|
|
|
| |
Gerrit Komrij
De wachtkamer
Bevroren zijn de koppen chocola.
We zitten kleumend in de oude schuur
En kijken door het raam de mensen na
Die luidkeels rennen, een kolom van vuur
Wacht op ze in de verte. Ook de vellen
Zijn hard. We horen aan de einder kreten.
O, die zijn eenvoudig niet te tellen.
De schreeuwen. En we zien de hete
Vuurzuil vrouwen, jongens, mannen,
Schrokkend, ziedend, meesterlijk omarmen
Als een kruisvaarder de muzelmannen.
Wij starogen, o ja! Het wordt al warmer.
| |
Het laatste deeg
We hadden vreemde gasten bij ons thuis.
Ze aten eerst de keukenkasten leeg
En bakten op ons kleine gasfornuis
Een huizenhoge pannekoek van deeg.
Vervolgens keerden ze de tafel om -
En gingen zitten; door de poten heen
Keken ze naar ons, zo star, zo stom.
Hun iris blikkerde als edelsteen.
Hun huid, zo leek het, was van cellofaan
Waarachter, roerloos, spieren stonden.
Pijn, pijn, zeiden zij. - Koud was de maan,
Koud was het bloed dat liep uit onze monden.
|
|
|