|
|
|
| |
| | | |
Paul Beers
Het depressieve proza van Ionesc
Eugène Ionesco, Le Solitaire, Mercure de France (importeur Meulenhoff-Bruna f 15,60).
Een Nederlandse vertaling verschijnt dit najaar bij Elsevier. De Haagse Comedie heeft het op deze roman geïnspireerde toneelstuk Ce formidable bordel! voor het komend seizoen op het repertoire genomen.
Eugène Ionesco, de in 1912 in Roemenië geboren maar als Fransman bekend geworden toneelschrijver, heeft zijn faam te danken aan een groot aantal toneelstukken die hem in de vijftiger jaren, samen met Samuel Beckett, tot voorman maakten van de absurdistische stroming in de toneelliteratuur. In die stukken - merendeels eenakters, zoals De les, De stoelen, Slachtoffers van de plicht - ligt de nadruk op de fantasie, op één bepaalde, nogal eens willekeurige vondst die dan volgens een eigen, ingebouwde wetmatigheid wordt uitgewerkt. Temidden van een meestal ‘burgerlijke’ alledaagsheid vindt er een bizar voorval plaats, dat zich op autonome wijze gaat ontwikkelen en dat, schijnbaar in die alledaagsheid ingepast, steeds dwingender proporties gaat aannemen. De sfeer is meestal die van een toenemende beklemming, de communicatie niet meer dan een machteloos en vaak komisch langs elkaar heen praten, en de handeling wordt niet gestuurd vanuit de personages, maar gedicteerd door anonieme machten en dreigingen die de eenling in hun greep houden.
In De slachtoffers van de plicht laat Ionesco een speciaal daarvoor gecreëerd alter-ego, Nicolas d'Eu, expliciet zijn ‘droom over een irrationeel toneel’ uitspreken die inzicht geeft in Ionesco's onderliggende mensopvatting: ‘En toch is het nodig om rekening te houden met de nieuwe logica... met de openbaringen die een nieuwe psychologie oplevert... een psychologie van tegenstrijdigheden... Wij moeten het principe van de identiteit en de eenheid van de karakters loslaten ten gunste van de beweging, van een dynamische psychologie... Wij zijn onszelf niet... De persoonlijkheid bestaat niet.’
In 1962 publiceert Ionesco een verhalenbundel die inmiddels als De foto van de kolonel in Nederlandse vertaling verschenen is (Meulenhoffreeks, 1970). Deze verhalen, gedateerd tussen 1954 en 1961, blijken bijna allemaal modellen te zijn van daarna (of ook daarvoor?) geschreven toneelstukken. Zo is in ‘De foto van de kolonel’ letterlijk het stramien herkenbaar van ‘Tueur sans gages,’ terwijl ‘Slachtoffer van zijn plicht,’ ‘Rinoceros’ en ‘De voetganger in de lucht’ vanzelfsprekend corresponderen met ‘Victimes du devoir,’ ‘Rhinocéros’ en ‘Le piéton de l'air.’ Maar het laatste verhaal uit de bundel, ‘Modder,’ is als op zichzelf staand stuk proza het interessantst voor het kader van dit artikel.
‘Modder,’ geschreven in 1956, lijkt nl. een aanwijzing te geven dat Ionesco in zijn toneelwerk, althans dat van de vijftiger jaren, een soort vuurwerk afschiet dat mede dient ter bestrijding van een ‘diepe, onduldbare nostalgie, een verpletterende droefheid, een verlangen zonder naam,’ dat in dit verhaal nog aan de hoofdpersoon wordt toegeschreven, maar getuige de later verschenen Dagboeken niet minder voor Ionesco zelf geldt. Die onduldbare nostalgie gaat uit naar ‘een ongeschonden wereld, overstroomd van licht,’ die eens het deel was van de ik-figuur maar die nu plotseling en zonder aanwijsbare reden in haar tegendeel is verkeerd.
Van nu afstaat het hele bestaan van het in zichzelf opgesloten personage onder de doem van het ontbreken van ook maar enige vitaliteit. De ik komt het huis niet meer uit, steekt de lamp niet meer aan, staat niet meer op. Er is een plotselinge opwelling de lethargie te overwinnen, het instinct tot zelfbehoud laat zich horen, ‘ik nam het besluit om besluiten te nemen’ - maar alles lijdt schipbreuk op de onmogelijkheid om ook maar één keuze te maken. Tenslotte, als de dag is aangebroken en de ik zich naar buiten begeeft, legt hij zich op de aarde neer en laat zich in een mengeling van overpeinzingen en jeugdherinneringen door modder en mist verzwelgen. Passiviteit, besluiteloosheid en ‘wellust, vermengd met wroeging’ hebben de ik doen capituleren. Het enige dat tenslotte rest is ‘een zuivere helderheid, zonder onrust, een bewustzijn dat registreerde.’
Dit verhaal zal in de bundel, Ionesco's eerste proza-publicatie, niet toevallig aan het slot van de reeks verhalen zijn geplaatst en vóór de Dagboekbladen ‘Lente 1939’ die de bundel afsluiten.
| | | | ‘Modder’ hoort daar inderdaad precies tussen, is weliswaar een verhaal, maar ligt anderzijds op de grens van de autobiografie; het levensgevoel dat erin wordt uitgedrukt is letterlijk terug te vinden in zijn Dagboeken. ‘In 1939,’ schrijft hij, ‘was ik op de plaatsen teruggekomen waar ik mijn jeugd had doorgebracht. De herinneringen, met het heden vermengd, stromen toe, in duizend stukken en door elkaar.’ Deze inleidende regels bij ‘Lente 1939’ bevatten als het ware al de boektitels van de grote Dagboeken die hij in 1967 en 1968 zal publiceren, nl. Journal en miettes (Dagboek in ‘stukken’) en Présent passé, Passé présent.
Net als deze latere Dagboeken wordt ‘Lente 1939’ gedragen door een toon van intense nostalgie, heimwee naar het verloren paradijs van de vroege jeugd in een Frans boerendorp, en resignatie t.a.v. heden en toekomst, welke laatste - daarover maakt hij zich geen illusies - die van de Wereldoorlog zal zijn. ‘Een diep, stekend heimwee. Ik word door naamloze verlangens gekweld naar dingen die ik voor altijd verloren heb, die ik nooit gehad, nooit gezien heb, waarvan ik nooit geweten heb dat zij bestaan.’ Dit heimwee correspondeert met ‘Een zwaar hoofd, druk op de nek. Zonder oorzaak van de ochtend af vermoeid. Paniek.’ Vanuit deze pre-occupaties is het natuurlijk niet ver meer naar: ‘Alles welbeschouwd, Frankrijk of Duitsland, waarom je daarover zorgen maken: christendom, heidendom, collectivisme, individualisme, voorbijgaande vormen, overgang. Enkele miljoenen doden meer of minder op de miljarden menselijke wezens die geleefd hebben en die zullen leven... En die toch in ieder geval, vroeg of laat, steeds te vroeg, zullen sterven. Ik zou over niets meer willen horen spreken...’
In de zestiger jaren publiceert Ionesco naast genoemd proza nog twee avondvullende toneelstukken, De koning sterft en De honger en de dorst, die in hun thematiek (de dood resp. het onstilbare verlangen) en de langdradige uitwerking ervan veel dichter bij de Dagboeken staan dan bij zijn vorige toneelwerk. In Journal en miettes staat dan woordelijk, wat de aandachtiger lezer al had vermoed: ‘Eigenlijk is het toneel niet mijn werkelijke roeping.’ Hoe gaat het, je schrijft een stuk, je schrijft er nog een, het heeft succes, er volgt een derde, je verdient er op gegeven moment je brood mee, dus je gaat ermee door, je doet

niets anders meer - maar ‘nu zou ik toch moeten beginnen aan mijn werkelijke oeuvre.’
Het valt niet te verwonderen dat Ionesco van dit eigenlijke werk is afgehouden, want het blijkt het werk van de dood, van het ononderbroken bezig zijn met de eerste en tegelijk laatste vragen, op (men kieze) de manier van het kind of die van de mysticus: waarom bestaan we, waarom is er de dood, wie ben ik? Op een niet aflatende en daarom toch weer aangrijpende wijze blijft hij bonzen op deuren die voor altijd gesloten zijn, blijft hij stormlopen op onneembare muren. Muren die ook zijn dromen bevolken, welke laatste helaas in veel te ruime mate dit dagboek vullen, voor de helft variaties op het thema van de vergeefse vraag naar het laatste antwoord, voor de andere helft werkelijk overbodige en oninteressante vertelsels.
Het sterkst is Ionesco in zijn zoeken naar en zijn pleidooi voor een maximale objectiviteit, een zo ver mogelijk doorzien van eigen en andermans vooroordelen, dat hem tot het tegendeel van een partijganger maakt, tot iemand die de werkelijkheid wil ‘désignifier,’ d.w.z. de projecties terug wil trekken - hij droomt van een aan allen gemeenschappelijke absolute werkelijkheid. In deze droom wordt ook zijn mystieke temperament voelbaar, hij spreekt van zijn ‘roeping’ tot objectiviteit, die in controversen en conflicten een handicap voor hem vormt.
‘Nu zou ik toch moeten beginnen aan mijn werkelijke oeuvre.’ Na lezing van de verleden jaar verschenen eerste roman van Ionesco Le Solitaire (importeur Meulenhoff-Bruna, f 15,60) ligt het voor de hand de vraag te beantwoorden of deze roman als (een deel van) dat werkelijke oeuvre kan worden beschouwd. Le Solitaire (de eenzame, de eenling): een 35-jarige ‘kleine man,’ kantoorbediende, vrijgezel, wiens leven innerlijk en uiterlijk langs dezelfde kleurloze lijnen verloopt en die plotseling van een of andere oom uit Amerika een zo groot vermogen erft dat hij zijn leven lang niet meer hoeft te werken. ‘Een oom uit Amerika’ - waarschijnlijk met opzet een levensgroot cliché, misschien zelfs ‘pour épater le gauche,’ want het doet er verder niet toe, het gaat er Ionesco alleen maar om te tonen hoe zo'n leven in ‘zuivere staat’ eruit ziet. Net als in ‘Modder’ blijft de hoofdfiguur naamloos, hij is de ‘ik’ van het verhaal die in de verleden tijd zijn relaas doet en hij lijkt sprekend op de ik uit de Dagboeken.
Hij neemt afscheid van het kantoor waar hij een vijftien jaar gewerkt heeft, van Juliette, Jeanine en Lucienne met wie hij kortere of langere verhoudingen heeft gehad, van nog een paar collega's, het stamcafé en zijn hotelkamer - en betrekt een comfortabel maar allerminst luxueus appartement aan de rand van de stad. Van enige opleving is overigens nauwelijks sprake, hij is bevrijd ‘van,’ maar niet vrij ‘tot,’ hij is als een verdoofde, die alleen nog kan registreren maar niet beleven. Op kantoor had hij een kameraad, Jacques, die lid was geworden van een revolutionaire partij, maar hijzelf was niet opstandig en evenmin berustend, hij was er alleen maar, ‘deel van de kosmos die niet anders kon zijn dan hij was, en daar kon geen en- | | | | kele maatschappij iets aan veranderen.’ Met een polemische ondertoon wordt dan een pessimistisch wereldbeeld, waarin vergeefsheid, verveling en angst de overhand hebben, geconfronteerd met een revolutionaire ideologie die alleen maar kan leiden tot tyrannie, bloedvergieten en ‘ontketende hartstochten’ .
Deze en andere overpeinzingen vinden in het boek telkens als vanzelfsprekend hun plaats temidden van een minutieuze beschrijving van het dagelijks leven. Angstvallig beperkt de ik zich tot de onmiddellijke omgeving van zijn nieuwe huis, hij eet op vaste tijden in altijd hetzelfde restaurant, wekt het medelijden op van het dienstertje dat met hem gaat samenwonen maar hem na verloop van tijd weer verlaat hij raakt steeds meer ten prooi aan walging, duizelingen en angsten. Maar moeten we die puur psychisch duiden of meegaan met de ik die de diepste oorzaak ervan zoekt in het fundamentele nietweten van de mens: ‘Niet in staat zijn het universum te begrijpen, te weten hoe wat is ís, dat is onaanvaardbaar.’ (Dagboek: ‘Geen enkele dokter van de ongeveer 30 of 40 die ik heb geconsulteerd, heeft die peilloze vermoeidheid kunnen genezen omdat, waarschijnlijk, geen van hen tot de bron is gegaan, tot de diepste oorzaak van het kwaad. Ikzelf weet steeds beter wat de reden is van die uitputting: het is de twijfel, het is de eeuwige vraag ‘waar is het goed voor’ die van het eerste begin af in mijn geest zit vastgeroest en die ik niet kan verdrijven.’) ‘Jeté dans le monde,’ in de wereld geworpen - zo ervaart de ik zijn bestaan. En net zoals voor Heidegger het geworpen-zijn door de ervaring van de angst heen uitzicht kan geven op het Zijn, zo ervaart ook de ik op de rand van de angst en de verveling ‘l'ailleurs’, het elders, het andere, dat zich als een zwijgende oergrond óf afgrond openbaart. Niet meer opgeslokt - en daarin enigszins gered - door een bestaan van dagelijkse arbeid, leeft de ik steeds meer oog in oog met zijn ‘oorspronkelijke verwondering’ die Ionesco in zijn Dagboek op precies dezelfde wijze verwoordt: ‘Hoe is het mogelijk dat iets is? Waarom ís iets? Het zou veel ‘natuurlijker’ zijn, als ik dat woord mag gebruiken, dat er niets
was. Zeker, het is onvoorstelbaar dat er niets zou zijn. Ik probeer me het onvoorstelbare voor te stellen.’ (En opnieuw Heidegger: ‘Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?’)
Dit filosoferen, of liever mijmeren - dat er niet sterker op wordt doordat het hier opnieuw beoefend wordt door een ‘fainéant,’ maar dat toch steeds weer zijn eigen geldigheid heeft - leidt wég van het handelen tot een defaitisme, een passiviteit en tenslotte een psychische uitgeblustheid die slechts deze slotsom rest: ‘Wij worden gehandeld, wij handelen niet. Wij zijn sociologisch geconditioneerd, maar dat is niets, biologisch, en meer dan dat, kosmisch.’
Tegen het eind van het boek, als de ik al wat vreemd tegen mensen op straat is gaan aanpraten en hij teveel drinkt, is de al jaren woedende burgeroorlog (een revolutie à la mei 1968) tot zijn buurt doorgedrongen en kan hij zijn huis niet meer verlaten. De concierge heeft voedsel voor jaren in huis gehaald en hij is van de voorkamer naar de achterkamer getrokken. Daar bevindt hij zich nog steeds als men alweer met de wederopbouw bezig is en de rond hem weggebombardeerde buurt in een moderne woonwijk herschapen wordt. Haast ongemerkt is het verhaal weer in een absurdistisch vaarwater terecht gekomen, de herhaling als poëtisch element doet weer haar intrede, kortom, het filosofische aspect is geweken voor het literaire. En aan het slot blijkt - onvervalst Ionesco - in de achtertuin temidden van het afval een boom te zijn opgeschoten, de muren wijken en er strekt zich een woestijn uit onder een stralende hemel. Of het nog niet genoeg is: een zilveren ladder verliest zich in de blauwe hemel. Goddank, de hemel bestaat toch. ‘Je pris cela pour un signe’ - ‘ik beschouwde dat als een teken’ zijn de laatste woorden van het boek.
(Laatste regel van ‘Modder’: ‘De mist was opgetrokken en met het blauwe beeld van een schoongewassen hemel vertrok ik.’ Uit ‘De voetganger in de lucht’: ‘Plotseling kon ik de reden verklaren van die vreugde die in mij opsteeg en die mij zo licht maakte dat ik opeens was gaan hollen. () Bij een bocht bemerkte ik de zilveren brug, verblindend in de zon, boven de afgrond...’ En het slotdécor van ‘De honger en de dorst’ wordt als volgt omschreven: ‘Het décor achter de tralies stelt de tuin voor uit het einde van de eerste episode: stralend van het licht, met een blauwe hemel, veel groen, bloeiende bomen, de zwevende zilveren ladder op dezelfde plaats; het licht is zeer fel, het blauw zeer diep.’)
Wat mij bij lezing van het werk van Ionesco meer en meer is gaan bevreemden, is de tegenstelling tussen zijn bizarre verbeelding zoals die vooral in het vroegere werk gestalte heeft gekregen én die ondergrond van een loodzwaar levensgevoel die er naar zijn zeggen altijd is geweest, die natuurlijk ook in dat vroege werk aanwijsbaar is, maar die vooral in zijn latere werk direct tot uiting komt. Het spelelement - hoe gevaarlijk dat spel ook was - was vroeger veel groter, en het lijkt niet teveel gespeculeerd om Ionesco te vergelijken met een droeve clown die naar buiten toe, naar het publiek nog allerhande fratsen weet uit te halen, maar die van binnen is overgeleverd aan een ongeneeslijke melancholie. Ionesco is zich steeds van die grondtoon bewust geweest, maar heeft zich letterlijk een tijdlang kunnen ver-doven met het schrijven van zijn vele stukken. Daarna heeft hij zich aan zijn ‘eigenlijke’ werk gezet, wat nu geresulteerd heeft in zijn voortreffelijke roman Le Solitaire.
Ionesco lijkt de stelling te bevestigen dat iedere grote schrijver telkens weer varieert op één of enkele grondthema's. Voor wie zijn werk kent is er weinig ‘nieuws’ te vinden in deze eerste roman (van een 60-jarige), maar de schikking van de gegevens, de afwisseling tussen innerlijke monoloog en ‘dodelijke’ beschrijving van de alledaagsheid, en vooral de droge, constaterende en niettemin jankend melancholieke toon maken de lezing van het boek tot een aangrijpende ervaring.
|
|
|