tot zich heeft genomen, zal wel uit zelfbescherming zijn. Wie werkelijk iets zinnigs over Reve wil beweren brengt zich toch minstens op de hoogte van wat er al aan zinnigs over Reve ís beweerd. Wie, zoals Speliers doet, weigert kennis te nemen van die Reve-literatuur schrijft gegarandeerd een grotendeels overbodig boek. Nu schrikt Speliers voor overbodige boeken niet terug; het is hem al goed wanneer het helemaal, authentiek, uit hemzelf is gekomen. Ergo: Het gaat Speliers niet om lezers, niet om Reve, maar uitsluitend om zichzelf.
Men zou een paar bladzijden uit dit (er driehonderd tellende!) boek moeten lezen om aan den lijve te ervaren wat een volslagen gebrek aan ordenende creativiteit deze Vlaamse Reve-aanbidder opbrengt. De idee dat Reves werk, en dan vooral vanaf ‘Op weg naar het einde’ dat Speliers Reves Meesterwerk vindt, ‘taalgeworden homosexualiteit’ zou zijn, krijgt in dit lijvige essay onvoldoend helder reliëf.
Het blijkt maar weer dat alleen distantie tegenover eigen bewondering een leesbaar essay kan opleveren. Speliers onderkent in Reves latere boeken een zgn. ‘desultorisch schrijfpatroon’, waarmee hij doelt op Reve's eigengenoemde ‘geoudehoer’. Welnu, in een poging de Meester niet alleen te begrijpen, maar ook na te volgen produceert Speliers een aberratie van Reve-taal en -constructie, waardoor zijn boek nog eens dubbel zo onleesbaar wordt, en naar aanleiding waarvan je gerust de vraag kunt stellen of iemand die zó schrijft wel iets zinnigs over Reve kan opmerken. De chaos bij Reve is altijd in schijn chaos, bij Speliers staan we oog in oog met de échte Chaos. Hij heeft Reve willen zijn (uitgaande van de verkeerde gedachte dat alleen wie zich identificeert met de Maker goed over Hem schrijven kan), maar is jammergenoeg heel duidelijk Speliers gebleven. Zelf is hij er trots op: ‘Ik schrijf mijn Boek in wildweststijl’. Ergens anders spreekt hij van ‘een intuïtief-essayistische gooi met de pet’. Het dieptepunt en het bewijs van hoe abject egocentrisch Speliers essayeert, vormt wel de nu volgende toevoeging tussen haakjes bij een citaat van Reve: ‘Mijn God, waarom komen de tranen weer in mijn ogen? Wat bezit Mijn Schrijver toch dat hij er in slaagt met de simpelste woorden de Diepste Ontroering te wekken? Komt het door de bijbelse allusies? Kop op, jongen! draag er zorg voor dat je essay niet door tranen wordt uitgewist!’ Men zal het met mij eens zijn dat wie zoiets schrijft beter eerst eens goed had kunnen uithuilen, alvorens verder te gaan.
T.v.D.
