Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde


auteur: anoniem Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde


bron: Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde. Dulces ante omnia musae, Utrecht 1775  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 210]origineel

Dichtlievende aanmerkingen.

I. Aanmerkingen over het Zes-span.

Het dichtstukje, dat Het Zes-span ten titel voert, en in de Maendelijksche Bijdragen(a) gelezen wordt, vertoont vele blijken van des Opstellers dichtgeest, en kunde. Mij dagt egter, dat er eene en andere aanmerking op te maken was; doch, om te zekerder te oordeelen, wenschte ik, het oorspronglijk Fransch in te zien: dewijl het voorkomt, als gevolgd naar het Fr. van den Heer F.S. Regnier Desmarais. De dichter zelf, die mij bekend, en mijn lieve vriend was, maar thans reeds ten grave is, had de edelmoedigheid, mij de bron, waar uit hij geschept had, aan te wijzen. Zij was de Bibliotheque Poëtique, ou Nouveau Choix des plus belles Pièces de Vers, en tout genre, depuis Marot jusqu' aux Poëtes de nos jours, met der Dichteren levens-

[p. 211]origineel

beschrijvingen, en Aanmerkingen op derzelver werken(b). Hier vindt men(c) het nagevolgde dichtstuk, onder den naam van L'Attélage, (De Aanspanning), welk wij dus, in onrijm, vertolken:

‘De weg des menschelijken levens is geheel vol stinken (mauvais pas). Zie hier, wat ik doe, om er gemaklijk uit te komen. Voor het sterflijk rijtuig, dat ik ten grave voere, span ik, eerst, de Geregtigheid, welke altijd regt door (rondement) stapt: en de Menschenliefde (la Charité), zonder welke de eerste minder ligt loopen zou. De Waarheid, en de Onafhanglijkheid, die maar een' enkelen en ligten teugel heeft,

[p. 212]origineel

loopen voor, en spoeden voord, verre van den weg des Rijkdoms. Aan de as (la Volée(d)), is de Gezondheid, die, gevoegd bij de Scherts (la Badinage), mij alle de slinken van den weg vrolijk doet doorkomen. Ik zal noch van het Lot (du Sort), noch van de Natuur iets te verlangen hebben, als het Span maar even lang kan duren, als het Rijtuig.’

Laat ons nu de Navolging inzien. Deze luidt dus:

 
‘De Heirbaen van het leven
 
Wordt juist van ieder eên
 
Zoo moeilyk niet bereên
 
Als men gemeenlyk voor hoort geven.
[p. 213]origineel
 
Ik ry hem vergenoegd;
 
Waerom? 'k heb voor den wagen,
 
Die my naer 't graf moet dragen,
 
Dit heerlijk zes-span t'saemgevoegd.
 
 
 
De nooit verdwaelde Reden
 
Loopt op deez' krommen baen
 
Voorzigtelyk voor aen,
 
Naest zuivre Liefde, vlug van schreden,
 
Dan volgen losgetoomd
 
De Vryheid en de Waerheid,
 
Een paer dat voor de naerheid
 
Van Geldzuchts dwarspad altijd schroomt.
 
 
 
Gezondheid en Genoegen
 
Zyn aen den as gehegt,
 
En, valt de weg wat slegt,
 
Zy springen, zelfs als and're zwoegen.
 
Fortuin, strooi vrij uw kaf,
 
Natuer, uw loze steenen;
 
'k Ren over all' die schatten henen
 
Tot my de dood met kar en kleppers bonst in 't graf.’

Doch in dezelve valt, mijns oordeels, vrij wat te berispen. Behalve, dat de Dichter de woorden baan en as mannelijk stelt, daarze in het

[p. 214]origineel

vrouwelijk geslagt staan moesten; zo valt er op de zaken en gedagten zelve, gelijk ze hier uitgedrukt zijn, nog al wat te zeggen, dat men tegen het oorspronglijke niet in kan brengen. I. De dichter zegt, dat hij dit heerlijk zes-span zaamgevoegd heeft voor den wagen, die hem naar 't graf moet dragen. Op deze uitdrukking merk ik aan, 1. dat de dichter niet naauwkeurig is, daar hij zig zelven de eere der aanspanning geeft, ook ten opzigte der gezondheid, die men dikwerf buiten eigen schuld kan kwijt gaan. 2. Daar er twee kleppers aan de wagen-assen gehegt zijn; zo volgt, dat er, van de zes peerden, slegts vier voor den wagen loopen: waaröm dit stukjen ook beter een' anderen naam zou voeren, dan dien van Zes-span, dewijl men daar door het denkbeeld krijgt, als of er zes peerden, twee en twee, voorgespannen waren. 3. Hij spreekt van een' wagen, die hem naar het graf moet dragen. Hier uit blijkt niet, of hij zelf, dan of een ander, voerman is. De Fransche dichter heeft dit alles gemeden(e). II. In het tweede Koeplét heeft

[p. 215]origineel

de Navolger 1. de Reden en Liefde, min duidelijk en naauwkeurig, in plaats van Geregtigheid, of Regtveerdigheid, en Menschlievendiieid geplaatst. 2. Hij spant dit paar peerden voor aan; doch de Fransche Dichter stelt het agter: want hij zegt, a. dat hij deze peerden eerst inspande: en b. dat het tweede paar daar voor loopt. 3. Het is te veel gezegd, dat de Reden nooit verdwaalt, of verdwaald is. 4. Als van twee peerden, die naast elkander loopen, het eene voorzigtelijk loopt, en het andere met vlugge schreden; dan is het te vreezen, datze ongelijk, of, met een voermansspreekwijs, niet op elkander loopen, en dus ongelijk trekken zullen. 5. De vrijheid drukt het Fransche Indèpendance, of onafhanglijkheid, niet volkomen, noch naauwkeurig, uit. 6. Bij de vrijheid, of onafhanglijkheid, komt het wel, maar niet bij de Waarheid, te pas, datze los getoomd zij, of, niet, dan een' enkelen en ligten teugel

[p. 216]origineel

aan hebbe, volgens het Fransch. 7. Waaröm schroomen Vrijheid en Waarheid meer voor het dwars-pad der Geldzugt, dan Reden en Liefde? - Geene dezer aanmerkingen raakt wederom den Franschen dichter. III. In het laatste koeplét, is 1. Het Genoegen in plaats van de Scherts, of Boert, gesteld: dat hier daaröm minder strookt, dan het anders nog al doen zoude, om dat er reden gegeven wordt, waaröm de Dichter vergenoegd is. Zat hier van de reden zijn, om dat hij 't vergenoegen bezit; dan is hij vergenoegd, om dat hij vergenoegd is. 2. Het kaf der Fortuin, en de looze steenen der Natuur zouden duister zijn, wierden zij niet, eenigszins, door den volgenden regel opgehelderd, uit welken blijkt, dat er schatten, en aardsche goederen door gemeend worden. 3. De Dichter stelt zig voor, dat hij eens, met zijn karretje, dat is, zijn ligchaam; en met de peerden, waar onder Reden, Liefde, Waarheid, en Vrijheid; zal in het graf gebonsd worden. - Doch, a. als de Dichter zig zelven onderscheidt van de kar, welke hij ment, dan stelt hij tevens zijne ziel als sterflijk voor. b. Dat de Reden, en Waarheid, die zelfs, zal er geen groot gebrek in het geheele gespan zijn, den Godsdienst insluiten moet, ook met hem ten grave dalen, is niet waaragtig,

[p. 217]origineel

noch stigtelijk. - Zoo veel kan er op deze Navolging aangemerkt worden! Zoo veel heeft een Navolger, en naauwkeurig Zededichter in agt te nemen!

II. Golfjes kemmen.

Dezelfde Maendelijksche Bijdragen zullen ons nog verder stoffe aan de hand geven tot eene en andere dichtkundige aanmerking. De golfjes, baren, te kemmen, is eene dichterlijke spreekwijs, door de Bijdragers(f) uit Van Winter, Hoogvliet, P. Schim, H. Schim, en Vondel bijgebragt. Mij heugt, dezelve ook, fraai, door den Heer A. Kluit gebezigd, gezien te hebben(g). De Opstellers der Bijdragen zeggen: ‘kemmen is alleen eigen aen het hair, en werdt overdrachtelijk van de golven en baren gebezigd, om dat die by de ouden wierden uitgebeeld door de lokken van Neptuin.’ Doch, voor eerst, denk ik, dat kemmen ten minsten ook eigen is aan de wol. Ten tweede: 't kan zijn, dat de

[p. 218]origineel

overdragtige spreekwijs van Neptuins, of der stroom-goden en-godinnen, lokken ontleend zij: doch dit kan niet wel uitleggen, hoe een zang, of fluit, of hoe Christus, de zee en stroomen kemme; van welke spreekwijzen de Bijdragers voorbeelden bijbrengen. Liever oordeel ik, dat men, eenvoudig, kan zeggen, dat, gelijk het haair door kammen, of kemmen, effen en glad gemaakt wordt; men dus ook eigenäartig zegge, van baren, vloeden, stroomen, en golfjes, datze gekemd worden, wanneer zij glad en effen worden gemaakt; of wanneer zij zig niet met gebruisch, geschuim, en onstuimigheid verheffen; maar zulk eene, effenbaar en hobbelig golvende, beweging vertoonen, als men in eene stilvlietende rivieren, en in pas gekemd haair bespeurt.

III. Netten.

Dat dit werkwoord bij onze Dichteren voor reinigen, zuiveren, wasschen, schoon en net maken, gebruikt worde, is door het gebruik genoeg gewettigd(h), en niet te wraken. Doch

[p. 219]origineel

wat is het eigenlijk? - Dewijl het gelijkvloejend is, blijkt het klaar genoeg, dat het van een Naamwoord afgeleid zij. Kiliaan kent tweederlei netten. Het één is bij hem net maken; het ander, nat maken; doch, gelijk de e en a dikwerf in de afleidingen verwisseld worden(i); zoo denk ik, dat netten, oorspronglijk, alleen, zij, nat maken. Deze beteekenis steekt door in twee spreekwijzen, door Kiliaan aangeteekend. De eerste is, den baard netten, dat is, met warm water bevogtigen. De andere is eene zegswijze der drinkbroeders, die netten gebruiken, voor drank nemen, of, bij verkleining, de lippen nat maken. - Dewijl men nu nat makende, wasschende, en afspoelende, vele dingen zuivert, en reinigt; zo is hier van de beteekenis van zuiveren en reinigen, bijzonder door eenig vogt, zeer eigenaartig ontstaan(k). Dus is genet, of net, rein, zuiver, zinlijk. Doch dat net, een vischnet, ook hier van zou komen, om dat het, gelijk Kiliaan schrijft, dikmaal gewasschen en nat wordt, oordeel ik, te ver gezogt, en ik wil het liever van

[p. 220]origineel

het Latynsche Nassa(l) afleiden. Niet min verwerp ik de afleiding van net en netten, die van het Grieksche νίπτειν, of νίζειν, gehaald wordt(m). De woorden van Poot(n):

 
‘Ik zal, zoo moet root gout myn veder netten,
 
‘Op uwe kruin een kroon van starren zetten,

blijven mij nog onverstaanbaar. De Heer Huydecoper(o) zeide er, zedig en zagtäartig, van: ‘Ik weet niet, of Poot dit woord wel gebruikt, als hij zegt, enz.’

IV. Oogelijn.

Oogelijn is bij de dichters gebruikelijk, voor iets keurigs, uitgelezens, uitnemends, voortreflijks, dat schittert en blinkt, aller oogen tot zig trekt, en dierbaar is, of hoog geschat wordt, in de bezitting. Het is eene oude verkleining van oog, en beteekent dus, eigenlijk, hetzelfde als oogje. (Doch, zoo veel vermag het gebruik),

[p. 221]origineel

daar dit laag en laauw klinken zou, luidt het oude oogelijn deftig en grootsch. Oog heeft overeenkomst met het Grieksche ἀυγὴ, dat glans beteekent(p). Voorbeelden van het dichterlijk gebruik van oogelijn zijn in de Maandelijksche Bydragen opgegeven(q): daar men egter niet had behoord te schrijven: ‘dat oogelijn niet altijd in denzelfden zin gebezigd, - en door Sibr. Feitama(r) in dien van noordstar gebruikt wordt;

 
‘Zoo blijft uw Heldenschilderij
 
Het oogelijn der Poëzij,
 
De Noordstar om ons-voor te lichten.’

Beziet men de woorden wel, men merkt ras, I. dat oogelijn er niet in den zin van Noordstar gebruikt; maar 2. er van onderscheiden; en 3. niet anders dan in de, bij de Dichters, gewone, en van ons opgegevene, beteekenis gebezigd worde.

[p. 222]origineel

V. Aanmerking op Poot, en J.V.I.

Onder de wetten der Dichtkunde is deze, eene der meest noodzakelijke; ‘dat de dichter het welvoeglijke in agt neme’ dat hij dus den persoonen, welke hij sprekende invoert, niets in den mond legge; of van hun, van welken hij spreekt, niets zegge, dat met derzelver omstandigheden en betrekkingen niet overëenkomt. Dus moet hij, niet min, dan een schilder en beeldhouwer, steeds de gelegenheid van tijd en plaats onder het oog hebben, in welke zijne persoonen zig voordoen. Tegen deze wet, dunkt mij, zondigde Poot(s), toen hij des eerstvaders Adams laatste woorden op deze wijs aanhief:

 
‘'t Veranderde tooneel der werelt ziet in 't ende
 
Myn persoonaadje, mar van kommer en elende,
 
Eens aftreên naar de ruft. Ik heb myn rol volspeelt.’

Ik beken geerne, dat de weereld, anders, zeer gepast bij een tooneel; de menschen, bij de spe-

[p. 223]origineel

lers; hun dood, bij 't aftreden van het tooneel; en hun leven, bij de rol, die gespeeld wordt, kan vergeleken worden. Ik beken, dat de groote Vondel deze overbrengingen meesterlijk heeft rebruikt, in deze zijne Schouwburgdichten(t):

 
‘Tooneelspel quam in 't licht tot leerzaem tytverdryf,
 
Het bootst de weerelt na: net kittelt ziel en lyf:
 
Het prickeltze tot vreught, of slaet ons zoete wonden:
 
Het toont, in klein begrijp, al 's menschen ydelheit;
 
Daer Demokrijt om lacht, en Heraklijt om schreit.’
 
 
 
* * *
 
 
 
‘De weerelt is een speeltooneel.
 
Elck speelt zijn rol, en krijght zijn deel.
 
 
 
* * *
 
 
 
‘Het zy ghy speelt voor stom, of spreeckt,
 
Let altijt in wat kleet ghy steeckt.’

Fraai schreef ook de Godvrugtige Hugo Binning(u): ‘Komen wij niet allen op het tooneel der weereld, als voor een uur, om onze rol te spelen, en dan gaan wij henen.’

Maar hij, wien dunkt, dat Adam dus kon spre-

[p. 224]origineel

ken, geeft te kennen, dat Adam ook kennis had van den Schouwburg en het tooneel, dat, immers, nog niemand ooit gedagt heeft.

Dergelijke fout, denk ik, steekt er in, als men eene beste huisvrouw, volgens Salomons schildering(v) uitgebreid, eerst, volgens den Oosterschen trant, op deze wijze roemt:

 
‘Aurora slaapt nog, als zy ryst,
 
Om voor de keuken zorg te dragen.
 
Is 't nood, zy zend een stoet van kemels, of een wagen,
 
Ter goedkoop uit om brood; en wyst
 
Elk meisje werk en taak;
 
Waar na zy met vermaak
 
Te schranssen geeft aan honderd lompe slaven, enz.’

en, daarna, dezelve prijst, om dat zij zig met die tooisels niet oppronkt, welke zij, meer dan waarschijnelijk, nooit kende, en waar toe ze, derhalven, nimmer in verzoeking kon komen; aldus:

[p. 225]origineel
 
‘Wel wars van allen laffen toy,
 
Omgord zy 't lyf, om kracht te hebben:
 
Hare eerbre boezem weet van gaas noch kante webben: enz.’

iets, dat zeer wel in onzen, maar niet in Salomons tijd, tot lof eener deugdzame en ingetogene mevrouwe, kan gezegd worden.

VI. Aanmerking op Sannazaar, Vondel, en Poot.

Hoe zeer de verzieringen, of verdichtsels, ook den geest van den Dichter te kennen geven, en een dichtstuk leven en sieraad bijzetten, ja 't zelve uitmaken; zo heeft egter een dichter op te letten, vooräl in een Lofdicht, 1. dat zijne vinding niet volstrekt ijdel, en onmogelijk zij. Heeft dit plaats, dan zal a. iemand, die net en wel denkt, zig veel meer gestoord vinden over 's Dichters onbeschaamdheid, die den lezer voor onzinnig genoeg houdt, om iets, dat of geen wezen heeft, of tegenstrijdig is, voor mogelijk en roemrugtig aan te nemen; dan vermaakt door de geestige vinding en uitdrukking, b. Mengt de dichter het onmogelijke in zijnen lof, en meent hij dus iemand te prijzen; dan volgt, dat, daar het onmogelijke nooit gebeurt, dus ook de

[p. 226]origineel

lof zelf geheel en all verdwijnt: en dat er, derhalven, in plaats van lof, of niets gezegd, of, eerder, de persoon, dien men prijzen wou, gegelaakt worde. - Tegen deze wet zondigde Sannazaar, in dat vermaarde Bijschrift tot lof van Venetië(w), dat den agtbaren Raad dier zeestad, veel(x); maar kundigen beoordeelaren, weinig of niets weerdig scheen(y). Velen hebben het fraai gevonden, en, meer of min gelukkig, van verre nagevolgd(z). En, waarlijk, hij is een Fenix onder de dichteren van later tijd(a). Doch het is zeker, α. dat het, in eene Christene eeuw, weinig of geene eere voor eene Christene stad kan zijn, dat een dichter van haar zegt, dat zij door eene heidensche

[p. 227]origineel

godheid geprezen zij. Immers, heeft men tot roem eener stad niets anders te zeggen, dan Neptunus zelf prees haar, of zou haar pryzen; het is klaar genoeg, dat all wie niet in Neptunus gelooft, hier in ook geenen lof zal vinden. β. Gelooft men al in heidensche goden, dan wil het nog weinig zeggen, dat één God, die niet voor onpartijdig kan gehouden worden, haar boven Rome, na dat het vervallen is, verheft: daar een ander dichter ligtelijk een grooten drom andere goden zou vinden, die London, Parijs, of Amsterdam, boven Venetië zouden stellen. γ. Maar wat heeft het toch voor lof in zig, dat Neptunus gezegd heeft, ‘Gij, Jupijn, zult moeten bekennen, dat Rome, door menschen; Venetië, door goden, gebouwd is?’ Het is alles zoo verward, tegenstrijdig, en vol van klatergoud, dat het heele vers mij geen duit weerdig is.

Hoe Vondel zig vergreep(b), toen hij de maan voorstelde, als bezwijmende,

 
‘ - besprenckelt van het nat,
 
Van brein en bloet bespat,
[p. 228]origineel
 
‘Verdooft van al 't gejammer en gekarm, enz.’

hebbenwe reeds, te voren(c), met een woord, gezegd, en is nu ligt te ontdekken. Maar wij moeten nog iets zeggen aangaande een' anderen regel, welke, omtrend de verzieringen, moet in agt genomen worden. Namelijk, 2. als men eene verziering uit de ouden overneemt, moet men wel gadeslaan, dat men er niets van zig zelven bijdoe, 't geen tegen den aart van het verdichtsel strijdt. Wij weten thans zeker genoeg, dat er geen eigenlijk gezegde vogel Fenix, gelijk hij door de ouden verdicht werd, in wezen is, of ooit was. 't Is egter zeer geoorloofd, en gemeen, eenen eeneling in zijne soort, eenen Fenix te noemen. Elk zal dit verstaan, en er iets weergadeloos door begrijpen. Te regt mogt dan Poot(d) zingen:

 
‘Dat Quikklenberg, door lant en steden,
 
Zyn' lof zie bloeien menigh jaer.
 
Men voer' met tempelplechtigheden
 
Dien Fenix op 't muzykaltaer.’
[p. 229]origineel

Te regt mogt Hij eene Kunstkroon vlegten voor denedelen heere Adriaen van der Werf, Ridder, enz. Fenix der Schilders(e). Maar hij overtreedt beide de opgegevene regelen te gelijk, in dit Lofdicht op de edele schrijfkunst van meester N. Treker(f):

 
Treker trekt een schoone letter
 
Schilderkundig op 't papier.
 
Niemants veêren schrijven nette,
 
Of met levendiger zwier:
 
Dat moet zelf de Nijt bekennen.
 
Kroont den Helt met fenixpennen.’

Ik zal geene aanmerkingen maken op de letterspeling, in den eersten regel, Treker trekt -, die hier niet ongepast, doch geene wezendlijke schoonheid is(g): ook niet op den lammen vierden regel - Of met levendiger zwier: noch onderzoeken, of de kunstige Treker te regt een held genoemd worde: - maar alleen zeggen, dat hij, volgens dit Lofdicht, zekerlijk, onge-

[p. 230]origineel

kroond sterven zou. Want, voor eerst, het is zeker, dat er geen Fenix is, en er dus ook geene Fenixveeren in de weereld zijn. Ten tweede, gelooft men al, dat het oude verziersel hier wel kan in het oog gehouden worden; dan zal men nog geene Fenixvederen kunnen bekomen. Immers, het geen de Heer Bern. de Bosch zeer wel opmerkt aangaande t Fenixdons, is even, ja meer(h), zeker ten opzigte der Fenixpennen. Wij zullen zijn gezegde opgeven: ‘Men vertelt ons, schrijft Hij(i), dat de Fenix een

[p. 231]origineel

Arabische vogel is, zonder gade of geslachtgenoot, en dat hij, oud geworden zijnde, zich een nest maakt, het welk, door de straalen van de zonne ontstoken, met den daarop zittenden Fenix verbrand, en dat uit die assche weder een andere Fenix geboren word, wien het op gelijke wijze gaat. Indien wij dit aannemen, gelijk wij doen, zo dra wij van een' Fenix gewaagen, zo is het niet wel mogelijk dat men immer het dons van den Fenix kan magtig worden, en dus mag een Dichter, dien het anderszins vrij staat, zich van aangenomen gevoelens en bekende volksdwaalingen te bedienen, daarvan geen gebruik maaken.’ - Hoe men het sterven van een' uitmuntenden vader, die een' uitmuntenden zoon nalaat; fraai, bij 't verrijzen van den Fenix uit zijn asch kan vergelijken, is elders te zien(k).

1761. 1774.

M.T.