederlandse dichter in Antwerpen woont en Schaffer tot februari volgend jaar in Kaapstad zit, waar hij zich in 1996 om studieredenen vestigde. Ze zijn elders vreemdeling. Stitou doet met het geld van de VSB-poëzieprijs gewoon boodschappen in Amsterdam. Alledrie werden ze genomineerd en/of vielen in de prijzen. Stitou kreeg de VSB-poëzieprijs, Schaffer en Nasr werden genomineerd voor de Buddingh'-prijs, Schaffers debuut Zijn opkomst in de voorstad leverde hem de Jo Peters-poëzieprijs op, terwijl zijn tweede bundel Dwaalgasten een nominatie kreeg voor de VSB-poëzieprijs. Nasr werd met zijn debuut 27 gedichten en geen lied, waarvan er inmiddels tweeduizend zijn verkocht, genomineerd voor de H.C. Pernath-prijs.

Stitou debuteerde in 1994 op negentienjarige leeftijd met Mijn vormen, een bundel die onmiddellijk de aandacht trok van Remco Campert, die meldde dat de Nederlandse poëzie weer een echte dichter rijker was geworden. Op uitnodiging van Campert was Stitou in 1994 gast van Poetry International. Ook Nasr viel de eer te beurt door Campert te worden betiteld als nieuwe-dichter-die-ertoe-doet. In zijn stukje in de Volkskrant van 19 april van dit jaar, daags na de poëziedagen in Landgraaf, schreef hij lovende woorden over Nasrs tweede bundel Onhandig bloesemend.

Schaffers debuut werd lovend ontvangen. Rob Schouten in Vrij Nederland: ‘Juist door Schaffers vermogen een ander standpunt in te nemen dan dat van de teleurgestelde intellectueel, verschillen zijn gedichten fracties van het gangbare gemiddelde in de Nederlandse poëzie. Ze zijn als het ware net even anders gekruid.’

Het werd een gezellige avond daar in die Amsterdamse boekhandel. Stitou en Nasr lazen uit Schaffers nieuwe bundel (‘poëzie voor hoofd en hart, helder, precies en vol onverwachte wendingen’), en daarna nog een paar gedichten uit eigen werk. Een bont gezelschap vrienden in de wereld die Bekende Nederlandse Dichter heet. Stitou en Nasr hadden, los van elkaar, besloten om Schaffers ‘De erfenis’ te lezen.

De erfenis
 
Via de schuifdeuren verdwijnt hij naar het zonovergoten terras,
 
zo vakkundig ingelijst, een sportvliegtuigje schrijft
 
hoog boven het land een weergaloze boodschap in de lucht
 
die weldra zal opgaan in rook. Bekijk dit tafereel van alle kanten,
 
 
 
een passend moment om een vernislaag aan te brengen.
 
Inspecteer het bladderende plafond, de vele tochtplekken,
 
leg het oor te luisteren tegen de slaapkamermuur.
 
Hoe anders zou het zijn wanneer hij welkom werd geheten,
 
 
 
de voeten veegde, naar binnen liep, de etensluchten inhalerend,
 
iemand heeft de televisie aangezet, iemand tuit natuurgetrouw
 
de lippen voor een zoen, maakt aan zijn verkenningstocht een eind,
 
de verf is droog, neem plaats, je kunt gaan zitten waar je wilt.

Woordkunstenaar

Nasr, Schaffer en Stitou schrijven prikkelende gedichten, kippenvelpoëzie. Hun stijl is heel verschillend, hoewel er onderling ook wel overeenkomsten aan te wijzen zijn - bijvoorbeeld door de manier waarop ze met een vergrootglas naar de wereld kijken.

Ramsey Nasr, acteur, dichter/schrijver en regisseur, gebruikt verslaaftaal als medium. Hij is de woordkunstenaar van de drie. Je krijgt een enorme woordenstroom over je heen, met over elkaar heen buitelende associaties (rilke drinken met kwieke bejaarden/je steekt er een rietje in en ploep) op het gedrevene af - een woordenstroom vol erudiete invallen, gekke dingen, parlando-achtig. Bij Nasr vinden we ook de muziek en het woord in de vorm van Sjostakovitsj, de psalmen (mooie herdichting van psalm 23: mijn lieveling menne mij/ en niets zal mij mankeren), het Hooglied... Nasr

[p. 36]origineel

heeft een credo waarin hij afrekent met de Ilja Leonard Pfeijffers in Nederland, voorstanders van de moeilijke poëzie.

Credo
 
geef mij het hoofd van de onnozel volhardende pletterloper
 
hij die hart op zwart cipres op rood dood op anijs laat rijmen
 
zijn uitpuilend gemoed weer bij elkaar raapt voorover bukkend
 
 
 
en maar struikeltochten organiseren door op platgetreden paden
 
bananenrijm voor zich uit te werpen hij is onverstoorbaar
 
half en kreupel blijft hij het zijn toverkeien zeggen kijk maar
 
 
 
een slechte mop verteld door een dichter zoals hij tekeergaat
 
soms springt hij op grijpt zonder reden mis naar omhoog
 
soms ook niet soms niet en ik heb hem altijd ruim verkozen
 
 
 
wel duizend-en-één-voudig boven hollands koning schraalhans
 
met de dichtgeschroefd moderne stem aan zijn stekelige tafel
 
rolstoel en handrem heus ik zal mijzelf wel redden breken schaden
 
 
 
ook aan orakels in de orde van de chocoladeschijter heb ik hekel
 
bruine nijl gieten ze uit in eigen zekerheid de onwrikbare waan
 
een echte vaticaanse doos likeurbonbons te hebben banketgekakt
 
 
 
ik geloof
 
 
 
in fulpen bloembladen het kapotte karmijn van de
 
avondschimmering in de pronkgedwongen achterwaartse
 
vlucht van de quetzal
 
zijn lange smaragdgroene staart onhandig stralend omwille van
 
haar
 
in bespottelijke praalzucht bewijst hij diensten van leven op dood
 
en ik geloof in baarlijke liefde er staat wat er staat alsof het niets is
 
 
 
vergeleken bij liberiaanse rebellen is ook groepsverkrachting
 
poëzie
 
aan schuim hecht ik in volle ijdelheid draag ik mijn nacht als
 
een buidel

Fulpen, karmijn, avondschimmering, Nasr neemt hier Pfeijffers voorkeur voor vreemde woorden op de hak en gebruikt het beeld van de quetzal die van de nood een deugd maakt. Veel humor, zoals in afdeling vier van Onhandig bloesemend: ‘Wintersonate’, die zich laat lezen als een autobiografie van Sjostakovitsj (ik ben het volledig eens met de uitspraak van de pravda/ ik ben een worm): kameraad kaapse viool!/* doctor van de bloemwetenschappen van de USSR... kameraad edelweiss! president van de vereniging oostenrijk-sovjetunie en van de bond van verenigingen ter bevordering van de vriendschap der volkeren...



illustratie

Je zou verwachten dat Nasr iets meer zou zeggen over Palestina, hij heeft daar in de media al met deze en gene over gediscussieerd (‘een overbevolkt rampgebied, waar alle infrastructuur kapotgemaakt is onder het mom van terrorismebestrijding’), maar hij laat het bij ‘Vos (stand van de unie)’ en vooral ‘De ondermens en zijn habitat’:... indien je dit krankzinnig vindt habibi/ bedenk dan kilometers verderop/ zitten echte meisjes en jongens angstvallig/ als daad van verzet op terrassen van starbuck/ luidkeels te vrezen voor het leven.

In een interview zegt hij: ‘Een bundel als Onhandig bloesemend, daar bereik je niks mee, ik weet het. Maar het is het enige wat ervoor kan zorgen dat ik niet in totale wanhoop en haat verval. Als je alles van binnen oppot, wordt het heel gevaarlijk. En daarom gaat het volgens mij óók over politiek als ik over de liefde schrijf.’

Ontwijken

Bij Alfred - ‘val mij niet lastig met je theorietjes’ - Schaffer is sprake van afstand, van kijken, een standpunt innemen en dan iets zeggen. Hij maakt omtrekkende, filmische bewegingen. Maar als volstrekte eenling, als kritische instantie. Het is niet zo verwonderlijk dat hij woorden van Breyten Breytenbach als motto neemt voor de bij Perdu ter gelegenheid van de Jo Peterspoëzieprijs verschenen bundel Definities en hallucinaties: Nou kan ek niks voor my oë vashou/en ek het gedroom ek slaap in afsondering. Die afzondering heeft hij nodig. Schaffer is wars van uiterlijk vertoon: ‘poëticale gedichten zijn saai en overbodig’. Zijn taal is duidelijk rijker geworden sinds zijn

[p. 37]origineel

debuut, meer volwassen, bezonken. Zijn betrekkelijk isolement in Kaapstad - ver weg van Nederland - is misschien wel goed geweest voor zijn ontwikkeling. In een interview met Ron Rijghard in Awater zegt hij over de vraag in hoeverre Zuid-Afrika hem heeft beïnvloed: ‘Een schrijver is altijd een buitenstaander, bij mij is dat om geografische redenen uitvergroot. Ik denk dat het ontwijkende ook door zulke praktische oorzaken veel in mijn poëzie voorkomt. Ik wil de zaken wel bij hun naam noemen, maar wat benoem ik? Mijn wereld, mijn referentiekader, ligt niet vast.’

De afdeling ‘Bondgenoten’ kent als slotgedicht ‘Rubriceringen’ dat eigenlijk alles zegt over deze poëzie van het ontwijken:

 
Wie geduld heeft trekt hier aan het langste eind.
 
Een stoet van mieren in een nauwe sluis.
 
Niemand wuift de ander na of uit,
 
de zon staat altijd hoog. Geen conclusie,
 
geen begin. Een grap zonder clou,
 
een krijgsheer zonder leger. Ter verstrooiing
 
ligt het landschap er weer prachtig/miserabel bij.
 
Alleen in de gedachten zet dit wachten aan
 
tot schoppen, tieren, bloedvergieten.
 
Maar niets hiervan. Alsof nu elk moment een deur
 
kon openzwaaien: ‘Wie was er aan de beurt?’


illustratie

Nuchter

Tot slot Stitous Varkensroze ansichten. Een tour de force - voor alle drie de dichters geldt trouwens dat zij met gemakkelijke oplossingen geen genoegen nemen. Stitou: ‘Taalvreugde en pijn, daar gaat het volgens mij om in de poëzie’.

Stitou schreef in Optima behartigenswaardige woorden over het dichtproces en de relatie tot zijn taalgebruik:

 

‘Zingt er door mijn taal een andere taal die naar buiten wil? Ik weet het niet. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Mijn kennis en beheersing van en vertrouwdheid met het Marokkaans-Arabisch zijn zeer gebrekkig, om niet te zeggen: verwaarloosbaar. Wel kan deze taal mij zeer verrassen, bijvoorbeeld als het gaat om uitdrukkingen die ik niet eerder heb gehoord, en die mij om de een of andere reden aanspreken. Dan kan het voorkomen dat ik zo'n uitdrukking gebruik, een plaats geef in een gedicht. Een roddelaarster: haar mond vreet haar op. Haar mond vreet haar op! Een druktemaker: een man met drie handen. Drie, drie handen! Een paar keer heb ik zo'n uitdrukking vertaald (drie keer om precies te zijn: het mag geen trucje worden).’

 

Het mag geen trucje worden. Zelden las ik intrigerender poëzie dan van deze ironische, nuchtere dichter, die als een druïde tovermiddeltjes mengt en speelt met taal en werkelijkheid en filosofie alsof er niets anders bestaat. Het gedicht ‘Afstudeerproject’ zit even knap als eenvoudig in elkaar: Ze heeft eigenlijk geen zin vannacht,/ mijn joodse verloofde/ wendt zich van mij af/ abrupt, knipt het licht aan.... De associatie met Primo Levi en Celans dodenfuga gaat door merg en been: je goudblonde haar Margarete//je asgrauwe haar ulamith/goudblond, asgrauw, goudblonde,/asgrauwe pruiken, waarom doe je dáár dan niets mee?...

In ‘De schil waarop wij leven’ gaat het in vier gedichten om wat wij zien en horen: wat zich in al zijn naaktheid en banale onschuld aan ons voordoet (zie p. 38).

 

Bij Nasr het woordkunstige, bij Schaffer het ontwijkende, bij Stitou het zich tonende, dat is de oppervlakkige conclusie van dit stuk. Wie lijkt op wie? Nasrs lange Sjostakovitsj-gedicht lijkt op ‘Shakespeare, misselijkmakend of omtrent onze vader, details’ van Stitou. Terwijl de toon van diens ‘De vreemdeling bestaat niet’ weer doet denken aan Schaffer. Zowel Nasr als Stitou maken gebruik van mantra's, van affirmaties. De uitbundige toon van Nasr en de in kalme filmische beelden vervatte bezweringen van Schaffer zijn uitersten, Stitou verenigt beide én andere werkwijzen in Varkensroze ansichten tot een speels filosofisch raamwerk. Hoe groot het resultaat ook mag verschillen, in hun oorsprong zullen ze zich ongetwijfeld kunnen vinden in de woorden van Gerrit Kouwenaar: ‘Dichten is voor mij ontwikkelen, onthullen; het doordringen in menselijke lagen... met de leugenachtige en dubbelzinnige taal als creatief instrument.’

Er waait een mistral in de Nederlandse poëzie. De hele veranderende complexe wereld doet haar intrede. Met deze drie dertigjarigen zijn we het polderpeil definitief ontstegen. ■

[p. 38]origineel
De schil waarop wij leven
 
1
 
 
 
Het onderliggende het zich tonende,
 
het zich tonende het zich tonende. Op voormalige
 
zeebodem een vinexvestiging, met zo natuurlijk
 
 
 
mogelijk bos omgeven, recreatiepaden,
 
en met kunstwerk binnenkort. Alma Mater
 
heet het beeld van Johan IJzerman
 
 
 
en wordt gebouwd van gras,
 
de schil waarop wij leven.
 
Hier zijn pionieren klootjes of crimineel
 
 
 
en wie niet te categoriseren valt
 
in een aparte doos - woonkamers wemelen
 
van geruchten over een pedofiele buur
 
 
 
en asielkampen moeten het liefst
 
aan de horizon staan, zo scheidt men
 
het goede van het zwarte.
 
 
 
Transcendentie schenkt een machtige eik misschien,
 
Een afgewaaid takje staat goed in een vaas
 
Chrysanten, weet Klazien.
 
 
 
2
 
 
 
Eindelijk een eigen winkelstraat! Er staat al
 
snackbar Zeemansgraf. Een Albert Heijn.
 
En waar het bordje dus niet brommen hangt
 
 
 
is een kroeg beloofd. Tegen ratten
 
wordt gewaarschuwd. Het asfalt
 
plakt, er staat
 
 
 
in de winkelstraat
 
een brommer
 
in brand.
 
 
 
Het onderliggende
 
het zich tonende, het zich tonende
 
het zich tonende.


illustratie

‘Neruda’ van Herman de Coninck komt uit De gedichten I, De Arbeiderspers, 1998. Ik heb voor dit artikel geput uit verschillende nummers van Awater: een artikel van Bas Belleman over Mustafa Stitou (najaar 2003), een interview van Ron Rijghard met Alfred Schaffer (zomer 2004), las een interview met Ramsey Nasr in Humo (nr 3325) en raadpleegde Optima no 4, 2003.

Nuttige websites:

www.poetry.nl

www.dichterbijdebezigebij.nl

www.epibreren.nl

 

Robert Dorsman (1955) is vertaler.



illustratie