Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde


auteur: anoniem Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde


bron: Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde. Dulces ante omnia musae, Utrecht 1775  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 34]origineel

Verhandeling over den oorsprong onzer moedertaal, dienende tot eene inleiding op de volk- en taal- verspreiding van den Heer L. ten Kate.

Het gevoelen van den zeer geleerden L. ten Kate, over den oorsprong onzer Moedertale, gelijk ook van alle die Dialecten, die met haar in eene naauwe verwantschap staan, komt hier op uit. De verspreiding van Volk en Taal, die haar begin uit Asië genomen heeft, en in Europe gevestigd is, ontstond uit deze drie hoofdtakken. De eerste derzelve was geleid langs de Middellandsche zee, van over den Bosporus, tot

[p. 35]origineel

in Thracië, Griekenland met zijne Eilanden, Illyrië, Dalmatiën, oud Italië, Hispaniën, en Galliën, en verder tot in Groot Britannië: dezen noemt hij den Keltischen Tak. De twee andere Takken spreidden zig, van agter het Maeotische Meir en de Zwarte zee om, door het Europische Scythië, nu Klein Tartarijë genaamd, west en noordwaard aan. De eene van deze twee Takken heeft zig gewend naar de Baltische zee, nu de Oost-zee geheten; terwijl de andere zig westwaard uitzette, door het hart van Europe heen, door Thracië, Moesiën, en Pannonië, tot Germaniën en België. Den eersten noemt hij den Kimbrischen Tak, om dat de oude Noordsche Volken, die uit dezen hoek kwamen, onder den naam van Kimbren, Cimmerii, en Cimbri, bekend staan. De tweede is bij hem de Teutonische, of Teutsche, en, naar ons Dialect, de Duitsche Tak. Onder dezen telt hij ten deele de Moeso-Gothen, Wandalen, Angelsaxen, en verder de oud-Frieschen, met hunne spraken: ten deele trekt hij hiertoe het oud-Alamannisch, en het hedendaagsch Hoogduitsch; wijders het oud-Frankduitsch, en ons oud en tegenwoordig Belgisch, of Nederduitsch.

Dit is hoofdzakelijk een kort begrip van de

[p. 36]origineel

gedagten des grooten Taalkenners, aangaande de Volk- en Taal- verspreiding over Europa(a). Misschien zal iemand hier op zeggen, dat, schoon de Heer ten Kate een verhaal hebbe opgegeven van alle lotgevallen der Volken en Talen in Europe, hij egter wel begeerig zoude zijn, om nader den oorsprong van alle onze Dialecten te weten, en derzelver geschiedenis, van het begin af, opgehaald te zien. En dit is het, dat mij bewogen heeft, tot het schrijven van deze verhandeling, waar in ik dit wat nader zal poogen uit te vorschen.

Twee zaken zal ik bij wijze van vooronderstelling voor af laten gaan. Voor eerst, dat deze Takken, met alle derzelver uitspruitselen, de Scythen tot hunnen geslagtboom hebben gehad. Dit wordt van niemand, zo veel ik weet, in twijfel getrokken(b). Hier van is het, dat de Ouden Scy-

[p. 37]origineel

thië zoo ver hebben uitgestrekt, dat het niet alleen het Noordelijk gedeelte van Asië, maar ook geheel Europa in zig bevatte(c), waar heen de Heer ten Kate zijne geheele Volk- en Taal- verspreiding heeft geleid. Daarenboven is het ook bekend, uit de getuigenis van Justinus, dat de Scythen het oudste volk geweest zijn, dat is, zulk een, waar aan de volken in Europa, en ten deele in Asië, hunnen oorsprong verschuldigd zijn, en welks geslagtrekening van Noächs huisgezin begint, gelijk straks nader zal getoond worden. Ten tweede, vooronderstellen wij, dat de taalverspreiding, door middel van drie Takken, van de Scythische tale begonnen zij: het een vloeit toch uit het ander. Immers, indien wij de menigvuldige dialecten, door de verspreiding der Volken opgekomen, aandagtig gadeslaan; indien wij den geheelen Taalboom, van den Heer ten Kate geplant, in zijne uitgestrektheid naauwkeurig beschouwen; zullen wij van zelf tot de Scythische taal gebragt worden,

[p. 38]origineel

den vrugtbaren stam van zo vele Takken(d). Dit moet men egter zoo ver niet trekken, dat men stelle, dat de Scythen Germanisch gesproken hebben, gelijk Boxhorn en anderen drijven, die den naam van Scythen afleiden van het werkwoord Schieten/ Jaculari, naardien zij liefhebbers van het Boogschieten waren(e): geenszins: want hier omtrent moet ik vooräf aanmerken, dat de talen met den tijd zulke veranderingen hebben ondergaan, waar door men buiten staat zoude geraken, om derzelver oorsprong te bewijzen, indien de geschiedenissen ons hier niet te hulp kwamen: en dus is het ook met de Scythische taal, en derzelver afstammelingen, gelegen. Wij denken derhalve liever, met Herodotus, dat de naam van Scythen aan dat volk gegeven zij van Scytha, den zoon van Herku-

[p. 39]origineel

les. Doch laat ons nu den oorsprong der Scythen, en van hunne taal, wat meer van nabij beschouwen, om daar door de geschiedenis van onze taal in hare eerste springbron te ontdekken.

Wat het volk aangaat: Strabo geeft ons dit berigt van het zelve.: Eertijds werden de bekende volken langs het Noorden Scythen genaamd, of Nomades, gelijk van Homerus: naderhand, toen hunne landen bekend waren, zijn zij Celten, Ibers, of, met een' vermengden naam, Celtibers, en Celtschythen geheten(f). Alle die volken derhalve, die langs het Noorden uitvallen deden, werden, bij de ouden, Scythen genaamd; dewijl nu deze uitvallen eerst, langs het noordelijk deel, in Asië, en verder door gansch Europe waren uitgestrekt; zo is hier uit de tweeërlei soort van Scythen, der Asiatische, en Europische, ontstaan. Van de eersten handelt Diodorus Siculus zeer beknopt, uit wien Vitringa derzelver beschrijving heeft opgegeven. De tweede soort is door L. ten Kate, in alle hare verspreidingen door Europe, genoeg nagegaan. Alleen wil

[p. 40]origineel

ik maar aanmerken, uit Diodorus Siculus, dat de Scythen uit Asië geboortig zijn, en verder de Noordsche Landen van Europe bezet hebben. Voords, leer ik uit den Joodschen geschigtschrijver Josephus(g), dat de Scythen van Magog, den tweeden zoon van Japheth, Noachs Zoon, afstammen: hier van noemt hy de Scythen (μαγώγας) Magôgas, welke derhalven die volken waren, die, zig van andere Oostersche volken afscheidende, naar het Oostersche gebergte zyn getrokken, waar zij eene woeste en onbeschaafde levenswijze gehouden hebben, en verder, als wilden, zijn aangevallen op andere volken, zoo dat zij door Asië tot in Europe heen drongen.

Om deze reden was de geleerde Vitringa van oordeel, dat de eerste Scythen de Elamiten geweest zijn, wier Koning Kedorlaomer was(h), het welk hij met de getuigenissen van Strabo en Herodotus bekragtigt(i), te gelijk aantoonende, dat de Persen, die ouwlings ook ץילם, Elamiten, genoemd wierden, oorsprongkelijk Scythen zijn, gelijk Ammia-

[p. 41]origineel

nus(k) zegt. Doch, indien deze stelling doorgaat, zouden de Scythen niet van Magog, den tweeden Zoon van Japheth, maar van Sem afdalen, want Sems Zoonen waren Elam, enz. volgens Gen. X. vs. 22. Ja, deze oorsprong der Scythen van Sem loopt geheel aan tegen het gemeen gevoelen der geleerden, en tegen de getuigenis van Josephus, boven aangehaald: daar bij schijnt hij te strijden tegen de Godspraak van Noach, Gen. IX. vs. 27. Naardien wij door het uitbreiden van Japheth, niet anders kunnen verstaan, dan de vermenigvuldiging van zijne nakomelingschap, welke door Asiën in Europe verspreid is, en dus ook uit Scythen bestaan heeft: en, aan den anderen kant, wordt er, door het woonen van God in Sems Tenten, voorspeld de gunstige inwooning van God, onder de Israëlleren, en niet eene volkverspreiding van Sems geslagt. Op deze wyze vat men de woorden beter op, dan gewonelyk geschiedt: te weten, en hij woone in Sems tenten, brengt men doorgaans tot de inwooning van Japheth; doch beter wordt het op God gebragt, die de God van Sem ge-

[p. 42]origineel

naamd wordt, Hoofdst. X. vs. 26.(l). Ondertussen merk ik, dat hier door eene merkelijke zwarigheid omtrend den oorsprong der Scythen gerezen is, die ik naauwlijks kan doen verdwijnen. Het beste evenwel, ter beslissing van het verschil des grooten Vitringaas, met het gemeen gevoelen, is, naar mijn oordeel, indien men de zaak dus begrijpt, dat er een Zoon van Sem, Elam (ץילם) genaamd, Gen. X. vs. 22., denkelijk van eenen eenzinnigen en onbeschaafden aart, zig met zijne huisgenooten naar het gebergte vervoegd hebbe, waar de nakomelingen van Magog, den Zoon van Japheth, zig neergezet hadden, met welken zij vervolgens vermengd, en voordgetrokken zijn. Ter onderscheiding nu van de Scythen, uit Magog geboren, is deze Tak, waar uit de Perzen zijn voortgekomen, Elam, of die der Elamiten, genaamd, naardien hij van Sems zoon was afgedaald. En, om dat zij onder malkanderen verward zijn, komen zij beiden voor, onder den gemeenen naam van Scythen.

[p. 43]origineel

Dit zij genoeg ter verklaring van den oorsprong der Scythen: ondertussen, wat iemand hier omtrend ook denke, blijkt dit ten klaarste, dat de Scythen van nature Oosterlingen zijn, en bij gevolg, dat hun Taal in de Oostersche gegrond zij.

Maar hoe is het, mag iemand hier met reden vragen, in het vervolg met de Scythen, en hunne taal gegaan? welken invloed heeft dit Oostersch volk op de Duitsche dialecten gehad? - Dit is het tweede, stuk, waar toe wij nu overgaan.

Omtrend de taal der Scythen, zal ik het gevoelen van den vermaarden Boxhorn(m) voorstellen, dat met het vorig gezegde zeer wel strooken zal. Namelijk, wanneer de Scythen(n) zig van andere Oostersche volken, van welken zij af komstig waren, gescheiden hadden, begaven zij zig ter woon op het Oostersch gebergte, alwaar zij, van allen beschaafden handel met

[p. 44]origineel

andere volken verstoken, hunnen verwilderden gemoeden den ruimen teugel vierden, en ras tot woeste zeden vervielen. Ja, dit was het onvermijdelijk gevolg van hunne ongebondenheid, dat zij, als de wilden, gedurig uitvallen deden in het gebied van andere volken, waar mede zij allengken vermengd raakten. Uit deze vermenging werd, door den tijd, eene verdeeling onder de Scythen geboren, en, hier door, eene verspreiding, waaröp noodzakelijk eene verandering in de taal van dit volk volgen moest.

De zaak dus begrepen zijnde, kan men gemakkelijk den draad van de geschiedenis onzer Moedertaal nagaan. Want, voor eerst, uit het gezegde ziet men, dat de gansche Volk- en Taalverspreiding over Europe, die de Heer ten Kate heeft opgegeven, door de vermenging der Scythen met andere volken, en derzelver veelvuldige verdeeling, veroorzaakt zij, en bij gevolg, dat alle Duitsche dialecten van de Scythische taal af komstig kunnen zijn, waar van de waarheid reeds in het vorige was aangetoond. Maar deze Scythische taal was wederom een dialect van de eerste taal(o), welke voor de

[p. 45]origineel

Babelsche spraakverwarring heeft stand gegrepen, en, door middel van dezelve, in verscheidene dialecten verdeeld is, gelijk de Heer A. Schultens voor een onpartijdig gemoed klaar betoogd heeft(p). Ten tweede, blijkt hier uit, hoe de Perzische taal vele woorden heeft overgenomen van de Duitsche dialecten: immers, gelijk wij gezien hebben, zijn de Perzen afkomstig van de Scythen, door wier taalverandering de Duitsche dialecten geboren zijn: doch van deze overeenkomst der Perzische taal met onze Moederspraak, zullen wij hier agter met opzet handelen. Eindelijk, kunnen wij alle zwarigheid hier uit oplossen, hoe wij kunnen weten, dat de Scytische taal, waar van wij schier geene overblijsselen hebben, Van oorsprong een Oostersch dialect zij geweest, en teffens de grond zij der Teutonische dialecten? want dit maken wij met reden op, uit de opgegevene geschiedenis der Scythische taal - en volkverspreiding. Daarenboven hebben wij nog eenige voorbeelden van Scytische woorden in Herodotus, waar uit de Heer Vitringa(q), en

[p. 46]origineel

anderen met hem, hebben besloten, dat der Scythen taal, hoe verbasterd, egter uit het Oosten ontsprongen zij. En, wat de voordplanting der Teutonische spraken door de Scythen belangt, men kan, behalven uit het vorig verhaal, vergeleken met de Volk- en Taal-verspreding van den Heer ten Kate, dit stuk verder staven uit de voorbeelden van naauwe overeenkomst der Perzische Taal met onze dialecten, nademaal het zeker is, dat de Scythische taal ten grondslage verstrekt hebbe voor de taal der Perzen, die oorsprongkelijk Scythen waren, gelijk wij voorheen hebben aangemerkt. Ook hebben de Scythen deze vermenging der Perzische en Teutonische spraken veroorzaakt, gelijk zij den grond gelegd hebben voor de volk - en taal-verspreiding, waar van de Heer ten Kate handelt: en derhalven is hunne taal de Moeder ook van onze Moedertaal, daar wij in eindigen moesten.

 

G. 't H.

1762.