|
|
|
| |
| | | | | |
| | | |
G.E. Booij
Noam Chomsky: Taalkundige, rationalist en politiek filosoof
Noam Chomsky, For Reasons of State, Fontana/Collins, 1973.
Avram Noam Chomsky werd op 7 december 1928 geboren als zoon van een Hebraicus. Hij studeerde aan de Universiteit van Pennsylvania en wilde op een bepaald moment met zijn studie ophouden om naar het Midden-Oosten te gaan en in een kibboets te gaan wonen. Hij wilde namelijk streven naar samenwerking tussen Joden en Arabieren als alternatief voor het Zionisme. Chomsky raakte pas geïnteresseerd in taalkunde, toen hij contact kreeg met de belangrijkste linguist van de universiteit, Zellig Harris, die verwante politieke ideeën had. In 1951 schreef hij een ‘thesis’ over het Modern Hebreeuws en werd hij Junior Fellow in Harvard. Sinds 1955 is hij hoogleraar aan het Massachusetts Institute of Technology. In 1955/56 schreef hij een eerste samenvatting van zijn taalkundige ideeën, The Logical Structure of Linguistic Theory, een werk van 800 bladzijden dat nooit is uitgegeven. Een samenvatting van de belangrijkste ideeën ervan (Syntactic Structures) werd in 1957 gepubliceerd door de Haagse uitgever Mouton. Dit boekje luidde een nieuw tijdperk in de linguistiek in: de transformationeel-generatieve taalkunde. Chomsky's tweede belangrijke boek over taalkunde, evenals het eerste nogal technisch van aard, is Aspects of the Theory of Syntax (1965), een samenvatting van de op dat moment bestaande inzichten. Deze beide boeken worden wel het Oude respectievelijk Nieuwe Testament van de taalkundigen genoemd. Chomsky's meer algemene ideeën over taal en zijn theorie van de aangeboren ideeën vindt men in Cartesian Linguistics (1966), Language and Mind (1968, Ned. vertaling Taal en mens, 1970, tweede, uitgebreide druk 1971) Problems of Knowledge and Freedom (1971, Ned. vertaling Over het interpreteren en veranderen van de wereld 1972), For Reasons of State (1973). Zijn meer
politieke geschriften zijn American Power and the New Mandarins (1969), At war with Asia (1970) en The Backroom Boys (1973). Over Chomsky is een boekje verschenen van John Lyons in de serie Fontana Modern Masters, getiteld Chomsky (1970) dat onder dezelfde titel ook in het Nederlands is uitgebracht. Dit boekje geeft echter voornamelijk een uiteenzetting van Chomsky's taalkundige ideeën.
Het onlangs verschenen boek van Chomsky, For Reasons of State, een bundel essays die allemaal al eerder verschenen zijn in weekbladen en tijdschriften in de periode 1970-73, geeft een goed beeld van Chomsky's visie op taal, zijn politieke ideeën en de samenhang daartussen.
Centraal in het denken van Chomsky staat zijn opvatting van de mens: de belangrijkste eigenschappen van de mens zijn diens vrijheid en waardigheid. Deze mensopvatting wordt enerzijds geadstrueerd door zijn wetenschappelijk werk en is anderzijds het uitgangspunt van zijn politieke filosofie. Beide aspecten zullen hieronder aan de orde komen.
| |
Psychologie en ideologie
Het belangrijkste en meest uitvoerige essay van For Reasons of State is ‘Psychology and Ideology,’ een scherpe aanval op het in 1971 verschenen boek van de behavioristische psycholoog Skinner, Beyond Freedom and Dignity. Dit is overigens niet de eerste keer dat Chomsky de degens kruist met Skinner. Al in 1959 publiceerde hij een vernietigende recensie van Skinners boek Verbal Behavior in het tijdschrift Language.
Skinners uitgangspunt is dat het gedrag van een mens wordt bepaald door wat we erfelijk meegekregen hebben en door een aantal aangeleerde, vaak complexe relaties tussen stimuli (prik- | | | | kels) en responsen (reacties). De relatie tussen een stimulus en een respons wordt tijdens het leerproces versterkt door één of andere vorm van beloning die dan als versterking van de relatie (‘reinforcement’) functioneert.
Skinner deed bijvoorbeeld onderzoekingen met ratten in een kooi, de zogenaamde Skinner-box. Het is een box met een staaf erin. Als er op de staaf wordt gedrukt, valt er een stukje voedsel in een bakje. Het voedsel fungeert dan voor de rat als versterker om te zijner tijd opnieuw op de staaf te drukken.
Skinner beweert dat menselijk gedrag, waaronder taalgedrag, precies zo tot stand komt, al liggen de relaties tussen stimulus en respons wel wat ingewikkelder dan bij ratten. Als we nu precies weten welke stimuli welke responsen oproepen, is het gedrag van een mens volkomen beheersbaar. Dat ziet Skinner als de uiteindelijke oplossing die de wetenschap kan bieden t.a.v. maatschappelijke problemen. Het praten over menselijk gedrag in termen van houdingen, vermogens en eigenschappen brengt ons niets verder. We moeten af van mythische begrippen als ‘vrijheid’ en ‘waardigheid.’ Vandaar de titel van Skinners boek. Hij trekt hier een vergelijking met de ontwikkeling van de exacte wetenschappen: zolang men aan een steen een innerlijke wil om te vallen toekende, werd de wet van de zwaartekracht niet ontdekt. In plaats van een beroep te doen op de houdingen en capaciteiten van mensen voor het oplossen van maatschappelijke en politieke problemen, moeten we een aantal ‘sociaal-technologen’ aan het werk zetten, die als de geestelijke en politieke leiders op grond van hun wetenschappelijke kennis van het menselijk gedrag de samenleving in de gewenste richting sturen. Hoogste waarde daarbij is de ‘survival of the culture.’
Chomsky verzet zich fel tegen deze opvattingen van Skinner. In de eerste plaats wijst hij er op, dat de eis van het behaviorisme, dat men gedrag alleen mag verklaren in termen van uiterlijk waarneembare stimuli, versterkers en responsen, een dogmatische beperking is op wat als wetenschappelijke verklaring mag gelden. Deze beperking komt voort uit een eng-positivistische visie waarin men beducht is voor speculaties in plaats van op waarneming gegronde verklaring. Het aannemen van een onzichtbaar vermogen ter verklaring van gedrag is echter niet anti-empirisch, maar een volkomen empirische aanpak: gegeven de input en de output van een organisme kan men nagaan wat de interne structuur van het organisme moet zijn. Hypothesen over die interne structuur worden dus door middel van observaties gerechtvaardigd. Chomsky citeert dan ook tot twee maal toe (For Reasons of State, p. 111, Problems of Knowledge and Freedom, p. 14) met instemming de bekende Amerikaanse filosoof Quine die vroeger ook behaviorist was, maar op een symposium in 1968 over taal en filosofie tegenover onder meer Chomsky verklaarde dat het behaviorisme voor hem alleen nog maar inhield, dat hypothesen over interne vermogens door observaties gerechtvaardigd moeten worden: een eis die iedere wetenschapper accepteert en waardoor de notie ‘behaviorisme’ van zijn inhoud wordt beroofd.
In zijn bespreking van Verbal Behavior wijst Chomsky er op, dat men uit beperkte laboratorium-experimenten beslist geen algemene conclusies over menselijk gedrag kan trekken en hij toont ook met een reeks voorbeelden aan dat het behaviorisme taalgedrag niet kan verklaren. Ook in ‘Psychology and Ideology’ geeft hij dergelijke voorbeelden. Een behavioristisch psycholoog kan bijvoorbeeld helemaal niet verklaren hoe iemand die eenmaal een taal beheerst, volstrekt nieuwe zinnen van die taal kan vormen, die hij nooit eerder gehoord heeft. Chomsky kan dit verklaren door aan te nemen dat iemand die een taal geleerd heeft, een intern taalvermogen bezit, dat hem daartoe in staat stelt. Dat interne taalsysteem is een stelsel van regels dat aangeeft op welke wijze goede zinnen van die taal gevormd kunnen worden. Een behaviorist kan iemand die b.v. het Nederlands beheerst, alleen een zeker taalgedragsrepertoire toeschrijven dat hij zich door middel van ‘reinforcement’ heeft eigen gemaakt. Hoe iemand met een dergelijk repertoire nieuwe zinnen kan maken, blijft onverklaard. Vanwege dit aannemen van een intern taalvermogen noemt men Chomsky een mentalist. Voor hem zijn Skinners beweringen over menselijk gedrag geen psychologie, maar ideologie.
Hier komt Chomsky's mensopvatting naar voren. Voor hem is de mens een wezen met een aantal vermogens, waaronder het taalvermogen. Dank zij deze vermogens is de mens creatief: hij kan nieuwe zinnen maken, nieuwe situaties creëren enzovoort. Hij wordt dus niet volledig bepaald door zijn omgeving, maar is in essentie vrij van de stimuli van zijn omgeving. Door deze vermogens en de daaruit voortvloeiende vrijheid onderscheidt de mens zich van het dier: daarin is zijn menselijke waardigheid gelegen.
Chomsky's taalkundige onderzoekingen adstrueren dus zijn mensopvatting: het taalvermogen is een stelsel van regels dat ons in staat stelt steeds nieuwe zinnen te maken. Bovendien is het van een indrukwekkende complexiteit en kan er alles mee gezegd worden. Chomsky's theorie over het taalvermogen staat bekend als de transformationeel-generatieve taaltheorie. Deze is door hem behalve in de al genoemde boeken in een groot aantal artikelen, die alle van meer technische aard zijn, uitgewerkt. We verwijzen voor een uiteenzetting van deze theorie naar H.J. Verkuyl e.a., Transformationele Taalkunde (1973, Aula 509).
| |
Wetenschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid
In verschillende publikaties en interviews en opnieuw in For Reasons of State (in de essays ‘Psychology and Ideology’ en ‘The Function of the University in a Time of Crisis’) heeft Chomsky de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de wetenschapper benadrukt. Het gaat hem daarbij vooral om het soort onderzoek dat gedaan wordt en het gebruik dat gemaakt wordt van de onderzoeksresultaten. Wie de financiers van een onder- | | | | zoeksproject zijn, acht hij minder belangrijk. Zelf heeft hij veel taaltheoretisch onderzoek gedaan dat betaald werd door het ministerie van defensie.
Skinners ‘wetenschap’ bijvoorbeeld acht hij zeer gevaarlijk. Weliswaar kan men aan Skinners beweringen niet zonder meer argumenten ontlenen voor een totalitaire staat, maar Skinners opvattingen geven er ook geen argumenten tegen, juist doordat begrippen als menselijke vrijheid en waardigheid als mythisch en onwetenschappelijk worden afgedaan. Skinners beweringen over wat ‘de wetenschap’ zegt kunnen gemakkelijk misbruikt worden door mensen die een totalitaire staat willen. Het is dan ook niet toevallig dat het essay ‘Psychology and Ideology’ eerder verscheen als openingsartikel van het tijdschrift Cognition (International Journal of Cognitive Psychology). De redacteuren van dit tijdschrift, J.G. Mehler en T.G. Bever stellen in hun redactioneel openingswoord dat ze de vraag naar de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de wetenschapper nadrukkelijk in hun redactiebeleid zullen betrekken.
In dit al enkele malen genoemde essay gaat Chomsky ook in debat met de psycholoog R. Hernnstein over het verband tussen intelligentie en maatschappelijk succes en de gevolgen ervan voor de sociale stratificatie. Hernnsteins redenering is als volgt: als we de maatschappij en het onderwijssysteem zo veranderen dat iedereen het onderwijs kan krijgen dat hij nodig heeft voor de ontplooiing van zijn talenten (dus maximale externe democratisering van het onderwijs) dan zal er toch een nieuwe klasse van bevoorrechten ontstaan: de mensen met de hoogste intelligentie; want intelligentie is een soort garantie voor maatschappelijk succes. En aangezien intelligentie voor een groot gedeelte genetisch bepaald is, krijgen we een ‘hereditary meritocracy,’ een erfelijke klasse van bevoorrechten. Op het eerste punt, het ontstaan van een nieuwe klasse van bevoorrechten, is ook gewezen door Matthijsen in zijn boek Klasse-onderwijs (1971).
Chomsky wijst er nu op dat - nog afgezien van het feit dat de relatie tussen aangeboren intelligentie en intelligent gedrag nog steeds niet duidelijk is en dus éen van de pijlers van Hernnsteins redenering empirisch zeer zwak is - deze conclusies alleen maar gelden voor een maatschappij waarin alleen een bepaald soort prestaties maximale beloning opleveren, en wel in de vorm van bezit, een beloning dus die overdraagbaar is aan het nageslacht en waarbij bezit iemand maatschappelijk prestige verschaft. In een maatschappij waarin iedereen alleen prestige kan krijgen door zo goed mogelijk zijn eigen talenten te ontplooien en beloond wordt door het intrinsieke plezier dat hij in zijn werk heeft, een beloning die derhalve niet overdraagbaar is, gelden deze conclusies niet.
In een reactie op Chomsky's kritiek (Cognition 1, 1970, pp. 301-9) erkent Hernnstein dat zijn redenering alleen opgaat voor de bestaande maatschappij. Maar hij vindt Chomsky's maatschappij-alternatief een te utopisch ideaal.
Deze discussie demonstreert hoe Chomsky er op uit is de politieke premissen die versluierd voorkomen in wetenschappelijke redeneringen, bloot te leggen, en laat zien dat zogenaamde waardevrijheid vaak schijnbare waardevrijheid is.
| |
Politieke ideeën
In het voorafgaande is een schets van Chomsky's mensopvatting gegeven. Vanuit deze mensopvatting moeten zijn politieke idealen gezien worden. Zelf legt hij ook op deze wijze het verband in Problems of Knowledge and Freedom. Dit boekje bevat twee essays, de Russell-lectures die hij in 1971 in Cambridge gehouden heeft. Het eerste heet ‘On Interpreting the World’ en geeft Chomsky's ideeën over de mens, speciaal t.a.v. taalvermogen en taalverwerving. Het tweede, ‘On Changing the World’, biedt een aantal politieke analyses en ideeën. In plaats van, zoals Marx eiste van de filosofen, de wereld te veranderen in plaats van haar te interpreteren, wil Chomsky de wereld én interpreteren én veranderen, waarbij het eerste logisch voorafgaat aan het tweede. Ook in het essay ‘Language and Freedom’ in For Reasons of State wordt dit verband tussen taalkundige en politieke visie gelegd.
Chomsky's politieke filosofie komt er op neer dat de samenleving zo moet worden ingericht dat ieder individu zijn vermogens en talenten ten volle en in volledige vrijheid kan ontplooien. Een dergelijke samenleving is volgens Chomsky de socialistische, maar dan zonder een oppermachtige overheid. Hij noemt zich daarom aanhanger van het ‘libertarian socialism’, ook wel sociaal anarchisme of anarcho-syndicalisme genoemd. Hij wil een samenleving waarin de mensen vrijwillig samenwerkingsverbanden aangaan om bepaalde dingen te realiseren. Het arbeiders-zelfbestuur in Joego-Slavië en de kibboets in Israel acht hij voorbeelden van dit anarcho-syndicalisme. De Staat is, zowel in een kapitalistisch als een socialistisch systeem voor Chomsky de grootste boosdoener. For Reasons of State begint dan ook met een citaat van Bakunin: ‘De Staat is de georganiseerde authoriteit, overheersing en macht van de bezittende klassen over de massa's, ... de meest flagrante, de meest cynische en de meest volledige ontkenning van de menselijkheid.’ Allerlei handelingen die, als ze door een individu verricht worden, moreel slecht zouden zijn (b.v. moorden) worden goedgepraat, als ze door de Staat worden verricht, met als argument: ‘for reasons of state.’
Geen wonder dus dat Chomsky één van de felste critici van de Amerikaanse regering is geworden. Het Vietnam-conflict en de Watergate-affaire zijn duidelijk voorbeelden van het moreel slechte gedrag van de Staat. Ook For Reasons of State bevat enkele politieke essays, die hiermee te maken hebben: over machtspolitiek, Indo-China en over burgerlijke ongehoorzaamheid.
Toch moet opgemerkt worden dat Chomsky's politieke visie, zoals Hernnstein al opmerkte, nogal utopisch van aard is. Hij citeert wel talloze anarchisten uit het verleden (Bakunin, Kropotkin, Pannekoek enz.), maar geeft geen enkele concrete ma- | | | | nier aan langs welke die door hem voorgestane samenleving bereikt kan worden. Men kan Chomsky's politieke filosofie (zie hiervoor ook ‘Notes on Anarchism’) daarom beter beschouwen als een uiting van terechte morele verontwaardiging over de huidige politieke situatie dan als een concrete suggestie om die situatie te verbeteren.
| |
Rationalisme
Er is één probleem ten aanzien waarvan volgens Chomsky de transformationeel-generatieve taaltheorie de filosofie een dienst kan bewijzen of liever: haar overbodig maken. Dat is ten aanzien van het probleem van de kennisverwerving.
Al eeuwen lang is er op dit punt strijd tussen empiristen en rationalisten. Het empiristische standpunt houdt in dat alle kennis, behalve enkele logische en misschien enkele leerprincipes, verworven wordt op grond van ervaring; het rationalistische standpunt houdt in dat we geboren worden met een bepaald soort kennis, een verzameling ‘aangeboren ideeën’ die het ons mogelijk maken op basis van onze ervaring tot kennis te komen. Het eerste standpunt werd ingenomen door de Angelsaksische filosofen Locke en Hume, het tweede door onder meer Descartes en Kant.
Het probleem is, dat we niet rechtstreeks in de hersenen van een kind kunnen kijken om te zien welk van beide standpunten juist is. Chomsky stelt nu dat dit probleem in principe empirisch oplosbaar is via de taalkunde. We kunnen namelijk de interne structuur van een organisme in het algemeen bepalen op grond van de in- en output van dat organisme. Welnu, als we weten welke taalgegevens een kind in de periode van taalverwerving ten dienste staan en wat de output is (het taalvermogen van het kind), dan kunnen we bepalen welke aangeboren ideeën een kind moet hebben om uit de input (de taalervaring) de output (het taalvermogen) af te leiden. Taalverwerving wordt dus gezien als een bijzonder geval van kennisverwerving dat meer toegankelijk is dan kennisverwerving in het algemeen, omdat de output een redelijk afgerond geheel (het taalvermogen) is. Via het onderzoek naar taalverwerving kan dus het probleem van kennisverwerving in het algemeen aangepakt worden.
Hoewel Chomsky dit een volledig empirische kwestie acht, noemt hij zichzelf toch rationalist en kiest hij dus alvast een standpunt. Gezien namelijk de gebrekkige taalervaring van het kind en de enorme complexiteit en abstractheid van het taalsysteem dat een kind verwerft, moet het wel beschikken over een aantal aangeboren ideeën over taal die het kind in staat stellen een taal te leren. Die aangeboren ideeën moeten we dan ook terugvinden in alle talen. Vandaar dat men in de huidige taalkunde vooral op zoek is naar universele kenmerken van taal, de zogenaamde universalia. Men onderscheidt daarbij substantiële en formele universalia. Substantiële universalia zijn verschijnselen als: iedere taal heeft werkwoorden en zelfstandige naamwoorden. Formele universalia zijn beperkingen op de vorm en de toepassing van regels. Vooral die formele universalia staan in het middelpunt van de belangstelling. Het is namelijk door wiskundig onderzoek gebleken dat de soorten regels die in de huidige transformationeel-generatieve taalkunde worden gehanteerd, ook in staat zijn logisch denkbare taalsystemen te beschrijven die nooit als natuurlijke taal kunnen voorkomen. Zo zijn er talen denkbaar die een zin ontkennend maken door elk vijfde woord te herhalen. Een dergelijke taal zou met de huidige regels gemakkelijk te beschrijven zijn. Toch komen dergelijke talen niet voor. Er moeten derhalve algemene beperkingen op de regels geformuleerd worden. Chomsky is in zijn taalkundig werk van de laatste tijd dan ook vooral bezig met het formuleren van dergelijke beperkingen (b.v. ‘Conditions on Transformations’ in: Anderson & Kiparsky (eds.), A Festschrift for Morris Halle (1973)). Deze universalia nu zijn volgens Chomsky de aangeboren ideeën: het zijn beperkingen vooraf op het soort regels dat het kind zou kunnen afleiden uit de gegevens die het ter beschikking heeft. De aangeboren ideeën maken zo juist
taalverwerving mogelijk, omdat het mogelijk wordt te kiezen uit de regels die logisch mogelijk zijn op grond van de schaarse gegevens van de taalervaring.
Deze hypothese kan getoetst worden door een kind vanaf de geboorte te isoleren en het alleen te laten omgaan met mensen die een niet-natuurlijke taal spreken. De hypothese voorspelt dan dat het kind niet in staat is binnen de normale tijd een dergelijke kunstmatige taal te leren. In de praktijk is deze wijze van toetsing natuurlijk onmogelijk.
Overigens is het zoeken naar beperkingen op regels ook zonder de rationalistische hypothese noodzakelijk. Het is immers de taak van de taalkundige de notie ‘natuurlijke taal’ te specificeren en dus te onderzoeken in welk opzicht natuurlijke taal verschilt van andere logisch denkbare taalsystemen.
In zijn ideeën over aangeboren kennis en universele eigenschappen van taal zoekt Chomsky nadrukkelijk aansluiting bij filosofen uit het verleden, met name Descartes, von Humboldt en Kant en op het gebied van de universele grammatica de school van Port-Royal. Hij heeft deze historische achtergronden beschreven in Cartesian Linguistics (1966) en het eerste hoofdstuk van Language and Mind. Ook in ‘Language and Freedom’ (in For Reasons of State) gaat hij op deze historische achtergronden in.
Chomsky's rationalistische ideeën zijn overigens niet onbestreden gebleven. Er is onder meer een zeer interessante discussie hierover gevoerd op een symposium over ‘Language and Philosophy’ in het New York University Institute of Philosophy in april 1968 (het verslag van dit symposium is te vinden in S. Hook (ed.) Language and Philosophy (1969)).
Hoewel Chomsky steeds benadrukt dat het probleem van kennisverwerving een volkomen empirisch probleem is, is hij toch weinig geneigd de argumenten van zijn meer empiristisch georienteerde tegenstanders het volle pond te geven. Iedereen is
| | | | het er over eens dat we over een zekere uitrusting moeten beschikken om kennis te kunnen verwerven. Er is derhalve geen principieel verschil tussen de huidige empiristen en rationalisten. Ze hebben alleen een verschillend standpunt ten aanzien van de vraag hoe specifiek en uitgebreid die uitrusting is. Empiristen zijn geneigd een beperkte uitrusting aan te nemen, rationalisten achten een uitgebreide waarschijnlijk. Kritische vragen die men onder meer ten aanzien van de rationalistische hypothese zou kunnen stellen, zijn de volgende:
- zijn de gegevens die het kind ter beschikking staan bij de taalverwerving, wel zo gebrekkig?
- in hoeverre zijn de taaluniversalia een weerspiegeling van meer algemene cognitieve principes, die dan eventueel aangeboren zijn? (dat elke taal werkwoorden en zelfstandige naamwoorden heeft kan b.v. verklaard worden uit het feit dat kennis mede bestaat uit entiteiten (corresponderend met zelfstandige naamwoorden) en eigenschappen en relaties (corresponderend met werkwoorden) van die entiteiten.)
- in hoeverre zou taalverwerving verklaard kunnen worden als we aannemen dat we beschikken over een aantal algemene leerprincipes die ons mede in staat stellen een taal te leren?
De belangrijkste bijdrage van Chomsky in deze discussie is dan ook niet dat het probleem nu is opgelost, maar dat empiristische filosofen als Quine hun dogmatische standpunt hebben verlaten zodat een reële discussie mogelijk werd. Het onderzoek naar taalverwerving is door zijn probleemstelling in de zestiger jaren zeer gestimuleerd (zie voor een meer diepgaande analyse van het taalverwervingsprobleem en een overzicht van onderzoek op dit gebied: W.J.M. Levelt, Formele Grammatica's in Linguistiek en Taalpsychologie, deel III, hoofdstuk 18).
De belangrijkste vernieuwing die Chomsky tot stand heeft gebracht, is die op het gebied van de taalkunde. Daar heeft hij echt een revolutie teweeg gebracht, die taalkundigen over de gehele wereld heeft geinspireerd, zodat de taalkunde sinds 1957 tot grote bloei is gekomen. En dat geldt niet alleen voor de syntaxis, maar ook voor de fonologie, waarover hij samen met M. Halle het monumentale standaardwerk The Sound Pattern of English (1968) publiceerde. Bovendien zijn door zijn probleemstellingen ook de historische taalkunde, de taalpsychologie en het taalverwervingsonderzoek zeer gestimuleerd.
Toch zijn ook Chomsky's gedachten over de mens, de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de wetenschapper en zijn politieke filosofie, waarvan For Reasons of State een goed beeld geeft, inspirerend genoeg om er kennis van te nemen, al zijn ze minder revolutionairen nogal utopisch.

|
|
|