De Revisor. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Revisor, De


bron: De Revisor. Jaargang 1. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1974


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 43]

Gedroomd wielrijden

Het motto van de tweede bundel gedichten van Ad Zuiderent, De afstand tot de aarde (Arbeiderspers, f 12,50) verschaft enige toegang tot het soort poëzie dat hij maakt.

Het luidt: ‘Intussen maakt de dichter / zijn ruïnes voor een poos / in stilte in lyriek waar / de aarde langzaam van droogt / en tot vertellens toe vermomd’. In dit motto kan ‘maken’ op twee manieren gelezen worden. In de eerste plaats natuurlijk als ‘scheppen’, ‘vervaardigen’ als romantische bezigheid ter herinnering aan het verleden, of uit nostalgie. Aardiger echter is het ‘maken’ te lezen als ‘herstellen’ of als ‘restaureren’, zodat het mogelijk is de dichter te zien als iemand die de brokkelige, verwarrende, in elkaar stortende en in elkaar gestorte werkelijkheid weer tracht heel te maken in zijn gedicht. De restauratie van het vergankelijke brengt onherroepelijk met zich dat de werkelijkheid, die leeft, ruikt, beweegt, wordt stilgezet en vastgelegd. De werkelijkheid krijgt in taal, in het verhaal over de realiteit (dat in de bundel heden, verleden en toekomst insluit) een masker opgezet. De maskering van werkelijkheid in het gedicht leidt ertoe dat tot de realiteit distantie in acht wordt genomen, afstand wordt genomen. Met deze redenering is dan óók de titel van de bundel verklaard.

In De afstand tot de aarde wordt de werkelijkheid op een bepaalde wijze gestructureerd. Uitgaande van het openingsgedicht ‘Elegant reiziger in landschap’ kan men de dichter zien als iemand die met een schetsboek in de hand door het leven gaat. Reizend door tijd en ruimte tekent hij aan en op (:‘een stift, een levensteken’); hij legt dus vast met de bedoeling het leven tot leven te laten komen. Dat is een zeer bewuste keuze, aangezien men de werkelijkheid ook minder bewust kan ondergaan of ervaren zonder nadrukkelijk het materiaal te structureren. Dat deze dichter dit beseft en erkent, blijkt uit het gedicht met de tekenende titel ‘Artis natura magistra’ (de werkelijkheid onderwijst de kunst), dat begint met de regel ‘Je mag kiezen’. Blijkens het gedicht bestaat de keuze erin te luisteren naar de merel, òf te luisteren naar het muziekgezelschap Syntagma Musicum. Men kan dus zijn oor te luisteren leggen op natuurlijk en cultureel niveau, zoals ogen kunnen tranen ‘door de nevels die druppels of door het verhaal van het aangeschoten nijlpaard’. Aan het slot van het gedicht wordt de keuze nog eens gesteld: ‘Opgeprikt tussen vlinders o.a.; / of doormalen op stof tussen je kiezen’.

Als dichter heeft men uiteraard te kiezen voor syntagma's op taalniveau, voor een systeem dat bij Zuiderent leidt tot een structurele poëzie van syntagmatische relaties. Syntagmatische relaties zijn ‘relaties tussen elementen die binnen eenzelfde groter geheel met elkaar zijn gecombineerd’. (Dik en Kooy, Beginselen van de algemene taalwetenschap, p. 58). Dat dit de bedoeling is kan gedemonstreerd worden aan het citaat dat voorafgaat aan de vijfde afdeling van de bundel. Het citaat is (niet toevallig) gekozen uit het blad De ingenieur en luidt: ‘Van een logische schakeling verwacht men, onafhankelijk van de gebruikte technieken om deze te maken, dat zij een logische functie genereert, dat zij een stroom- en spanningsversterking heeft, dat de ingangsspanningen en -stromen binnen van te voren vastgestelde grenzen liggen, dat zij zonder meer met elkaar doorverbonden kunnen worden’. Wanneer men dit citaat leest en de techniek der poëzie voor ogen houdt, zal men inzien dat wat gezegd wordt van een logische schakeling heel goed toepasbaar is op een gedicht. Al moet men dan als dichter met taal werken, Zuiderent maakt ook gebruik van muzikale syntagma's: op zijn rondritten over de aarde hoort hij Kathleen Ferrier, het tafelorgel, orgelspel te Dordrecht, le piano des pauvres, brulboeien, klaagzangen, blokfluiten en pauken; hij roept op de cancan, de slowfox, terwijl musici als Gershwin, Mahler, Feldman en Brel ook aanwezig zijn.

Wanneer de dichter met ogen en oren open aldus rondgaat door de wereld, raakt hij ‘verlegen met het toevallige’. De vraag is immers of alles wat hij ziet globaal of detaillistisch onder woorden gebracht moet worden. Hoe hij ook te werk gaat, er groeit in ieder geval een verhaal uit. De combinatorische mogelijkheden zijn legio en uiteindelijk ‘een lokaas voor ontroering op zijn minst’. Aan de andere kant vraagt Zuiderent in zijn gedichten zich ook af waarom het eigenlijk nodig is zich zo in te spannen om in de verwarrende toevalligheden structuur te brengen. Waarom, zo is de vraag, niet terug naar het vertrouwde, naar dorpse gevoelens, naar de helderheid van huis en haard, van vrouw en kind? De vraag is dus of hij zich niet al te pathetisch opstelt, of hij niet te veel wordt ontroerd en wordt aangedaan. Opnieuw blijkt er een keuze mogelijk: of pathetisch ondergaan of met subtiel gevoel structureren. Zuiderent kiest, als dichter moet hij wel, voor het laatste, maar niet voor ‘vetbultig pathos’, wel weer voor ‘gedempt pathos’. Daarnaast laat hij telkens de mogelijkheid open om gewoon maar te luisteren, te ruiken, te horen. Daarmee erkent hij impliciet dat taal de totale realiteit niet kan weergeven, en de mogelijkheid om door goed te kijken, te luisteren aangedaan te raken. Hieruit volgt ook dat de logische functie van poëzie voor een belangrijk deel afhangt van de mate waarin poëzie de lezer de werkelijkheid laat (her)ontdekken. Die ontdekking komt tot stand wanneer in poëzie de spanning van onze werkelijkheidservaring wordt verhoogd.

In De afstand tot de aarde wordt de lezer geconfronteerd met Westfries landschap, met de omgeving van Amsterdam, met Dordrecht, Zürich en Noord-Europa. De gedichten tonen telkens andere landschappen in telkens verschillende belichting en tijd. Zij zijn dus moment- en tijdopnamen, terwijl één gedicht expliciet een lantaarnplaatje wil zijn. In de gedichten vallen de vele vraagtekens op. De vraagzinnen zijn tekenen der onzekerheid en de bewijzen ervoor dat de werkelijkheid niet vanzelf spreekt, zoals men wel naïef-realistisch denkt. Bij het aanschouwen van de werkelijkheid moet worden geïnterpreteerd en vaak naar de zin geraden. Zelfs een lantaarn plaatje garandeert niet een helder beeld, zeker niet wanneer het wazig is, zoals het gedicht aardig suggereert. Bij dit alles komt nog

[p. 44]



illustratie

iets, wat de afdeling ‘In het holst van de eeuw’ duidelijk maakt. De gedichten van genoemde afdeling zijn gesitueerd in Zürich in het jaar 1916, toen de stad een kosmopolitisch uiterlijk had omdat er politieke vluchtelingen, ballingen, speculanten en kunstenaars herberg zochten. James Joyce zou er eens Lenin hebben ontmoet (die ontmoeting moet overigens voor maart 1916, toen de Russentrein uit Zürich vertrok, hebben plaatsgevonden, en niet in 1918, zoals het gedicht vermeldt), en in het cabaret Voltaire kreeg het Dadaïsme gestalte. Van heel die werkelijkheid is niets meer over (:‘Toen de mens naar Cabaret Voltaire vroeg, / kreeg hij ten antwoord dat geen enkele nacht- / club die naam droeg’), maar de kunstuitingen zijn er nog wel. Dat blijkt o.a. wanneer ‘de mens’ een surrealistische bloemlezing koopt op de supermarkt, ‘waarin Theo van Doesburg = I.K. Bonset = Aldo Camini / voorkomt met een gedicht uit 1916 / dat ook nu nog wel geschreven wordt’. Zo kan men concluderen dat het verleden alleen door gissen valt te achterhalen of nog door het geschreven woord tot ons komt. De structurering van de werkelijkheid krijgt daardoor ook nog een historisch belang; dankzij die structuren hebben wij enigermate zicht op het verleden. Dat, door Zuiderent opgeroepen, verleden is overigens geen voorbij verleden, zoals blijkt uit de pseudoniemen van Van Doesburg.

Zuiderent plaatst zijn excursies door ruimte en tijd in historisch perspectief, wanneer hij met de titel van een gedicht ‘Gedroomd wielrijden’ zinspeelt op Potgieters ‘Gedroomd paardrijden’. Het verschil ligt behalve in de beschreven tijd en ruimte, in het vervoermiddel. Zuiderent berijdt meermalen een stalen ros. In ‘Gedroomd wielrijden’ komen verschillende elementen voor die hier zijn aangestipt: het ruïneuze karakter der werkelijkheid, de muziek, de fiets, de reis der verbeelding die contrasteert met de doodlopende en ellendige werkelijkheden en de schakeling van dood en opstanding over Kruislaan, Goddank naar de pregnante slotregel, die ook het droomkarakter van het gedicht kan toegeven:

 
Met begeleiding Kathleen Ferrier gehoord:
 
in de afgebroken volkstuinhuisjes zong zij
 
van dood en opstanding. Rijp lag op het gras
 
naast de Kruislaan en bij de proefboerderij
 
klonk het orkest met Mahler. Licht trillend
 
richtten wij het stuur naar het kanaal,
 
waar uitspanningen gesloten waren,
 
schepen op het droge, de weg doodliep
 
op de spoorlijn, alle ellende
 
van een winterzondag op de fiets. Goddank
 
bleef de begeleiding een vertrouwde dissonant,
 
waren de opritten naar de dijk te steil
 
en reden wij gedrieën en luisterden.
 
Er was geen mens. Het was geen weer
 
om op te staan, laat staan om te gaan liggen.

Wie zó bewust bezig is als Zuiderent loopt het risico dat de theorie van het poëtisch procédé de praktijk van het dichten verstikt of gaat overheersen. De bewuste accentuering van het poëtisch procédé kan eveneens gezien worden als een vlucht voor de directe gevoelsontlading of zelfs als een masker voor lyrische onmacht. Intussen mag hier gebleken zijn dat de keuze voor de structurering een bewuste keuze is die waarschijnlijk ook verantwoordelijk is voor de lange periode van zes jaar die ligt tussen Zuiderents debuut: Met de apocalyptische mocassins van Michel de Notredame op reis door Nederland (Arbeiderspers, 1968) en deze tweede bundel. De afstand tot de aarde is uiteindelijk een bundel die ligt op de grens van theorie en praktijk, een bundel waarin vooral de elf ‘losse’ gedichten laten zien wat in het grensgebied van geweten en bewustzijn der kunst mogelijk is.

 

R.L.K. Fokkema