|
|
|
| |
| | | |
H. Verdaasdonk
Lektuurnotities bij Wolf Wondratschek
Wolf Wondratschek werd in 1943 geboren. Hij publiceerde de volgende boeken: Früher begann der Tag mit einer Schusswunde (Reihe Hanser 15), Ein Bauer zeugt mit einer Bäuerin einen Bauernjungen, der unbedingt Knecht werden will (Reihe Hanser 44), Paul, oder die Zerstörung eines Hörbeispiels (Reihe Hanser 72) en Omnibus (Hanser). De twee eerstgenoemde boeken zijn in één deel uitgegeven door de Deutsche Taschenbuch Verlag (DTV, Sonderreihe 113).
| |
1
De notities waarvan in de titel sprake is, betreffen de tekstopvatting die aan het werk van Wondratschek ten grondslag ligt. Op een aantal punten vertoont deze overeenkomst met ideeën die fundamenteel zijn in teksten van Vogelaar, Willy Roggeman, Arno Schmidt, enz. Het onderstaande is zo tevens bedoeld als een eerste, bescheiden stap tot het opzetten van een kader waarin over de laatstgenoemde auteurs iets gezegd kan worden dat informatiever is dan de grafstilte die hen, van de zijde van de kritiek, thans omgeeft, en dat steekhoudender is dan de schaarse kommentaren waartoe genoemde auteurs aanleiding hebben gegeven en waarin altijd gewag wordt gemaakt van het feit dat het chaotische van hun teksten een afspiegeling is van de chaotische manier waarop de mens heden ten dage de werkelijkheid ervaart, of, nog mooier, dat het ondoordringbare van hun teksten is aan te merken als kritiek op de vervreemding waaraan het subjekt in de kapitalistische maatschappij ten prooi valt.
Het werk van Wondratschek kan ‘avant-gardistisch’ genoemd worden, omdat men, bij de lektuur ervan, niet uitkomt met het tekstbegrip vanwaaruit wij gewoon zijn ‘literatuur’ te benaderen. Daar Wondratschek, anderzijds, graag experimenteert met procédés die wij gewend zijn in (literaire) teksten op te merken, biedt zijn werk juist een goed uitgangspunt om enige problemen met betrekking tot avant-gardistische geschriften te lokaliseren.
| |
2
In het voorafgaande werd gezegd, dat men bij de lektuur van Wondratscheks werk niet goed uitkomt met het traditionele tekstbegrip. Om deze bewering enige kracht bij te zetten, is het van belang duidelijk te maken, welke eigenschappen wij gewoonlijk aan (literaire) teksten toekennen. Zoals aan het eind van deze paragraaf zal blijken, wordt de term ‘eigenschappen’ lichtelijk ironisch gebruikt. Er volgt een puntsgewijze opsomming van wat naar mijn smaak de voornaamste kenmerken zijn die we in literaire teksten (willen) aantreffen.
(I) Een literaire tekst is waardevol. Precieser gezegd: een literaire tekst leidt, bij kennisname, tot een hevige vorm van beleven. Men is, na lezing van zo'n tekst, een essentiële ervaring rijker, of moet dat zijn. Het is interessant na te gaan, hoe de leeservaring, met betrekking tot dit belevingsaspekt, wordt geformuleerd. In de meeste gevallen zal men zeggen, dat, door kennisname van een literaire tekst, het inzicht in de wereld, de eigen persoon, de literatuur, enz. is verrijkt. De konsumptie van een meesterwerk geeft kennelijk een ervaring van iets wezenlijks en is kennisvermeerderend. Het gaat mij hier niet om het feit, dat kennisverruimende ervaringen eerder aan de hand van niet-literaire teksten zijn op te doen. Ik wil veeleer wijzen op twee opvattingen die voortvloeien uit dit postulaat van de waardevolheid van literaire teksten:
(a) Een literaire tekst doet primair een beroep op de spontaniteit van de lezer;
(b) Voor het spreken over literaire teksten is, uiteindelijk, geen juistheidskriterium te geven.
Dit laatste punt speelt ook impliciet in dat konsept van literatuurbeschouwing, waarin de wetenschapsman het tot zijn taak rekent, interpretaties van literaire teksten te vervaardigen. In dit type studies bestaat altijd een perfekte gelijkenis tussen de situatie van de wetenschapsman en die van de ‘common reader.’ Alleen stelt de eerste vaak bekommerd vast dat er nog veel ‘open vragen’ blijven, die natuurlijk de wijze betreffen waarop men interpretaties opzet en rechtvaardigt. Zolang het nog onmogelijk is een tekst te beschrijven, blijft de verwarring, in interpretatieve studies, tussen eigenschappen van een tekst en elementen van de leeservaring, onoplosbaar. Meer in het
| | | | | | | | algemeen: de punten (a) en (b) garanderen, als kenmerken van een bepaalde tekstopvatting, dat de ‘open vragen’ sowieso ‘open’ zullen blijven. Merk in dit verband ook op dat van de wetenschapsman/kritikus altijd wordt geëist dat hij erudiet en rijp is - wil hij literaire teksten wezenlijk kunnen ervaren, dan moet hij ook zijnerzijds veel inzetten.
(II) Een literaire tekst is diepzinnig. Het adagium: ‘Er staat niet wat er staat’ is een vanzelfsprekend uitgangspunt waarmee men literaire teksten benadert. Het is bon ton te spreken van de polyinterpretabiliteit van literaire teksten, ja zelfs te beweren, dat een literaire tekst een oneindig aantal mogelijke betekenissen in zich bergt. Zo heeft iedere tijd zijn eigen ‘Hamlet,’ ‘Madame Bovary,’ ‘Adolphe,’ enz. Er bestaan inderdaad talloze analyses van deze teksten, met als resultaat telkens verschillende formuleringen van de ‘boodschap,’ de ‘kern,’ enz. - meestal in de vorm van een waarheid als een kolossale koe. Een indirekt bewijs voor de (oneindige) betekenisrijkdom van literaire teksten wordt ook vaak ontleend aan het bestaan van talrijke benaderingen van die teksten - men kan bijvoorbeeld Hamlet psychoanalytisch, sociologisch, kultuurhistorisch, existentialistisch, struktureel, historisch-materialistisch, mythologisch, enz. interpreteren. Het gaat hier om min of meer willekeurige schema's met behulp waarvan een literatuurbeschouwer een tekst te lijf kan gaan. Een psychoanalytikus en een historisch materialist zullen dan ook volmaakt verschillende ‘feiten’ uit teksten aanvoeren ter ondersteuning van hun interpretaties. Zolang het niet duidelijk is wat precies een ‘feit’ in een literaire tekst is, zal het aantal interpretatieschema's nog wel voor uitbreiding vatbaar blijven. In wezen is er natuurlijk geen sprake van echt verschillende schema's: aan elk ligt de opvatting ten grondslag, dat een literaire tekst zelf een (hogere) werkelijkheid is, met personen, gebeurtenissen, en alles wat ze kenmerkt. Net zo als men over de werkelijkheid (de ‘kultuur’) een aantal filosofieën kan opzetten, kan men dit ook ondernemen voor de (diepere) werkelijkheid die een tekst
is/representeert.
(III) Een literaire tekst is een eenheid. Dit is het meest onaangevochten postulaat. Vaak krijgt het de volgende formulering: Ieder element in een tekst vervult een welbepaalde funktie voor het geheel dat die tekst vormt. Hiermee wordt eigenlijk bedoeld: ‘Elk te verklaren (tekstueel) element moet primair geduid worden in het licht van zijn betekenis voor het geheel.’ Mooij, aan wie ik deze karakteristiek ontleen, vat de interpretatie van een literaire tekst dan ook op als een funktionele verklaring. Deze konseptie wijkt volledig af van de analyse die bijvoorbeeld Stegmüller van dit type verklaringen geeft, maar ik kan hier, in het bestek van dit artikel, niet op ingaan. Ik wil alleen zeggen dat interpretaties van literaire teksten, volgens Mooij's voorstel, natuurlijk volmaakt cirkulair zijn: enerzijds vormt men uit de ‘elementen’ van een tekst (de ‘delen’) een idee over het ‘geheel’ (de ‘totale betekenis’), anderzijds zal men, ook beschikt men niet over alle ‘elementen’ van een tekst, al een globaal idee hebben van het ‘geheel’, in funktie waarvan dan nieuwe ‘elementen’ worden geduid. Verdere kanttekeningen die je bij deze eenheidsopvatting zou kunnen maken, zijn: wat ‘elementen’ in een tekst zijn, is even onduidelijk als wat ‘feiten’ in een tekst zijn - misschien is er zelfs helemaal geen verschil tussen ‘elementen’ en ‘feiten’ . Voorts lijkt het mij onjuist te zeggen dat een literaire tekst een eenheid is. Het is de lezer die eenheid aanbrengt. Precieser nog: het is de lezer die, op basis van bepaalde instrukties in een tekst, koherentie-relaties probeert te leggen tussen verzamelingen uitspraken in een tekst. In een ander artikel, over Trivialliteratur, heb ik proberen aan te geven, hoe men zich dit moet
voorstellen. Daar suggereerde ik ook, dat het onhoudbaar is te denken, dat alle ‘elementen’ in een tekst belang hebben voor het ‘geheel’ .
De meest metafysische versie, tenslotte, van dit eenheidspostulaat is de zogenaamde autonomie-claim voor literaire teksten, waar het literaire werk een in zichzelf besloten en aan innerlijke wetten gehoorzamende struktuur is, losgeraakt van zijn maker. In autonomistische studies wordt niet meer in de eerste plaats de vraag gesteld: ‘Wat is een plausibele interpretatie voor een gegeven tekst?’ Het gaat eerder om een andere vraag: ‘Op welke wijze vormt deze tekst een eenheid?’ Van iedere interpretatie die men van een bepaalde tekst levert/leveren kan, releveert men dan haar bewijskracht voor de eenheid van de tekst. Mosterd na de maaltijd: zodra men over een interpretatie beschikt is de eenheid van een tekst al impliciet ‘aangetoond.’
(IV) Een literaire tekst is waarschijnlijk. Dit postulaat duidt niet zozeer een eigenschap van een literaire tekst aan, als wel een bepaald effekt: de lezer moet - zoals Aristoteles al zei - kunnen geloven, dat wat er verteld wordt mogelijk en waarschijnlijk is. Voor dit geloven hanteert hij twee kriteria: zijn globale, niet gespecializeerde kennis van de werkelijkheid en, indien hij hier niet mee uitkomt, de onderstelling van bepaalde literaire konventies. Wanneer iemand, zeg in een verhaal, van het Empire State Building valt, en kort daarna overlijdt, is dit geloofwaardig op grond van onze kennis van de werkelijkheid. Valt iemand, in een verhaal, van hetzelfde gebouw en vervolgt hij ongedeerd zijn weg, dan is dit alleen geloofwaardig indien men in de tekst verschillende aanwijzingen kan aantreffen, bepaalde verhaalkonventies die het mogelijk maken het vertelde als specimen van een genre te beschouwen (hier natuurlijk, verrassenderwijs, zoiets als ‘fantastische vertelling’). De twee zo juist aangehaalde, elkaar uitsluitende en mooi met elkaar komplementaire, kriteria voor de geloofwaardigheid van teksten kloppen natuurlijk niet. Het lijkt mij verder geen goed idee, om, naar aanleiding van het laatste voorbeeldje, een term als ‘geloofwaardigheid’ te hanteren - netzomin als mij dit zinnig lijkt met betrekking tot het eerste voorbeeldje. In de traditionele literatuuropvatting is het echter essentieel om aan een konsept als ‘waarschijnlijkheid’ vast te houden, omdat deze notie de noodzakelijke voorwaarde aangeeft voor de totstandkoming van de deelname (sterker nog: de identifikatie) van de lezer. En
| | | |

alleen als de lezer zich inzet, kan er sprake zijn van de hevige vorm van beleven die ik onder (I) vermeldde.
Het is ook nog een vraag in hoeverre de eigenschap van waarschijnlijkheid niet een verbijzondering is van de eigenschap van eenheid. Aangenomen dat een lezer een tekst ‘waarschijnlijk’ vindt, als hij bepaalde verbanden - in termen van oorzaken, redenen, motieven - tussen vertelde gebeurtenissen heeft kunnen leggen, dan rijst de vraag op welke punten deze relaties verschillen van die met behulp waarvan hij tot de slotsom komt dat de tekst die hij onder handen heeft een ‘eenheid’ is.
Deze vier kwaliteiten, toegekend aan literaire teksten vind ik kenmerkend voor de huidige literatuuropvatting. De kleine inventaris die ik gaf, is moeiteloos uit te breiden. Een adekwate analyse van de geldende ideologie met betrekking tot literaire teksten, zou verkregen worden, indien ik liet zien waarom het konsept ‘literaire tekst’ juist met de punten (I)-(IV) verbonden is. In plaats hiervan wil ik alleen zeggen, als dat al iemand interesseert, dat het bovenomschreven literatuurkonsept mij problematisch voorkomt. Het is te naïef en te simplistisch. Het grootste bezwaar dat ik er tegen kan aanvoeren is, dat de punten (I)-(IV) helemaal geen ‘eigenschappen’ van literaire teksten aanduiden, maar normen op grond waarvan wij beweren dat tekst X een literaire tekst is. Op avant-gardistisch werk nu, zijn (I)-(IV) duidelijk niet van toepassing. Het vermoeden vat dan post, dat dit type werk én niet als literair én niet als tekst, maar eenvoudig als ‘wartaal’ is te beschouwen.
| |
3
Bij de notities over Wondratscheks werk, wil ik mij konsentreren
| | | |

op de tekst ‘Also’ uit Früher begann der Tag mit einer Schusswunde. Het zal, na het bovenstaande, duidelijk zijn dat ook een karakterizering van deze tekst als ‘verhalend,’ met enige reserve moet worden ondernomen. We gaan er vanuit, dat, in het traditionele konsept, de lezer de volgende eisen (I)-(III) in ieder geval aan een verhaal stelt - en we zullen telkens aangeven, hoe ‘Also’ zich hiertoe verhoudt.
(I) In ieder verhaal treden één of meer vertellende instanties op, waaraan een point of view kan worden toegekend. Er is, in ‘Also,’ een vertellende instantie die mededelingen doet over een persoon Paul: ‘Zu Hause wünscht Paul sich eine Tochter. Unterwegs wünscht sich Paul manchmal etwas. Paul ist oft in München und Frankfurt. Paul sagt ficken.’ Deze mededelingen zijn, in tegenstelling tot wat in het geldende konsept geëist wordt merendeels niet informatief noch karakterizerend: ‘Schon der Grossvater hiess Paul. (...) Paul heisst Paul; das nenne ich Paul.’
De uitspraken over Paul worden onderbroken door nogal willekeurige verklaringen, waarvan de bron onduidelijk is: ‘Schlechte Zeiten sind gute Gesprächsthemen,’ ‘Wie gut, dass es Nivea gibt,’ ‘Ein Bauer hat nur einen Gedanken,’ enz. - zij zijn, vanuit een rhetorisch standpunt, vrij makkelijk te klassificeren; het gaat om maximes (‘Die Geheimnisse der Neger sind weiss’), indirekte citaten (‘Immer wieder liest man in den Zeitungen Berichte, dass übermüdete belgische Autobusfahrer auf der Autobahn gegen Brückengeländer rasen’), metaforen (‘Eine Sekretärin ist eine Kulisse. Dahinter weint die Ehefrau.’), clichés (‘Es war einmal.’).
Het is mogelijk, deze uitspraken op te vatten als gedaan door
| | | | de vertellende instantie, als ‘gedachten’ van Paul en/of als komende van een radio (dit is een van de funkties van het zinnetje: ‘Paul hört Radio.’). We komen nu op een belangwekkend probleem: de tekst bevat een groot aantal maximes of universele uitspraken. Traditioneel geldt voor dit soort uitspraken dat én bepaald kan worden wie ze doet én voor wie zij geacht worden te gelden. Bij Wondratschek zijn deze twee punten onduidelijk - het gevolg is, dat de vraag naar de geldigheid van zijn maximes niet meer gesteld kan worden. Ik kom hier straks op terug.
(II) In ieder verhaal wordt een welbepaald tijd-/ruimte- kontinuum aangebracht. In ‘Also’ is sprake van aanduidingen waaruit is af te leiden, dat ‘Paul’ zich op een snelweg in een vrachtauto (‘Der Beifährer schläft’) bevindt. De vertelde tijd wordt door drie summiere indikaties (‘5 Uhr früh...,’ ‘11 Uhr 30,’ ‘12 Uhr 45’) aangeduid. Doordat het verhaal in de tegenwoordige tijd wordt verteld en met name plaatsbeschrijvingen in de meeste gevallen niet systematisch in verband gebracht worden met de snelweg als locus, gaan uitspraken die de rhetorische vorm van een plaatsbeschrijving hebben, als universele uitspraken fungeren: ‘Auf den Friedhöfen kümmern sich die Leute um frische Blumen.’ ‘In den Dörfern entstehen Gewitter,’ ‘Nachtsstehen die Wiesen senkrecht,’ enz.
(III) In ieder verhaal wordt een hoofd-handelingsverloop gemarkeerd. Er is altijd een centrale handeling die - onderbroken door verklarende, expliciterende informatie - stap voor stap wordt ontwikkeld, tot zij ‘kompleet’ is. De schaarse ‘handelingen’ van Paul zijn hoogstens in een vaag temporeel verband te zetten (‘Paul zieht sein Wasser aus der Hose,’ ‘Paul zündet sich Zigaretten an,’ enz.) en worden onderbroken door verzamelingen uitspraken van de aangegeven types. Behalve over Paul, worden er uitspraken gedaan over de aktiviteiten van een enorm aantal personen: ‘In den Wäldern gruppieren sich die Förster. Die Polizei setzt Hubschrauber ein. (...) Nonnen kämpfen gemeinsam um ihre Bedeutung. Bei Regenwetter gewöhnt man Wehrpflichtige an den Ernstfall. In der Ebene arbeiten soldaten an falschen Vorstellungen.’ Al deze ‘handelingen’ maken geen deel uit van een keten waardoor een (komplete) intrige opgebouwd wordt. Zij staan, zou men zeggen, op zichzelf. Nog sterker: de geciteerde zinnen kunnen eveneens gelezen worden als universele uitspraken.
In Wondratscheks teksten wordt het geldende literatuurkonsept impliciet afgewezen: ik zei al dat men er niet mee uitkwam. Voor een eerste ‘positieve’ karakterizering, zou men moeten letten op het feit dat Wondratscheks teksten met uiterst beperkte middelen zijn opgebouwd. Om mij tot ‘Also’ te beperken: er is sprake van voortdurende herhaling zowel van identieke zinskonstrukties, als van een klein aantal rhetorische procédés. Ik sprak al over het telkens voorkomen van een rhetorische figuur als de maxime. Wondratschek voert in ‘Also’ op dit punt een belangrijk experiment uit: doordat zijn maximes niet op te vatten zijn als komende van een welbepaalde vertelinstantie, noch als generalizeringen over afzonderlijke gebeurtenissen, is het onmogelijk de vraag naar hun geldigheid op te werpen. De vervangbaarheid van de maximes wordt aangeduid door hun opvallend eenvormige rhetorische struktuur; het gaat altijd om antithetisch opgezette of metaforische uitspraken: (‘Schlechte Zeiten sind gute Gesprächsthemen,’ ‘Die Geheimnisse der Neger sind weiss,’ ‘Eine schwarze Susi ist billiger als eine blonde Susi,’ enz. De lezer kan makkelijk deze maximes vervangen door andere die struktureel gelijkwaardig zijn. Eenzelfde vervangbaarheid wordt, op gelijke wijze, gesuggereerd door de wijze waarop in ‘Also’ vrijwel alle alinea's zijn gekonstrueerd: plaatsbeschrijving - uitspraak over Paul - maxime/citaat/metafoor - plaatsbeschrijving.
Als de bewering over de status van de maximes in ‘Also’ enigszins steekhoudend is, kan er mogelijk een konklusie aan ontleend worden voor de manier waarop dit soort uitspraken in ‘traditionele’ teksten moet worden geanalyzeerd. Dat de vraag naar de geldigheid van maximes daar wel opkomt, wordt kennelijk bewerkt door specifieke rhetorische procédés in die teksten, en niet door de intrinsieke waarde van die maximes zelf.
(N.B. Bij het schrijven van de derde paragraaf heb ik gebruik gemaakt van teksten van K.D. Beekman over Wondratschek. Met toestemming van eerstgenoemde.)

|
|
|