De Revisor. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Revisor, De


bron: De Revisor. Jaargang 1. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1974


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 16]

Habakuk II De Balker
Gedichten

Judaspenning I

‘God zij met ons’ (Het Geld)
 
Judasdollar, hoei, valse judaspenning!
 
Jij verscholen groen stuk vergif, munt
 
voor t kruis, na lange verregende jaren,
 
Judaspenning, vind ik jou hier terug...
 
 
 
Rokend ging scheep in de avond de boom-
 
gaard met de witte bank, zo vredig, en
 
opgeschoten onder het alleroudste
 
appelras de gesjochte Judaspenning,
 
 
 
je hauw: lichtschuw verstekeling onder
 
de heggen: mint armste grond, steekt
 
zijn kop op waar dichte duisternis rond-
 
tolt op de bloedakkers onder de maan.

Judaspenning II

 
Zekere Judas verried een zekere Joshua
 
in een boerenbongerd, voor een zakvol
 
zilverstukken, lijkt daarom Judaspenning
 
op zilver en vat hij post in boerentuinen?
 
 
 
Brandende zon buigt hem om, de maanzieke;
 
de smadelijk vernoemde, hij die de zon verried
 
voor de maangelijkende munt die als de lamp
 
licht uitzendt van een andere straling.
 
 
 
Christendom eindigt als Judas, bungelend
 
aan de boom; Judaspenning daaronder, rinkelt
 
met zijn geldbuidel, wuift zwakjes, verbannen
 
naar duistere gronden, de verhangene uit.

De penseelschimmel
(SF)

 
‘Veel hebben zij bedacht, mijn lieve penseelschimmels’,
 
zei peinzend aan een tafel in de Melkweg in Herberg
 
het gat een anoniem reiziger. ‘Zij werpen sporen! Ja,
 
deksel van de broodtrommel willen zij loswrikken,
 
 
 
openen.’ De Grote werpt een gouden rijder neer, gammele
 
reiskoets wringt Hij zich binnen, schreeuwt Keizer Karel
 
toe ‘Rijden!’ Geschrokken legt de jichtige zijn zweep
 
over het stelletje gevleugelde paarden. Schepper slaapt in.
 
 
 
(De mens: soms geurt zijn vreugde als penicilline,
 
maar meestal zuurzoet ofwel somber, zijn verdichte
 
ziel nagelt vast aan t King Corn zijn magere jaren
 
en zijn lieflijkste wachtwoord is god, gat of goud.)
[p. 17]

Het klavertjevier

 
Daar staat hij, het klavertjevier,
 
uit de tent huilt de Diamond Dogs
 
en ook het kleine klavertje huilt
 
want geen hond wou hij zijn, nee,
 
ook niet dat roestige blikje, nee,
 
van zijn plaatsje wou hij weggaan,
 
 
 
wilde zijn worteltje oppakken en
 
wandelen naar waar het licht was,
 
daar waar geen blikjes rammelden en
 
doodziek roestbruin bloed ophoestten
 
naar hem, het arme klavertjevier.
 
‘Ach, kwam ik maar van de Antillen!’
 
 
 
‘Hing ik als wijnrank in een tuin
 
in Frankrijk! Had ik de Duitse hoed
 
van de Hanekam, wortels net als de eik!’
 
Geloof mij, al wat bos en veld stof-
 
feert met vaak bezongen bladerpracht,
 
dat snikt soms droef de Internationale mee.
 
 
 
Daar staat hij dan, het klavertjevier.
 
Op de asfaltweg bromt de bus van 20 u 7.
 
Ja, de zeven die zal er niet bij zijn;
 
kom nou! Uit de blauwe tent kwam zij toen,
 
het meisje, zo mooi dat het groene bloed
 
van eik en grassen stilstond in de vaten.
 
 
 
In de zoete zomeravond van juni of juli,
 
jullie marskramers weten wat ik bedoel,
 
heeft zij vrolijk geplukt t klavertjevier,
 
het aan haar borst gedrukt, en rennende
 
naar de halte waar de bus optrok, stof, stof,
 
terwijl zij niets zag dan t klavertjevier,
 
stof, stof! rent t klavertje naar de sterren.

De vlier

 
Hoe de vlier hard kraakte
 
wanneer de winter zijn merg
 
verstijfde, het riet brak; de vogels
 
naar het zuiden (sommige)
 
afreisden: staat dat niet in het boek
 
het oude geschrift van de grondmist?
 
 
 
Hoe de ezelskop in Samaria,
 
stad van de tranen, 75 zilver-
 
stukken kostte, toen de honger
 
de stad opvrat, lange tijd her,
 
staat dat niet geboekstaafd
 
in het oude boek van de Koningen?
 
 
 
Die bij Warschau stond en Athene,
 
wuifde bij slagvelden, huisde
 
in duister, verrees op Golgotha;
 
de wijze onuitroeibare, zuur & loog
 
ten spijt, wordt niet hoog: maar vijf
 
meter, dat is hoog genoeg om te zien.
 
 
 
Kwetsbaarder dan hij staat er
 
geen boom in de bossen: december
 
vindt zijn knoppen nauwelijks
 
bedekt, en zijn roomwit merg trekt
 
tal van verslinders, daarom bewaakt
 
het bos hem als de draak de schat...
 
 
 
Zo is het nòg wel, en sombere
 
holten staat de vlier in de bossen,
 
nog altijd; in nacht en ontij; tover
 
gleed van zijn bessen heen, nochtans
 
hij staat er en draagt zijn bloesem
 
of er nooit nee nooit iets was gebeurd.
 
 
 
Vliertje, vlier, jij trilde
 
onder de eerste voetstappen, de mensen
 
goten sindsdien hun holten met stikstof
 
vol, en gesternte, helder vroeger, schijnt
 
troebeler, grijnzender, over de steden:
 
maar vliertje, vlier, blijf jij bij mij.