Queeste. Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Jaargang 2001


auteur: [tijdschrift] Queeste


bron: Queeste. Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Jaargang 8. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2001


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

De Leidse lapidariumfragmenten: delen van Maerlants cortten lapydarys?1
J.P. Westgeest

Voor Wim Gerritsen

1 De Leidse lapidariumfragmenten

De Universiteitsbibliotheek van Leiden bewaart onder de signatuur Ltk. 1753 twee ongeveer even grote handschriftfragmenten, die beide deel hebben uitgemaakt van één perkamenten bifolium, dat ongeveer in het midden van de hoogte horizontaal werd doorgesneden.2 De beide bladen van dit oorspronkelijke bifolium, afkomstig uit een veertiende-eeuws handschrift, bevatten twee niet aaneensluitende gedeelten van een Middelnederlandse tekst over edelstenen.3 Wat bekend is over de herkomst van de fragmenten kan in enkele zinnen worden weergegeven. De eerste bekende bezitter was Stanislas Bormans, zoon van de bekende J.-H. Bormans, en conservator van het Rijkarchief in Namen.4 Later zijn de fragmenten in bezit gekomen van A. van Berkum te Nijmegen. Jacob Verdam, die in 1895 net bestaan ervan heeft bekend gemaakt, heeft van de tekst een afschrift gemaakt, en is de tekst enige jaren vóór 1907 in die vorm voor het Middelnederlandsch Woordenboek gaan gebruiken.5 Verdam blijkt ook zelf de beschik-

[p. 2]

king te hebben gekregen over de fragmenten (wanneer en hoe is niet duidelijk): de UB Leiden heeft ze verworven als legaat van Verdam, toen die in 1919 overleed.

In 1970 bezorgde de Belgische hoogleraar Braekman een uitgave van de fragmenten, die hij vergezeld liet gaan van een lezenswaardige inleiding. Zoals al blijkt uit de titel van zijn artikel ‘Fragmenten van de verloren gewaande “Lapidarijs” van Jacob van Maerlant’, heeft hij de tekst met grote stelligheid geïdentificeerd. Hij was er blijkbaar van overtuigd als eerste het auteurschap van Maerlant te hebben overwogen. Sprekend over Verdam en diens afschrift schreef hij althans: ‘Blijkbaar heeft hij er [...] het belang niet van ingezien, dat ze, wegens hun verband met Maerlant, hebben’ (p. 502). Dat de mogelijkheid van Maerlants auteurschap echter wel degelijk ook bij Verdam opgekomen is, blijkt wel uit een opmerking in de door hem in 1895 voor de Koninklijke Akademie van Wetenschappen gehouden lezing: ‘Misschien zal het fragment, als het uitgegeven is, eene bijdrage leveren ter beantwoording der vraag, of wij hier vóór ons hebben een stuk van den “corten Lapidarijs”, door Maerlant geschreven volgens zijn eigen getuigenis in vs. 60 van zijne Historie van Troyen’.6 Later maakte Lieftinck ook een toespeling op Maerlants auteurschap. In een van 8 juli 1942 daterende, in de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (BNM) te Leiden bewaarde handgeschreven notitie over de fragmenten, vatte hij de inhoud ervan als volgt samen: ‘Een gedeelte van den Lapidarius op rijm, doch door een anderen dichter dan Maerlant gerijmd, in de verte overeenkomende met den inhoud van Naturen Bloeme XII, 84-200; 397-416; 433-520.’ In het betreffende artikel in de Bouwstoffen van het Middelnederlandsch Woordenboek (art. 817) koos Lieftinck daarentegen geen positie in de kwestie van Maerlants auteurschap en maakte hij slechts melding van een ‘Fragment van een onuitgegeven Lapidarius-vertaling die niet overeenkomt met Maerlant's tekst in Der naturen bloemen’.

Ondanks Braekmans stelligheid is de auteurkwestie tot op heden niet overtuigend opgelost. Traude-Marie Nischik ging er in Das volkssprachliche Naturbuch im späten Mittelalter (1986) zonder meer vanuit dat Braekmans toeschrijving aan Maerlant terecht was (p. 118), en ikzelf zag in mijn bespreking van dat boek geen reden haar op dat punt te bekritiseren.7 Jansen-Sieben merkte daarentegen in haar Repertorium van de Middelnederlandse artes-literatuur (1989) - niet ten onrechte - over Braekmans uitgave op: ‘In de editie wordt het zgn. auteurschap van Maerlant met geen enkel argument gestaafd’.8 Zich bij haar aansluitend en onder aanvoering van een argument dat hieronder nog ter sprake zal komen, vond Van Oostrom het in zijn studie Maerlants wereld ‘veruit het veiligste’ de fragmenten bij de bespreking van Maerlants kijk op edelstenen geheel buiten beschouwing te laten.9 Het lijkt dus gewenst om de verschillende

[p. 3]

argumenten voor en tegen bijeen te zetten, om te zien in hoeverre het auteurschap van Maerlant waarschijnlijk is.

Beslissen of een anoniem overgeleverd werk aan een bepaalde dichter moet worden toegeschreven, is meestal niet eenvoudig. Niet alleen zijn de aanwijzingen meestal schaars, het is ook niet zonder meer duidelijk hoe zwaar de gevonden gegevens als argumenten voor of tegen een bepaalde toeschrijving behoren mee te wegen. Hierdoor is het gevaar altijd aanwezig dat men zijn afwegingen onbewust laat beïnvloeden door de neiging een eenmaal ingenomen standpunt kracht bij te zetten. En hoe minder concrete aanwijzingen voorhanden zijn, hoe groter het gevaar is, dat men vaart op het kompas van de eigen intuïtie. Het is niet moeilijk voorbeelden te noemen waarbij (soms gerenommeerde) wetenschappers zich in een dergelijke kwestie te zeer, en met ongunstig resultaat, op hun intuïtieve overtuigingen hebben verlaten.10 Specifiek en nauwgezet onderzoek naar verschillende aspecten van de tekst zelf en vergelijking met wat bekend is over het werk van de eventueel in aanmerking komende auteur levert ongetwijfeld meestal de hardste gegevens op.11

Hoewel het in het onderhavige geval om een tekst van tamelijk beperkte omvang gaat (nog geen 350 verzen), kan het toch de moeite lonen de mogelijkheid van de genoemde toeschrijving te onderzoeken. Vooral door de grote belangstelling die Maerlant de afgelopen jaren ten deel is gevallen, hebben we immers bij hem meer dan bij de meeste andere dichters zicht gekregen op zijn werk, taalgebruik en manier van dichten (hoewel er natuurlijk nog veel te wensen overblijft). Het is daarom niet onmogelijk dat een aantal filologische argumenten kan worden aangedragen, die samen een aanzienlijk gewicht in de schaal kunnen leggen. Bovendien beschikt men sinds enige tijd ook over een nieuw instrument dat van betekenis is voor de filologie van het Middelnederlands: de in 1998 verschenen cd-rom Middelnederlands, waarop niet alleen het hele Middelnederlandsch Woordenboek, maar ook de meeste in druk verschenen tekstedities zijn opgenomen. Met dit hulpmiddel kunnen beter dan voorheen parallelle tekstpassages worden opgespoord, en kan worden nagegaan of bepaalde woorden of uitdrukkingen al of niet elders voorkomen en met welke frequentie ze gebruikt worden.

[p. 4]

2 Maerlants cortten lapydarys

Een belangrijk gegeven dat hiervoor al even genoemd werd, is dat Maerlant zelf in de veel geciteerde verzen 67-70 van de proloog van de Historie van Troyen te kennen geeft een lapidarium geschreven te hebben. Hierin zegt hij over zichzelf sprekend:

 
Hier te voren dichten hy Merlyn
 
Ende Allexander uytten Latyn
 
Toerecke ende dien Sompniarys
 
Ende den cortten Lapydarys.12

Dat lapidarium behoorde dus tot zijn vroege, op Voorne geschreven werken, en wel tot die welke hij vóór de Historie van Troyen schreef.

Over de precieze aard van die cortten lapydarys is door verschillende geleerden gespeculeerd. Volgens Matthias de Vries, die op 5 januari 1872 in de vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde melding maakte van de vondst van het Brusselse handschrift met de complete tekst van de Historie van Troyen, werd ermee bedoeld ‘vermoedelijk een kort vertoog over de edelgesteenten en hunne krachten [...], misschien een voorlooper van het 12de boek van Der Naturen Bloeme, waarin de dichter later dat onderwerp behandelde’.13 In een reactie hierop opperde G. Ph. F. Groshans in hetzelfde jaar (zonder dit met argumenten te staven), dat het waarschijnlijk zou gaan om een vertaling van de Lapidarius van Marbodus, bisschop van Rennes (ca. 1035-1123): Liber de gemmis, een werkje dat bestaat uit 743 hexameters met een proloog en een epiloog.14 Hij werd hierin gevolgd door Eelco Verwijs, die het in de inleiding bij zijn editie van Maerlants Der naturen bloeme (p. XXIX) iets voorzichtiger ‘misschien eene vertaling van den Lapidarius van Marbodus (...)’ noemt.15

Verwijs acht het niet onmogelijk dat Maerlant dit werkje ‘hetzij onveranderd, hetzij eenigszins gewijzigd, in de Nat. Bloeme inlaschte, en er later alleen het laatste gedeelte over de kracht der steenen (vs. 1141-1476) aan toevoegde, daar dit in Marbodus' gedicht niet behandeld wordt’.16 Hiervoor voert hij ook een argument aan: ‘Zoo de Lapidaris een geheel zelfstandig werk geweest ware, dat belangrijk afweek van het XIIde Boek, dan ligt het voor de hand dat Maerlant van dit vroegere werk wel in het boek der steenen gesproken zou hebben’. Verwijs wijst erop dat daar waar in Der naturen bloeme van de Lapidaris respectievelijk van der steene boec sprake is evenwel het twaalfde boek wordt bedoeld.17 Vervolgens vergelijkt hij twee artikelen uit Der naturen bloeme met hun pendanten in Marbodus' werkje, en concludeert hij, dat de gelijkheid

[p. 5]

van Maerlants encyclopedie met Marbodus' Liber de gemmis even groot is als die met De naturis rerum, zodat ‘het niet wel uitgemaakt kan worden, welke bron ten voorbeeld heeft gediend’ (p. XXX). Hoewel de artikelen uit Marbodus en Cantimpré voor een groot deel dezelfde gegevens bevatten, kan men hem in deze gevolgtrekking echter thans niet meer bijvallen: ook voor het stenenboek van Der naturen bloeme is - afgezien van enige korte mededelingen - Thomas' encyclopedie de basistekst geweest.18

Concluderend moet worden vastgesteld dat alles wat na De Vries over de cortten lapydarys te berde gebracht is, in feite op speculatie berust. Dit geldt ook, zoals hiervoor reeds gezegd is, voor de door Braekman als zeker geponeerde stelling dat gedeelten ervan bewaard zijn in de Leidse lapidariumfragmenten. Vooralsnog kan slechts worden vastgesteld dat dit niet onmogelijk is. Uit de aanduiding die Maerlant zelf voor zijn tekst gebruikt, blijkt dat het om een korte tekst gaat. De fragmenten nu bevatten slechts artikelen uit het eerste gedeelte van het veertiende boek van De naturis rerum (cap. 1-68). Als Maerlant de twee volgende delen (cap. 69 en 70) achterwege heeft gelaten - die handelen immers over de cameeën, stenen van een hele andere aard - dan zal het hele werk waarschijnlijk de 2100 verzen niet te boven zijn gegaan.19 Ter vergelijking: het handschrift waarvan de Leidse fragmenten deel hebben uitgemaakt, met kolommen van 43 verzen, zou (aangenomen dat het uit quaternionen bestond) zo'n drie katernen hebben geteld. Het zou dus met recht een cortten lapydarys genoemd kunnen worden.

Als de tekst van de fragmenten op naam van Maerlant moet worden geschreven, dan is het hoogstwaarschijnlijk zo dat deze tekst inderdaad de cortten lapydarys is. Alvorens ik hierop verder inga, zal de kijker eerst worden gericht op de verhouding tussen de tekst van de fragmenten en het twaalfde boek van Der naturen bloeme. Enerzijds lijkt een aantal globale overeenkomsten met dat boek, dat eveneens over stenen handelt, namelijk voor toeschrijving van de tekst van de fragmenten aan Maerlant te pleiten, terwijl anderzijds juist aan de verschillen tussen beide teksten tegenargumenten zijn ontleend. De tekst van de fragmenten noem ik verder eenvoudig ‘het Lapidarium’, ik nummer de fragmenten 1 en 2, en volg Braekmans versnummering, maar wijzig soms de door hem toegevoegde interpunctie.

3 De tekst van de fragmenten en Der naturen bloeme

Bij het globaal bekijken van de fragmenten vallen allereerst enkele overeenkomsten met Der naturen bloeme op. Niet alleen gaat het om dezelfde artikelen als in het 14de boek van Thomas van Cantimpré's De naturis rerum, ook de structuur is gelijk: een opeenvolging van een reeks korte artikelen, die op één uitzondering na, de emachites,

[p. 6]

steeds beginnen met het Latijnse lemma, en gealfabetiseerd zijn op de eerste letter van het trefwoord. Er is in de volgorde echter wel één verschil: het tweede fragment begint met het laatste gedeelte van het capittel over de crisolitus gevolgd door de dracontides (hier draconicides genoemd). Dit is ook de opeenvolging bij Thomas. In Der naturen bloeme daarentegen volgt op de crisolitus de cristallus en niet de dracontides. Dit komt doordat daarin twee artikelen, de corneolus en de crisolitus, naar voren zijn verplaatst (vs. 333-384). Na drie andere artikelen volgt dan de dracontides (vs. 433-450).

Een nadere vergelijking leert dat er tussen beide teksten maar weinig woordelijke overeenkomst bestaat. Als voorbeeld kan het artikel dienen over de amiantos (de amiant, een soort asbest), die in beide teksten overigens amantos wordt genoemd20:

Lap. 1,60-71 NBl. 12, 145-154
60 Amantos dat is .j. steen 145 Amantos, men vint dat wale,
  Sine ghedaen es cleen   Es een der stene orientale,
  Ende van alune die ghedane.   Ende es als aluun ghedaen.
  In endi vintmen, als ic wane.  
  Men bestrijcter mede .j. siden cleet   Een siden cleet bestrijctmen saen
65 En es vier engheen so heet,   Met desen, so dats sine maniere,
  Datter yewer an mach winnen. 150 Dat onscaet blijft in den viere,
  Maer van buten ende van binnen   Ende wort claer in der ghebare
  So wart hi recht also claer,   Als of et ghewaschen ware.
  Of hi van vier ontsteken waer.  
70 Jeghen touernye is hi goet,   Goet es hi jeghen sorterie
  Want hi den mensche daeraf behoet.   Ende jeghen alrehande toverie.

Thomas boek 14, cap. VI (editie-Boese p. 357)
Amiantos lapis est orientalis alumini similis. Hoe lapide vestis serica (‘van zijde’) perlita (‘bestreken’) igni resistit, splendoreque tantum accepto nitescit (‘gaat blinken’) ut aqua mundata (‘gereinigd, gewassen’). Venificiis resistit et magorum prestigiis.

In het bovenaangehaalde citaat vertonen vers 69 van het Lapidarium, Of hi van vier ontsteken waer, en vs. 152 van Der naturen bloeme, Als of et ghewaschen waer, een opvallend verschil. Het is niet onmogelijk dat dit veroorzaakt is doordat voor beide bewerkingen een andere redactie van de Latijnse tekst is gebruikt. ut aqua mundata wordt in de door J. Evans gepubliceerde en door Braekman gebruikte tekst van Thomas' stenenboek weergegeven als in aquam inundatus en syntactisch betrokken op de volgende mededeling over vergiftigingen: In aquam inundatus veneficis resistit et magorum prestigiis.21 Als dit in zijn Latijnse voorbeeldtekst stond, heeft de Lapidariumauteur de mededeling in haar geheel onvertaald gelaten. Vers 69 kan hij dan zelf hebben aangevuld. Op gelijkaardige wijze kunnen mogelijk ook andere verschillen teruggevoerd worden op de verschillende redacties van de gebruikte Latijnse basistekst. Het is overigens niet onmogelijk dat voor het Lapidarium de eerste versie van de Latijnse tekst is gebruikt (dit in tegen-

[p. 7]

stelling tot Der naturen bloeme, dat gebaseerd is op de tweede): geen van de vier in Boeses editie als latere toevoegingen gemarkeerde passages lijkt vertaald.22

Een aantal kleine verschillen tussen de twee Middelnederlandse teksten (waarop in dit bestek niet verder kan worden ingegaan) lijken eenvoudig veroorzaakt doordat het om twee verschillende bewerkingen gaat. Zo zijn sommige gegevens, bijvoorbeeld over het uiterlijk of over een bepaalde eigenschap van een steen, in de ene bewerking wat beknopter onder woorden gebracht dan in de andere. Er zijn enkele mededelingen die wel in Thomas' tekst voorkomen, maar in beide bewerkingen ontbreken.23 Sommige andere zijn in het Lapidarium wel vertaald terwijl ze in Der naturen bloeme werden weggelaten, en andersom. En ten slotte zijn er niet alleen in Der naturen bloeme, maar ook in het Lapidarium enkele gegevens die bij Thomas ontbreken. In de verzen 52-53 van het eerste fragment wordt bijvoorbeeld van de abeston in tegenstelling met de kort daarvoor (in vs. 44) expliciet genoemde roestkleur, vermeld dat een meestal sneeuwwitte variant ervan vooral in Arcadië voorkomt.24

Braekman heeft erop gewezen dat het laatste overgeleverde vers van het artikel over de steen echites, Wil di oec een man vergheuen (‘vergiftigen’), het begin is van een passage die niet in Cantimpré's tekst voorkomt, maar wel in Marbodus' Liber de gemmis. Op grond daarvan concludeerde hij dat de auteur van de fragmenten (bij hem dus steeds: Maerlant) ‘nu en dan ook het lapidarium van Marbodus moet geraadpleegd hebben’.25 Dit laatste is ook wel eens naar aanleiding van een passage in Der naturen bloeme gezegd: volgens Van de Sande Bakhuyzen blijkt uit de verzen 417-432 uit het twaalfde boek dat Maerlant het werk van Marbodus van Rennes gebruikt heeft.26 Het kan in dergelijke gevallen echter ook om korte mededelingen gaan die de auteur uit het geheugen heeft tussengevoegd, of die al in de Latijnse legger stonden (al of niet in de marge toegevoegd). Op de verzen 1, 135-6 van het Lapidarium, waar eveneens een in Thomas ontbrekend gegeven wordt aangetroffen, zal ik hieronder nog nader ingaan.

Bij passages die wèl in Der naturen bloeme of in het Lapidarium voorkomen, maar die níet bij Thomas worden aangetroffen, is overigens niet met zekerheid uit te sluiten dat het gaat om gegevens die later in de overlevering door kopiisten zijn ingevoegd. De open structuur van de werken, waarbij binnen de boeken artikelen, en binnen de artikelen inhoudelijk op zichzelf staande gegevens elkaar afwisselen, maakte het mogelijk dat niet alleen bij de totstandkoming van de tekst, maar ook bij de vervaardiging van nieuwe handschriften extra informatie werd tussengevoegd. In de twee Middel-

[p. 8]

nederlandse teksten komt zelfs een extra steen voor. In beide gevallen kunnen ze van de hand van de auteur zijn of door een kopiist zijn ingevoegd. In Der naturen bloeme vindt men de niet in De naturis rerum voorkomende steen alabaustus (12, 65-80). Het Lapidarium bevat het artikel exacontaliton, dat bij Thomas ontbreekt en ook niet aan Marbodus kan zijn ontleend, en volgens de tekst op een capittel bij Solinus teruggaat. Vergelijking met Solinus' tekst leert dat niet direct uit die bron is geput. Terzijde zij opgemerkt dat dezelfde steen ook in Maerlants Spieghel historiael voorkomt (Eerste partie, I, cap. 36, vs. 42-6): Haer begherte [namelijk die van de Tragoditen] es an enen stene, Exacontalitus heten sine bi namen, Die hevet alleene te samen, Dore al dat hi es so cleene, Varuwen sulc alse LX steene.27

Andere verschillen met Der naturen bloeme kunnen het gevolg zijn van tekstcorruptie. In de hierboven geciteerde passage maken bijvoorbeeld de eerste vier verzen een gecorrumpeerde indruk. In het oog vallen hier de verzen 61-62 met tweemaal het zelfstandig naamwoord ghedane, de eerste maal in de vorm ghedaen. Vooral in vs. 61 lijkt iets mis. Dat het om een kleine steen zou gaan, staat niet in het Latijn. Ook is de aansluiting met het volgende vers syntactisch niet in orde. Zo zijn er meer verdachte plaatsen in de fragmenten.28

Een belangrijk verschil tussen beide bewerkingen is dat in de Lapidariumfragmenten aan de artikelen allegorisch-moralistische passages zijn toegevoegd, terwijl dat niet het geval is in de bewerking van het stenenboek in Maerlants natuurencyclopedie.29 Het amantos-artikel gaat als volgt verder

 
Lap. 1, 72-79
 
Dese steen dinc mi meest
 
Gheliken der ghiften die de heylighe gh[eest]
 
Sendet in des menschen herte,
75
Want hi behoeten sonder smerte:
 
Al es hem thert onsteken binnen,
 
Dat vier en mach hem nyet winnen,
 
Ende hi houten harde vrie
 
Jeghens des duuels touernye.

In de meeste gevallen wordt een analogie aangeduid tussen een eigenschap van de behandelde steen en een eigenschap of het gedrag van de mens of van een categorie van

[p. 9]

personen (de rijken, de geliefde, de gedoopte christen die zijn heil zoekt bij de duivel e.d.). Zoals de abscinctus, door het vuur heet gemaakt, zijn hitte zeven dagen vasthoudt, zo komt de mens eerst met grote moeite los uit de greep van de nidicheit. In andere gevallen, zoals in bovenstaand citaat, staat de steen voor een onstoffelijke zaak met een bepaalde uitwerking op de mens (de giften van de Heilige Geest, lering) of voor een bepaald gedrag dat hij vertoont of zou moeten vertonen (scone tale, goede werken). Evenals in Der naturen bloeme wordt de analogie op beide vlakken mede verduidelijkt door het gebruik van overeenkomende woorden (bij de amantos: vier in vs. 69 en 77, ontsteken in vs. 69 en 76, winnen in vs. 66 en 77, en touernye in vs. 70 en 79). In de passage toont een uitdrukking als (in vers 67) van buten ende van binnen (dat geen equivalent in het Latijn heeft), dat de verwoording dikwijls gekozen is met het oog op de allegorische uitleg (vgl. vs. 76). Soms ook wordt de analogie verduidelijkt door het verplaatsen van een gegeven naar direct vóór die uitleg. Zo wordt in het Lapidarium de schoonheid van de albundina niet, zoals bij Thomas, in het begin vermeld, maar op het einde, juist vóórdat de steen met zijn fraaie uiterlijk betrokken wordt op die lude Die scoen siin van horen liue. Uit dergelijke ingrepen blijkt dat de tekst als één geheel met de uitleggingen is gedicht.

Voor Van Oostrom was de aanwezigheid van allegorische interpretaties in de fragmenten en de constatering dat Maerlant dergelijke passages in zijn Latijnse brontekst in het twaalfde boek van Der naturen bloeme ‘steevast negeert’ een argument tegen diens auteurschap.30 Bovendien zou het zeer onwaarschijnlijk zijn dat Maerlant die moralistische uitleggingen zelfbedacht zou hebben, zoals Braekman suggereert. Van Oostroms eerste argument moet echter op een vergissing berusten: als we mogen afgaan op Boeses editie, treffen we ook in het veertiende boek van De naturis rerum, waarin de stenen worden behandeld, geen allegorische uitleggingen aan. Na de eerste zeven boeken, waarin de dieren behandeld worden, zijn deze bij Thomas zo goed als geheel afwezig.31

Het is overigens niet onmogelijk dat er wel uitgebreide versies of bewerkingen van De naturis rerum in omloop zijn geweest met uitleggingen. Voor het Lapidarium is - in tegenstelling tot Der naturen bloeme - niet zonder meer uit te sluiten dat de bewerker een dergelijke versie voor zich heeft gehad, te meer daar dit gesuggereerd wordt door een vers uit het artikel andromada:

 
Lap. 1, 160 e.v.
 
Dese steen, seyt die brief,
 
Bediet elkes menschen lief,
 
Want wie therte ter minnen steet enz.

Het woord brief hoeft hier niet de voor ons gewone betekenis te hebben: het kan ook

[p. 10]

eenvoudig ‘geschreven bron’ betekenen.32 Omdat het kort vóór de passage op dezelfde wijze gebruikt wordt (in 1, 97: seyt ons die brief) en daar blijkbaar verwijst naar De naturis rerum, lijkt het waarschijnlijk dat dat hier ook het geval is. Welke waarde aan het tussenzinnetje in het citaat hierboven precies moet worden toegekend, blijft echter onzeker zolang een Latijnse versie met de symbolische uitleg niet is aangetroffen.

Dat dergelijke moraliserende toepassingen in Der naturen bloeme niet toegevoegd zijn, is niet vreemd. Op het eind van het derde boek, dat de vogelsoorten behandelt, deelt Maerlant expliciet mee dat hij uit Thomas' boek 103 vogelartikelen heeft vertaald So ict frayste vant int latijn, en voegt daaraan toe:

 
NBl. 3, 3660-66
 
Daer bispel of ontbonden sijn+
 
Some ende niet thonderste deel.
 
Up elc te dichtene gheheel
 
Waer te lanc ende te swaer:
 
Ic dichte corte dinc ende waer
3665
Want ic en begheer niet
 
Dats den lesere iet verdriet

Ook aan het begin van het vierde boek (over de zeemonsters) wijst hij hierop, en formuleert nogmaals zijn argument: Ende om te cortene die woert En segghic op elc gheen bispel (vs. 14-15). Het is daarom in het geheel niet vreemd dat ook in het twaalfde boek over de stenen geen symbolische uitleggingen werden toegevoegd, en het lijkt me daarom ook de vraag of hieruit mag worden afgeleid dat, zoals Van Oostrom het formuleert, Maerlant minder door de ‘metaforische potentie’ van stenen geboeid was dan door die van andere door hem besproken wezens en levenloze zaken.33

Dat Maerlant bij de stenen in Der naturen bloeme wat dit betreft eenvoudig zijn bron heeft gevolgd om niet al te uitvoerig en te lang van stofte zijn, sluit natuurlijk geenszins uit, dat hij bij een eventuele eerdere bewerking - van alleen (het eerste deel van?) Cantimpré's stenenboek - anders te werk is gegaan. De herhaalde verdediging van zijn werkwijze in Der naturen bloeme zou er wel eens op kunnen wijzen, dat hij eigenlijk van mening was dat in een bestiarium dergelijke passages thuishoorden. Binnen het lapidariumgenre bestond in de Middeleeuwen zowel een categorie teksten waarin het uiterlijk en de eigenschappen worden beschreven zonder dat er symbolische uitleggingen worden toegevoegd (hiervan is het lapidarium van Marbodus van Rennes het bekendste voorbeeld), als teksten met louter allegorische uitleggingen. Het type waarbij eerst het uiterlijk, de krachten en eigenschappen van de stenen worden beschreven en daarna steeds een symbolische verklaring wordt gegeven, ontwikkelde zich in de dertiende eeuw.34 Het kan heel goed zijn, dat de dichter met het Lapidarium een werk van het laatste type voor ogen heeft gestaan.

[p. 11]

Het lijkt vaak niet om gestandaardiseerde uitleggingen te gaan.35 Ook omdat seyt die brief slechts betrekking heeft op de uitleg bij de andromada, is het niet ondenkbaar dat de auteur van het Lapidarium zelf de andere allegorisaties heeft bedacht. Zoals gezegd is het tweede door Van Oostrom aangevoerde argument dat de toevoeging van eigen uitleggingen door Maerlant ‘op voorhand al uiterst onwaarschijnlijk’ is.36 Hiertegen is in te brengen dat ook in Der naturen bloeme, zoals Nischik heeft laten zien, niet alleen allegorisaties en moralisaties van Thomas zijn vertaald, maar dat tevens een aanzienlijk aantal uitleggingen door andere is vervangen, en dat Maerlant er ook heeft ingelast waar Thomas er helemaal geen geeft.37 Als dit alles juist is, vormen de moraliserende passages in het Lapidarium dus geen argument tegen het literaire vaderschap van Maerlant.

4 Taal, stijl, tekstpassages

Vervolgens zal ik proberen na te gaan in hoeverre het Lapidarium in zijn taalkundige en stilistische kenmerken overeenkomt met of verschilt van werk van Maerlant, en of het woorden of passages bevat die ook bij hem worden teruggevonden.

4.1 Dialectische kenmerken

Een logische eerste stap is natuurlijk te onderzoeken of op basis van de dialectkenmerken in de fragmenten Maerlant überhaupt als auteur in aanmerking kan komen. In de inleiding bij zijn uitgave geeft Braekman Gysselings visie op de localisering van het fragment weer (p. 508-9). Behalve op woordvormen die zowel Westvlaams als Hollands zijn (als voorbeeld wordt gegeven vier o.a. in 1, 45 en 69), en enkele die behoorden tot Vlaanderen, wordt gewezen op een aantal vormen die tot Holland beperkt geweest zouden zijn.38 Als conclusie heet het ‘de taaleigenaardigheden (wijzen) naar de provincie Zuid-Holland’.

Omdat door Gysseling en Braekman geen onderscheid gemaakt werd tussen vormen in en buiten het rijm, kan op grond van hun resultaten niet uitgemaakt worden wat van de auteur en wat mogelijk van één of meer kopiisten afkomstig is.39 Wil men iets te weten komen over het dialect van de auteur van een tekst, dan zijn het vooral de rijmwoorden die kunnen helpen, omdat die niet door kopiisten vrijelijk aan het eigen taalgebruik aangepast konden worden.

De in het rijm aangetroffen werkwoordsvorm kent (2, 30-1) is kenmerkend voor bijna geheel Vlaanderen en voor Holland. Dat de auteur echter kint zal hebben ge-

[p. 12]

schreven, blijkt uit het rijm (wint : kent). Deze Brabantse vorm, die overigens in Middelnederlandse rijmen overal voorkomt,40 werd ook door Maerlant gebruikt.41 Naar Holland en West- en Oostvlaanderen wijst gaet (: beuaet) in 1, 130, hoewel het ook wel in Brabant wordt aangetroffen.42 In 1, 162 komt steet (: wreet) voor. Bij Maerlant vinden we bijna steeds vormen met de aa-, maar in rijmpositie soms ook met een ee-klank.43 Een vorm als cleen (o.a. 1, 61) wijst vooral naar Vlaanderen.44 Bij Maerlant komen meestal vormen met een e (ee), soms ook met een ei voor.45

In een enkel geval heeft de - zoals gezegd waarschijnlijk Hollandse - kopiist van een rijmpaar eenvoudig beide woorden kunnen aanpassen aan zijn eigen dialect: de vormen lude : bedude in 1, 147-8 en 2, 84-5 (i.p.v. de Vlaamse vormen liede : bediede). Uit het rijmpaar is : des (1, 32-3) en es : emachites (2, 124-5) blijkt dat de Lapidariumauteur in ieder geval tweemaal es heeft geschreven. Ook het paar is : daxillis in 1, 136-7 is mogelijk in zijn geheel door de kopiist aangepast, al is dit niet zeker: op de andere plaatsen waar deze eigennaam wordt gevonden, in Maerlants Alexanders geesten (zie hierna), luidt deze deels Taxilles deels Taxillis.46 Maerlant schreef in verreweg de meeste gevallen es, maar als rijmpartner bij een eigennaam of een vreemd woord op -is soms ook is,47 welke vorm in oorkonden beperkt was tot Holland, Utrecht en Limburg.48

In 2, 22-3 vinden we het rijmpaar bi achte : sachte. Sochte zou verwijzen naar West-Vlaanderen. Bij Maerlant komen weliswaar meestal dergelijke o-vormen, maar toch ook wel a-vormen voor.49 Het paar dore : nature in vs. 2, 126 wijst op een oorspronkelijk deur, dat vooral in West-Vlaanderen, maar ook wel in Oost-Vlaanderen en Holland voorkwam.50 De vorm beuaet (: gaet) in 1, 130-1 wijst naar het zuidwesten.51 Een vorm die meer speciaal naar West-Vlaanderen wijst is das (: adlas 2, 89-90).52

Ten slotte kan nog gewezen worden op de sjwa in de werkwoordsuitgang van de derde persoon enkelvoud presens, waarvan het voorkomen door Berteloot onderzocht is.53 Na een stam op d, n of p schrijft Maerlant eerder resp. vrijwel zeker de uitgang -t en niet -et. Men vergelijke in de fragmenten 1, 70 behoet (: goet), 1, 46 wint (: vint) en 2, 79 loept (: ghedoopt). Vormen met sjwa na een stam op g of v komen voor, maar bijna steeds met een gelijkaardige rijmpartner, zodat beide rijmwoorden dus aangepast kunnen zijn: o.a. 1, 2 leghet (: seghet), 2, 18 onuersaghet (: veriaghet), 2, 28 steruet (: verderuet). Het betreft hier echter een temporeel verschil (Maerlant schreef volgens Berteloot in dit opzicht ‘opvallend modern’), waarover geografisch nog niet veel kan worden gezegd.

[p. 13]

Buiten het rijm is, zoals gezegd, een Hollandse laag aanwijsbaar (met vormen als craft, lufter, twischen, mit, beyde en sel), die op rekening van de kopiist moet worden geschreven. Onderzoek van de rijmwoorden toont aan dat er geen beletsel bestaat tegen toeschrijving aan Maerlant, wiens taalgebruik het dichtst bij het Westvlaams aansluit, hoewel hij in het rijm ook wel woorden en woordvormen uit andere dialecten gebruikt, bijvoorbeeld uit Brabant.54 In de meeste gevallen wijzen de gegevens naar het westen, naar Vlaanderen of, in een enkel geval, meer specifiek naar West-Vlaanderen.

4.2 De versificatie

Een aspect van de Middelnederlandse letterkunde waarop we door de studie Middelnederlandse versbouw en syntaxis van Evert van den Berg meer zicht hebben gekregen, is de wijze waarop Middelnederlandse auteurs hun stof in verzen hebben gegoten. In zo'n zeventig Middelnederlandse werken onderzocht Van den Berg de mate waarin syntactische grenzen samenvallen met versgrenzen en het aantal verzen dat de dichter gebruikt voor een zin (de gemiddelde zinslengte in verzen). Op basis hiervan was het hem mogelijk de werken in te delen in verschillende verstypen. Daarbij kon ook worden vastgesteld, dat het enorme oeuvre van Maerlant, zowel in het eerste als in het tweede opzicht een duidelijke ontwikkeling vertoont.55

Om het eerste aspect te onderzoeken heeft Van den Berg in een reeks van steekproeven het aantal ‘kernverzen’ geteld (de term waarmee een vers wordt aangeduid ‘als het de persoonvorm van de hoofdzin bevat, indien dat een vorm is van een zelfstandig werkwoord, en mits de versgrenzen samenvallen met syntaktische naden’; p. 93). Bevat een tekst veel kernverzen, dan wordt ze analytisch genoemd: de gemiddelde zinslengte is betrekkelijk kort, en relatief weinig verzen bevatten relatief veel zelfstandige mededelingen. Bevat een tekst minder kernverzen dan is ze synthetisch. Als grenswaarde tussen beide wordt 45% aangehouden. Het vroege werk van Maerlant nu (Alexanders Geesten, Historie van den Grale-Merlijns boek en de Historie van Troyen) blijkt in deze terminologie analytisch te zijn: het bevat meer dan 45% kernverzen (om precies te zijn: 50,7%, 52,0% en 50,9%). Na een tussenperiode met enkele werken waarbij het gevonden percentage dicht bij de door Van den Berg gehanteerde grenswaarde van 45% ligt (Der naturen bloeme 45,4% en de Rijmbijbel 42,3%), volgen twee latere werken die duidelijk onder dat percentage uitkomen, en daarom synthetisch genoemd worden: Sinte Franciscus leven 33,6% en Spieghel historiael 37,4%. Onderzoekt men nu de versificatie van de onderhavige Lapidariumfragmenten, dan blijken deze met 51,3% kernverzen goed te passen tussen Maerlants vroegere werken.

Bij het tweede aspect maakt Van den Berg onderscheid tussen statische verzen, waarin de versgrenzen samenvallen met syntactische naden in de zinnen, en dynamische verzen, waarin dat niet het geval is, en berekent voor de onderzochte teksten het percentage dynamische verzen. Als grenswaarde tussen beide wordt hier 11% gehanteerd. De vroegere werken tot en met Der naturen bloeme blijken nu alle onder dit percenta-

[p. 14]

ge uit te komen (Alexanders Geesten 8,1%, Historie van den Grale-Merlijns boek 9,3%, Historie van Troyen 10,1% en Der naturen bloeme 9,9%), terwijl de latere daar duidelijk boven blijven (de Rijmbijbel 17,3%, Sinte Franciscus leven 16,6% en Spieghel historiael 13,3%). Ook hier weer lijken de Lapidariumfragmenten met hun 10,3% zich probleemloos te scharen onder de vroegere werken.56

De conclusie kan geen andere zijn dan dat ook de versbouw van de Lapidariumfragmenten zich niet verzet tegen een toeschrijving aan Maerlant. Aangezien er meer werken zijn waarvoor dit geldt (zo'n 30,8% van de door Van den Berg onderzochte werken), mogen we niet zover gaan dit op zichzelf op te vatten als een aanwijzing dat het Lapidarium aan Maerlant toegeschreven moet worden. Anderzijds is het wel opmerkelijk dat het Lapidarium wat betreft de twee onderzochte aspecten van zijn versificatie wel precies lijkt te passen in de periode van Maerlant waarin hij, gezien zijn opmerking in de Historie van Troyen zijn cortten lapydarys vervaardigd moet hebben.

4.3 Rijm

Overziet men de rijmwoorden van de Lapidariumfragmenten, dan stelt men vast dat zich hieronder weinig bijzondere woorden of opvallende rijmparen bevinden, die een onderzoek in Maerlants omvangrijke oeuvre naar zijn voorkeuren voor bepaalde combinaties van rijmwoorden zouden rechtvaardigen. De beperkte omvang van de tekst van de fragmenten verhindert bovendien uitspraken te doen over eventuele voorkeuren van de Lapidariumauteur. Daarom wordt hier slechts nagegaan of de in de fragmenten voorkomende rijmtypen bij Maerlant zijn aan te treffen.

Het Lapidarium bestaat uit gepaard rijmende verzen. Een enkele maal lijkt rime riche voor te komen: in vers 36-37 van het artikel over de adamas:

35
Valsche drome ende haer macht
 
Dat is die minne van ardschen goede
 
Benemen si mit haeren goede
 
Si toghen der zielen ghewin
39
Die in den sonden verwoet siin.

Ook bij Maerlant komt rijk rijm voor.57 Voor het onzuivere rijm in het paar ghewin - siin in de regels 38-39 heb ik noch bij Maerlant, noch in andere werken een vergelijkbaar voorbeeld aangetroffen. Wellicht bevatten de verzen een tekstcorruptie. In de verzen 67-70 van het tweede fragment wordt een rijmklank -aen vier verzen lang volgehouden. Dergelijke vierrijmen zijn niet zeldzaam in Middelnederlandse werken, en ook in het oeuvre van Maerlant zijn ze regelmatig aan te wijzen.58

[p. 15]

Ook assonerend rijm komt een enkele maal voor. Braekman vervolledigt de verzen 2, 50-51, over de steen dyonisia, als volgt:

 
Als hi in water is ghew[egen]
 
Dinct hi sulke roke gh[even]

en emendeert vervolgens ghewegen tot ghedwegen (=gewassen), zodat er een assonerend rijm ontstaat. Zoals uit het Latijn blijkt (tritus, voltooid deelwoord van tero, ‘wrijven’) is er echter meer reden om te denken aan ghewreven. Elders komt wel een geval voor waarin assonerend rijm toegepast is: de verzen 102-10359:

100
[Si eten] nyet dan cruut
 
[.....d]attelen ende fruut
 
[Si d]oden ghene dinc die leuet
 
[...]nen iet werel pleghet
 
[......] achten si min no meer

Assonerend rijm wordt ook in handschriften met werk van Maerlant hier en daar aangetroffen, en lijkt niet altijd het gevolg van tekstcorruptie.60

Bevat het rijm geen aanwijzingen die ondubbelzinnig naar Maerlant als auteur wijzen, wel kan worden geconcludeerd dat de verschillende soorten rijmen die in de fragmenten worden gevonden, alle in diens werk regelmatig of althans meer dan incidenteel worden aangetroffen.

4.4 Tekstuele overeenkomsten met Maerlants werken

Vinden we een overeenkomst in de wijze waarop in het Lapidarium en in het werk van Maerlant iets onder woorden is gebracht, terwijl die overeenkomst er niet is met andere werken, dan kan dat een aanwijzing zijn voor Maerlants auteurschap. Dat wil niet zeggen dat elk woord of elke formulering (met uitzondering van die welke de behandelde onderwerpen met zich meebrengen) in zijn werk teruggevonden moet kunnen worden: een auteur is geen algebraïsche formule met steeds dezelfde uitkomst. Als argument voor of tegen het auteurschap wint een en ander echter aanzienlijk aan kracht indien het niet om één enkel woord of één enkele uitdrukking of tekstpassage gaat, maar om meerdere.

Net als wanneer men de dialectkenmerken van de auteur van een bepaalde tekst onderzoekt, lijkt het van belang zich vooral te richten op woorden en uitdrukkingen in rijmpositie, aangezien deze door de beperking die het rijm oplegt, meestal minder

[p. 16]

gemakkelijk vervangen konden worden. Voor het onderzoek heb ik me weliswaar deze beperking tot de rijmwoorden niet opgelegd, maar als argumenten voor de vraag naar het auteurschap komt woorden die in de fragmenten in rijmpositie staan, wel de meeste zwaarte toe.

Woorden en verbindingen

Bijna alle allegorisch-moralistische passages worden in de fragmenten ingeleid door een formulering met het werkwoord bedieden (zoals in deze steen bediet die papen, eenmaal ook: Hoert wat ic v hier of bedude: vs. 1, 146). Dit woord is op deze wijze zeker niet uitsluitend door Maerlant gebruikt. Wel stellen we vast dat, hoewel in Der naturen bloeme ook andere woorden als ‘Kennterminus der Significatio’ worden toegepast, zoals slachten, meenen en betekenen,61 we ook daarin in verreweg de meeste gevallen ditzelfde woord gebruikt zien. In de fragmenten komt naast elf bediet-gevallen slechts één geval voor waarin - overigens niet in rijmpositie - een ander woord is gebruikt: in de hiervoor al aangehaalde plaats uit het artikel over de amantos (1, 72-74), met het woord gheliken ‘gelijk zijn aan iem. of iets in kenmerken (zoowel uiterlijke als innerlijke), overeenkomen met, gelijken op’ verbonden met een datief:

 
Dese steen dinc mi meest
 
Gheliken der ghiften die de heylighe gh[eest]
 
Sendet in des menschen herte
 
[...]

Dat (dit gebruik van) het woord Maerlant niet onbekend was, blijkt al uit de drie bewijsplaatsen die het Middelnederlandsch Woordenboek vermeldt uit de Heimelicheit der heimelijcheden en Sinte Franciscus Leven. Ook de formulering met dinke mi gebruikt Maerlant vaker.62 De niet gewone opeenvolging dinc mi meest (gheliken) is hier ongetwijfeld ingegeven om een rijmpaar te kunnen vormen met het belangrijkste element uit de uitleg: de Heilige Geest.

Onderzoek van een groot aantal woorden, vormen of constructies uit de fragmenten levert slechts een enkel woord op dat bijna uitsluitend in de fragmenten en in werk van Maerlant en niet in andere werken wordt aangetroffen: seghevri. In de fragmenten komt het verschillende malen voor (1, 94 en 107, en 2, 166; de eerste en laatste hiervan in rijmpositie), o.a. in het artikel over de steen echites, waar het de betekenis heeft ‘steeds de overwinning behalend, onoverwinnelijk’. Op de overeenkomstige plaats staat in Cantimpré (boek 14, cap. XXVIII; ed.-Boese 361): Sobrietatem confert, auget divitias et gratiam confert; victorem facit, wat in de fragmenten als volgt wordt vertaald:

Lap. 166-8 NBl. 12, 517
  Suverhede hi sere mint,
Hi maket den mensche segheuri Ende hi maect den sinen seghevri
Ende suuerhede gheuet hi. Rijchede so meerset hi,
Oec meret hi goet...  

[p. 17]

In het Middelnederlandsch Woordenboek worden bij dit woord maar liefst negen citaten uit werk van Maerlant gegeven.63 In de verzen 1, 94 en 107 van het Lapidarium wordt het woord niet op personen, maar op stenen toegepast. Zo wordt van de allectorius, ter vertaling van victoriosus est in bellis; pacem reconciliat, honores reformat van Cantimpré (boek 14, kap. VII; ed.-Boese p. 357), gezegd:

 
Die steen is oec seghevri
 
Ere ende vrede gheuet hi

De enige andere plaats waar dit gebruik wordt teruggevonden, bevindt zich in Der naturen bloeme (12, 165):64

 
In wighen es hi seghevri ter were,
 
Ende bejaghet pais ende ere.65

Opmerkelijk is in de beide eerste hierboven naast elkaar aangehaalde citaten overigens ook dat het woord sobrietas ‘nuchterheid’, ‘matigheid’ zowel in het Lapidarium als in Der naturen bloeme vertaald wordt met suverhede.

Evenals bij het onderzoek van afzonderlijke woorden is ook de oogst bij het nazoeken van verbindingen uit de fragmenten (zoals ardschen goed 1, 36, met sire pine, 1, 135, in allen rade, 1, 40, goede werke enz.) gering: de meeste hiervan komen weliswaar bij Maerlant, maar ook elders voor. Slechts een enkele verbinding lijkt (vrijwel) beperkt tot de fragmenten en Maerlant. In vs. 1, 38 komt de verbinding der zielen gewin ‘winst, voordeel voor de ziel’ voor:

 
Valsche drome ende haer macht,
 
Dat is die minne van ardschen goede,
 
Benemen si mit haeren goede,
 
Si toghen der zielen ghewin,
 
Die in den sonden verwoet siin.

Ook in Sinte Franciscus Leven komt deze verbinding enkele malen voor, o.a. in vs. 3052:66

 
In prelacien so es val
 
Ende in love groot verlies;
 
Onder te sine, sijt zeker dies,
 
Ende omoedich in den zin,
 
Dit es al der zielen gewin.
[p. 18]

Formulaire uitdrukkingen

In de fragmenten komen regelmatig formulaire uitdrukkingen voor. Omdat auteurs gewoonlijk hun eigen voorkeur vertonen bij het gebruik van nadrukformules, zouden ze van dienst kunnen zijn bij de identificatie van werken en toeschrijvingen aan bepaalde schrijvers.67 Oproepen aan het publiek, zoals hoer wat die boec van hem seghet (1, 3) en hoert wat ic v hier of bedude (1, 146), en verzekeringen dat men de waarheid spreekt, zoals sonder waen (2, 68) en ic seg v in waren saken (2, 27) zijn in de meeste gevallen zeer algemeen en komen zowel bij Maerlant, als bij andere auteurs voor. De tussenzin dat es loghen ne gheen (2, 27) daarentegen wordt een tiental malen bij Maerlant, en slechts een enkele maal elders aangetroffen.68

In vs. 2, 144 wordt de verzekering en twaeren aangetroffen:

 
Echites dat is en twaern
 
Een steen die ons bre[n]ghen die aern
 
Vten eynde van aertrike,

Deze variante vorm van entwaren ‘in waarheid, inderdaad’, dat samengesteld is uit de verbinding en twaren (zie Middelnederlandsch Woordenboek s.v. twaren), wordt bij Maerlant niet aangetroffen, dit in tegenstelling tot het synonieme te waren (tewaren, twaren). Maar ook de vorm aern ‘arend’ komt bij hem zelden voor, terwijl daarentegen de vorm aren gewoon is. Waar deze laatste vorm bij Maerlant in het rijm voorkomt, is het andere rijmwoord zelfs meestal te waren. Het feit dat bij Maerlant en twaern niet voorkomt, heeft daarom als tegenargument tegen Maerlants auteurschap geen enkele kracht: het is heel goed mogelijk dat een kopiist in de Lapidariumfragmenten het hele rijmpaar heeft aangepast (en dus twaren - aren heeft vervangen door en twaern - aern).

De formules als ic wane (1, 63) en na minen wane (1, 152) komen in zowel werk van Maerlant als in dat van andere auteurs terug, alleen de verbinding na minen sinne (1, 54) heb ik wel enkele malen in andere teksten, maar nergens bij Maerlant aangetroffen. Seg ic gherede lijkt beperkt te zijn tot de Lapidariumfragmenten (1, 173). De formule dat wilmen weten (2, 173) wordt daarentegen alleen bij Maerlant in het achtste boek van Der naturen bloeme teruggevonden. Men vergelijke de volgende passages:

Lap. 2, 135 NBl. 8, 355-8
Men leset dat hi mede can Sijn witte sap, dat wilmen weten,
Gansen die veniinde beten Es nutte jeghens serpenten beten.
Ende seer oghen dat wilmen weten Oec en es dat sap niet quaet
Es hi vtermaten goet Den smitten die in doghen gaet.

De variant zonder object, wilmen weten, komt behalve in het Lapidarium en bij Maerlant (negenmaal in Der naturen bloeme en eenmaal in de Spieghel historiael) alleen nog voor in Van smeinscen lede, wilment weten staat alleen tweemaal in de Rijmbijbel, terwijl

[p. 19]

men wille men weten slechts vindt in Der naturen bloeme.69

Tot de min of meer vaste formuleringen in de fragmenten behoren ook formules waarmee de auteur zich op (al of niet fictieve, meestal niet gespecificeerde) bronnen beroept. Enige tussenzinnetjes, dat leest men hier (2,2) en de varianten als dus leest men hier en leest men hier,70 en seyt (ons) die brief, (1,97 en 2,160),71 waarin naar een schriftelijke bron wordt verwezen, heb ik weer behalve in het Lapidarium alleen in het werk van Maerlant aangetroffen.

Ten slotte zijn er nog de tussenzinnetjes dats sine maniere ‘dat is zijn aard, natuur’ (1,125), dats siin sede (2,95 resp. 133), dats sine nature (2,127) (met hun varianten zoals ets hare maniere, dat is haer sede e.d.). Beide eerste zinnetjes worden zowel bij Maerlant als in andere teksten aangetroffen, zij het dat het eerste van de twee verreweg het vaakst bij Maerlant voorkomt,72 maar dat kan samenhangen met het feit dat in Der naturen bloeme dikwijls soorten, gedragingen van de behandelde levende wezens en zaken en dikwijls de aard, het uiterlijk en de toestand ervan wordt vermeld. Het derde tussenzinnetje vinden we buiten het Lapidarium slechts eenmaal bij Maerlant (Der naturen bloeme 3,2482).73

Tekstpassages

Ten slotte zijn er overeenkomsten tussen enkele passages op te merken. Allereerst natuurlijk het begin van de artikelen. Afgezien van één uitzondering, het capittel over de emachites, beginnen deze steeds met de Latijnse benaming, en is het beginvers dikwijls gelijk: X dat is .i. steen, waarmee acht van de twaalf gevallen in de Lapidariumfragmenten beginnen. Ook in het twaalfde boek van Der naturen bloeme wordt een aantal malen deze beginregel aangetroffen. Het vers is echter aan het artikelbegin zo voor de hand liggend, dat er geen conclusies aan kunnen worden verbonden. Wel valt op dat in Der naturen bloeme vaker in het eerste vers reeds meer informatie is verwerkt dan in het Lapidarium (X es een diere, een swart of scone enz. steen of X es een edel steen, der padden steen e.d.). Dit verschil kan samenhangen met een grotere economie die Maerlant bij het vertalen van zijn encyclopedie aan de dag legt, een neiging waar ik hiervoor reeds op wees.

Over de steen amantos wordt in het Lapidarium (1, 70-1) o.a. meegedeeld: jeghen touernye is hi goet / Want hi de mens daeraf behoet (Cantimpré 14, VI: restistit ... magorum prestigiis; editie-Boese p. 357). In de moralistische uitleg wordt deze steen vergeleken met de(r) giften die de heylighe gheest / Sendet in des menschen herte. Vervolgens (1,76-9) heet het:

 
Al es hem (d.i. de mens) thert onsteken binnen,
 
Dat vier en mach hem niet winnen,
[p. 20]
 
Ende hi houten harde vrie
 
Jeghens des duuels touernye

Dit laatste vers met de opvallende verbinding des duuels touernye, waarvoor we geen parallel vinden in het Latijn (het komt immers voor in de moralistische uitleg) lijkt sterk op een vers in het twaalfde boek van Der naturen bloeme (12,1339):

 
Vinstu in enen swarten stene
 
Enen man staende [..]
 
Hi draghet gherechte boete
 
Jeghen des viants toeverie
 
Ende verdrivet sine partie

De formulering in de laatste twee verzen komt grotendeels uit de koker van Maerlant zelf; in het Latijn van Cantimpré staat: valet contra incantationes demonum et contra omnes inimicos (‘is goed tegen de betoveringen van boze geesten en tegen alle vijanden’).

Een opvallende overeenkomst bestaat er tussen enkele verzen van het artikel adamas in het Lapidarium en in het twaalfde boek van Der naturen bloeme:

Lap. vs. 1,8-11 NBl. 12,125-129:
Dese steen is te touernyen goet, Dese steen des horic lien,
  Es nutte te toeverien.
Hi gheuet den man craft ende moet Hi ghevet hem cracht ende bejaghet
Jeghen sine viande diene draghet. Jeghen sinen viant, diene draghet.
Valsche drome hi veriaghet Hi versteect drome die ydel sijn

Iets later vinden we de volgende opeenvolging van maatschappelijke groepen, die enige overeenkomst vertoont met een passage in het vogelboek van Der naturen bloeme. Alleen de dorpers ontbreken:

Lap. 1,20-22 NBl. 3,2138-2140
Dese steen bediet die papen Ende conterfeten dien si moeghen,
Beyde ridders ende knapen Bede riddere ende papen,
Porters dorpers ende vrouwen Porters, vrouwen ende knapen,...

In het volgende geval gaat het om sterke overeenkomsten tussen verzen van twee verschillende artikelen in het stenenboek:

Lap. 1,42-3 NBl. 12,253-4
Albestoen dat is .i. steen Carbunculus es een steen
Siin ghelike en es gheen Die ghelike heeft engheen

Een nagenoeg gelijke lezing vinden we in beide werken bij het artikel dyadochus:

Lap. 2,68-69 NBl. 12,459-460
Dyacodos dats sonder waen Dyadotes es sonder waen
Een steen als die beril ghedaen. Een steen na den beril ghedaen.

Na deze korte, weinig spectaculaire tekstfragmentjes, waarop in de slotparagraaf nog zal worden teruggekomen, moet ten slotte worden stilgestaan bij een passage in het

[p. 21]

Lapidariumartikel over de albundina, een passage die geen pendant heeft in De naturis rerum. Over de steen wordt in het Latijn meegedeeld: In regione Asie, que Alabanda dicitur, invenitur. In Der naturen bloeme wordt dit vertaald met: in een lant ... dat heet Alabandia, Ende es int lant van Asia.74 Het gaat hier om Alabanda, ca. 80 km ten oosten van Milete gelegen in het toenmalige Caria in westelijk Klein Azië. In het Lapidarium (1,134-6) echter wordt een land genoemd, waarvan de naam bijna gelijk is aan die van de steen, en wordt daarover extra informatie verschaft.

 
Albundina dat is .i. steen
 
Dier vintmen menich een
 
In een lant hiet albundine
135
Dat alexander [wan] mit sire pine
 
Op dien coninc daxillis.

Het toegevoegde gegeven in de verzen 135 en 136 herinnert, zoals Braekman heeft gesignaleerd, aan een plaats in Maerlants Alexanders Geesten (boek 9, vss. 1054-55), waar deze figuur wordt genoemd:

 
Taxilles quam tot hem
 
Die coninc van Alabondine

Dat in het Lapidarium een herinnering aan Alexanders Geesten een rol speelt, wordt bevestigd door de vorm van de als rijmwoord gebruikte naam alabodine: in beide werken is de uitgang -ine. Het land dat in het artikel albundina in Der naturen bloeme wordt genoemd, is een rijmwoord op -a en luidt in aansluiting bij het Latijn oorspronkelijk alabanda (dat in handschriften overigens wel verhaspeld werd).

Lijkt hier sprake van dezelfde figuur, de vermelding van Alexanders verovering van het land, die hem veel moeite gekost zou hebben, lijkt echter niet geheel overeen te komen met wat in Alexanders Geesten staat. In Braekmans woorden: ‘Toch is deze allusie weinig bevredigend: immers, om het land van koning Taxilles of “Taxillis” (zoals hij XI, 146 genoemd wordt) te veroveren, had Alexander geen “pine”: deze koning, een oudere broer van Porus, had zich zonder strijd aan Alexander onderworpen’ (p. 520).

De situatie is echter in Alexanders Geesten iets gecompliceerder dan Braekman meent. Zoals Berendrecht heeft uiteengezet, verwijst frater Taxilis in de Alexandreis, de Latijnse basistekst, in Maerlants vertaling niet correct naar ‘een (niet met name genoemde) broer van Taxiles’, maar naar Taxillis / Taxilles zelf, die door Maerlant tot de oudste broer van koning Porus wordt gemaakt (boek 9,145-6, 482-3 en 496).75 Deze Taxilles heeft zonder weerstand te bieden de heerschappij over zijn rijk aan Alexander overgedragen. Doordat hij in boek 9,496 door zijn broer Porus om die reden wordt gedood, ontstond voor Maerlant later, in boek 10 (vss. 1054-5) een probleem, omdat daar in de Alexandreis Taxiles zelf optreedt. Het werd noodzakelijk een tweede Taxilles in te voeren. Deze nu werd door Maerlant in tegenstelling met het Latijn, ge-

[p. 22]

presenteerd als Die coninc van Alabodine (wellicht met de bedoeling door die naam associaties op te roepen met edelstenen, en zo het beeld van het aan edelstenen zo rijke India, waar Alexander zich in het negende boek van Alexanders geesten bevindt, nog eens extra in herinnering te roepen?). Deze tweede Taxilles nu is in Alexanders Geesten (zoals Taxiles in de Alexandreis) - in tegenstelling dus tot wat Braekman stelt - wel degelijk overwonnen door Alexander. Dit blijkt uit de passage waarin Alexander zijn mannen herinnert aan hun overwinningen (b. 10, vss. 1239-40):

 
Taxillis ende Abysari
 
Dese coninghe verwonnedi.

Een andere plaats in de literatuur waar Taxilles als koning van Alabondine optreedt, is voorzover valt na te gaan, niet bekend. Alabondine wordt als naam van een land trouwens noch in de Middelnederlandse, noch in de Griekse, Latijnse en Oudfranse Alexanderliteratuur ergens genoemd. De relatie die in het Lapidarium bestaat tussen koning Taxilles en het land Alabondine, wijst er hierdoor ondubbelzinnig op dat de betreffende verzen in het Lapidarium verband houden met Maerlants Alexanders Geesten.

5 Tot slot

Maken we ten slotte de balans op. De bezwaren die zijn ingebracht tegen Maerlants auteurschap van de Leidse lapidariumfragmenten (de aanwezigheid van allegorische verklaringen en de onwaarschijnlijkheid van de toevoeging door Maerlant van zelfbedachte uitleggingen), zijn niet houdbaar gebleken. De dialectische kleuring wijst op een auteur uit Vlaanderen, wellicht uit West-Vlaanderen, die, zoals ook voor Maerlant is vastgesteld, terwille van het rijm ook wel woordvormen uit andere dialectgebieden gebruikte. De versificatie van de Lapidariumtekst blijkt te sporen met die van diens vroege werk. De gebruikte rijmtypen wijken niet af van die welke Maerlant hanteerde. In de structuur van de artikelen, de wijze waarop ze beginnen en wat betreft het ‘signaalwoord’ waarmee de allegorische toevoegingen worden ingeleid, lijkt de tekst sterk op die van Maerlants encyclopedie. In het Lapidarium vinden we enkele woorden en uitdrukkingen die bijna alleen, en meermalen, en op dezelfde wijze gebruikt, bij Maerlant worden aangetroffen: seghevri en der zielen gewin, terwijl ook de vertaling van sobrietas als suuerheit gelijk is aan die in Der naturen bloeme. Slechts de uitdrukking na minen sinne vinden we niet elders bij Maerlant terug. De formulaire uitdrukkingen dat en es loghen ne gheen, dat wilmen weten, dat leest men hier, en seyt (ons) die brief werden alleen in Maerlants werk aangetroffen.

Bovendien zijn er in ieder geval vijf korte tekstgedeelten die een duidelijke overeenkomst vertonen met passages in Maerlants Der naturen bloeme. Hierbij stelt men vast, dat het gaat om tamelijk onopvallende uitdrukkingen en versregels. Men kan zich nauwelijks voorstellen dat Maerlant bewust de moeite zou hebben genomen, om dergelijke verzen uit een door hemzelf eerder gedicht werkje te lichten om deze in Der naturen bloeme nogmaals te gebruiken. Nog minder waarschijnlijk is het evenwel dat hij een dergelijke door iemand anders gedichte tekst kende, en er de genoemde

[p. 23]

woorden, regeltjes of zinswendingen aan zou hebben ontleend. Men zou in beide gevallen toch veel meer en belangrijkere overeenkomsten verwachten. Wel kunnen deze overeenkomende tekstgedeelten heel gemakkelijk verschillende malen en onopzettelijk in het hoofd van de dichter ontstaan te zijn. Dit is overigens ook de overtuiging van Nischik, die meende ‘dass die vagen Entsprechungen weitaus eher auf verfahrenstechnische Routine als auf eine beabsichtigte Einfügung von Selbstzitaten schliessen lassen’.76

Als daarentegen - een derde mogelijkheid - de Lapidariumtekst door een andere auteur na Der naturen bloeme is geschreven, is het al evenzeer onwaarschijnlijk dat die dichter, dit werk kennende, het stenenboek van Thomas van Cantimpré opnieuw heeft vertaald en er maar zo'n gering aantal en zulke weinig bijzondere uitdrukkingen en passages uit zou hebben overgenomen. Het zou tevens om iemand moeten gaan die ook thuis was in ander werk van Maerlant: de passage over koning Daxilles houdt onmiskenbaar verband met Alexanders Geesten. Het zou dan bovendien om een wel héél goede lezer moeten gaan: de strijd die heeft plaats gevonden tussen het Griekse leger onder leiding van Alexander de Grote en het leger van Taxilles wordt daarin in het geheel niet beschreven, slechts de afloop wordt op één plaats in enkele woorden en bijna terloops vermeld. Op een andere plaats en eveneens maar éénmaal in het werk wordt Taxilles voorgesteld als de koning van Alabondine.

De gegevens zoals we die hebben gevonden, wijzen er mijns inziens op dat de Leidse Lapidariumfragmenten hoogstwaarschijnlijk twee gedeelten bevatten van Maerlants cortten lapydarys, die hij, zoals blijkt uit de vermelding in de Historie van Troyen (ca. 1264) ten laatste enkele jaren na zijn Alexanderroman (kort voor 1260) heeft gedicht. De gedachte ligt voor de hand, dat Maerlant enkele jaren later (ca. 1266) in Heimelijkheid der heimelijkheden de verhandeling over stenen, die in het Latijnse Secretum secretorum voorkomt, achterwege heeft gelaten omdat er door hem reeds uitvoerig in het Diets over was gedicht.77 De opzet van zijn Lapidarium vertoont ten slotte een opvallende overeenkomst met die van Der naturen bloeme: zoals Maerlant voor dit laatste werk, waarmee hij in het Diets een bestiarium wilde dichten, als basistekst een Latijnse encyclopedie koos, en wel het De naturis rerum van, naar hij meende, de geleerde dominicaanse auteur Albertus Magnus (maar in werkelijkheid Thomas van Cantimpré), heeft hij ook al eerder voor zijn korte Lapidarium een deel van diezelfde encyclopedie als uitgangspunt genomen.

Summary

It has long been common knowledge that during his stay on the island of Voorne Jacob van Maerlant wrote an ‘abbreviated Lapydarys’ (cortten Lapydarys). Though the work is generally considered lost, some years ago already W.L. Braekman posited that

[p. 24]



illustratie

De twee Lapidariumfragmenten Leiden, UB, Ltk. 1753, tweede tekstgedeelte, vs. 1-86.


[p. 25]

the two fragments preserved in the Leiden University library (Ltk. 1752) constitute parts of it. Because Braekman did not anchor his supposition with arguments, Maerlant scholarship has accorded the fragments almost no attention. This article examines the philological arguments, both pro and con, which merit consideration in the question of whether these fragments can be ascribed to Maerlant. According to the results of this research, it seems highly likely that the Leiden Lapidarium Fragments are part of his cortten Lapydarys.

 

Adres van de auteur:
Schadeken 16-18
nl-2264 kb Leidschendam
Westgeest@inl.nl

Bibliografie

Berendrecht, P., Proeven van bekwaamheid. Jacob van Maerlant en de omgang met zijn Latijnse bronnen. Amsterdam, 1996 (Diss. Leiden).
Berg, E. van den, Middelnederlandse versbouw en syntaxis. Ontwikkelingen in de versificatie van verhalende poëzie ca. 1200-ca. 1400. Utrecht, 1983 (Diss. Utrecht).
Berg, E. van den, ‘Nadrukformules in Middelnederlandse ridderepiek’. In: De Nieuwe Taalgids 85 (1991), p. 205-214.
Berg, E. van den, en A. Berteloot, ‘Taalgeografische variabelen in Middelnederlandse rijmen’. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde 1991, p. 238-273.
Berg, E. van den, en A. Berteloot, ‘Waar kwam Jacob van Maerlant vandaan?’. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde 1993, p. 30-77.
Berteloot, A., Bijdrage tot een klankatlas van het dertiende-eeuwse Middelnederlands. 2 dln. Gent, 1984 (=KA).
Berteloot, A., ‘Een vormleerhoofdstukje uit de Maerlant-grammatica’. In: Franco-Saxonica. Münstersche Studien zur niederländischen und niederdeutschen Philologie. Jan Goossens zum 60. Geburtstag. Neumünster, 1990, p. 15-28.
Besamusca, B., Het Boec van Lancelote. De Middelnederlandse vertaling in verzen van de ‘Lancelot en Prose’ en het aandeel van Lodewijk van Velthem in de totstandkoming van de ‘Lancelotcompilatie’. Utrecht, 1988 (Diss. Utrecht).
Boese (ed.), H., Thomas Cantimpratensis ‘Liber de natura rerum’. Teil 1: Text. Berlin, New York, 1973.
Braekman, W.L., ‘Fragmenten van de verloren gewaande Lapidarijs van Jacob van Maerlant’. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (Nieuwe reeks) 1970, p. 499-525.
Burgers, J.W.J., De Rijmkroniek van Holland en zijn auteurs. Historiografie in Holland door de Anonymus (1280-1282) en de grafelijke klerk Melis Stoke (begin veertiende eeuw). Hilversum, 1999.
[Cd-rom] Cd-rom Middelnederlands. Den Haag / Antwerpen, 1998.
Dalen-Oskam, K. van, Studies over Jacob van Maerlants ‘Rijmbijbel’. Hilversum, 1997 (Diss. Leiden).
Elaut, L., Van smeinscen lede. Een Middelnederlands geneeskundig geschrift, zijn betekenis in het raam van de medische literatuur der dertiende eeuw. Sint-Niklaas, 1956.
Evans, J., Magical Jewels of the Middle Ages and the Renaissance particularly in England. Oxford, 1922.
Franck, (ed.), J., ‘Alexanders geesten’ van Jacob van Maerlant. Groningen, 1882.
[p. 26]
Gerritsen (ed.), W.R., Lantsloot vander Haghedochte. Fragmenten van een Middelnederlandse bewerking van de ‘Lancelot en prose’. M.m.v.A. Berteloot, F.P. van Oostrom en P.G.J. van Sterkenburg. Amsterdam / Oxford / New York, 1987. (Middelnederlandse Lancelotromans 2).
Geurts, J., Bijdrage tot de Geschiedenis van het Rijm in de Nederlandsche Poëzie. 2 dln. Deel 1 Gent, 1904, deel 2 Gent, 1906.
Groshans, G. Ph. F., ‘De Lapidarius van Marbodus, de vermoedelijke bron van Maerlant's Lapidaris’. In: De Taal- en Letterbode 3 (1872), p. 319-20.
Gysseling (ed.), M., Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300), reeks II: literaire handschriften, deel 2: Der naturen bloeme. Den Haag, 1981.
Heeroma, K.,De fragmenten van de tweede Rose. Zwolle, 1958.
Heeroma 1973a, K., ‘Moriaen (I)’. In: TNTL 89 (1973), p. 83-113.
Heeroma 1973b, K., ‘Moriaen (II)’. In: TNTL 89 (1973), p. 114-140.
Jansen-Sieben, R., Repertorium van de Middelnederlandse artes-literatuur. Utrecht, 1989.
Kuiper, W., Die riddere metten witten scilde. Oorsprong, overlevering en auteurschap van de Middelnederlandse Ferguut, gevolgd door een diplomatische editie en een diplomatisch glossarium. Amsterdam, 1989 (Diss. Amsterdam).
Lie, O.S.H., ‘Kanttekeningen bij Maerlants berijmde Heimelijkheid der heimelijkheden en de Proza-Heimelijkheid.’ In: Queeste 3 (1996), p. 136-150.
Meier, Chr., Gemma spiritalis. Methode und Gebrauch der Edelsteinallegorese vom frühen Christentum bis ins 18. Jahrhundert. Münstersche Mittelalter-Schriften Band 34/1. München, 1977.
Mierlo, J. van, Jacob van Maerlant. Zijn leven - zijn werken - zijn beteekenis. Antwerpen, 1946.
Mooijaart, M., Atlas van Vroegmiddelnederlandse Taalvarianten. Utrecht, 1992 (Diss. Leiden) (=AVT).
Nischik, Tr.-M., Das volkssprachliche Naturbuch im späten Mittelalter. Sachkunde und Dinginterpretation bei Jacob van Maerlant und Konrad von Megenberg. Tübingen, 1986. (Hermaea, N.F. Band 48).
Oostrom, F.P. van, Lantsloot vander Haghedochte. Onderzoekingen over een Middelnederlandse bewerking van de ‘Lancelot en prose’. [z. pl., z.j.]. (Diss. Utrecht, 1981).
Oostrom, F. van, Maerlants wereld. Amsterdam, 1996.
Pauw, N. de, en E. Gailliard (ed.), ‘Dit is die Istory van Troyen’ van Jacob van Maerlant. Naar het vijftiendeeuwsche handschrift van Wessel van de Loe met al de middelnederlandsche fragmenten, diplomatisch uitgegeven. 4 dln., Gent, (dl. I-III) 1889-1891, (dl. IV) 1889.
Sande Bakhuyzen, W.H. van de, ‘Aanteekeningen op Der naturen bloeme’. In: TNTL 1 (1881), p. 191-219 en 261-280, en 2 (1882), p. 81-117.
Steele, R., Secretum secretorum cum glossis et notulis. Tractatus brevis et utilis ad declarandum quedam obscure dicta Fratris Rogeri. Oxford, 1920.
Telfryn Pritchard, R., Walter of Chatillon, The Alexandreis. [Toronto, 1986].
Verdam, J., ‘Nieuwe aanwinsten voor de kennis onzer middeleeuwsche taal’. In: Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Afdeeling Letterkunde. Derde reeks, twaalfde deel. Amsterdam, 1896, p. 146-158
Verdenius, A.A., Jacob van Maerlant's ‘Heimelijkheid der heimelijkheden’. Opnieuw naar de handschriften uitgegeven en van inleiding en aanteekeningen voorzien. Amsterdam, 1917.
Verwijs (ed.), E., Jacob van Maerlant's ‘Naturen bloeme’. 2 dln. Deel 1 Groningen, 1872, deel 2 Groningen, 1878. (Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde). Ongewijzigde herdruk [z. pl.], 1980.
Vries, M. de, ‘Maerlant en zijn Trojaensche Oorlog’. In: De Taal- en Letterbode 3 (1872), p. 155-164.
Westgeest, J.P., ‘[Rec. v.] Tr.-M. Nischik, Das volkssprachliche Naturbuch im späten Mittelalter. Sachkunde und Dinginterpretation bei Jacob van Maerlant und Konrad von Megenberg. Tübingen, 1986. (Hermaea, N.F. Band 48)’. In: De Nieuwe Taalgids 83 (1990), p. 453-457.
Willaert, F., ‘Lancelot in Utrecht’. In: Spiegel der Letteren 32 (1990), p. 51-70.
Winkel, J. te, Maerlant's werken, beschouwd als spiegel van de dertiende eeuw. Gent / 's-Gravenhage, 1892, tweede omgewerkte druk.