|
|
|
| |
| | | |
H. Verdaasdonk
Vormen van literatuurwetenschap
II Literatuurwetenschap en hermeneutiek
Inleiding
In het vorige stuk is gesproken over het oneindige aantal domeinen van onderzoek binnen de literatuurwetenschap. Ik heb gesteld dat de overweldigende rijkdom aan literatuurwetenschappelijke problemen niet positief gewaardeerd kan worden: de (eventuele) resultaten die men naar aanleiding van een gegeven literatuurwetenschappelijk probleem bereikt, zijn niet in verband te brengen met de suksessen die in onderzoek naar andere literatuurwetenschappelijke kwesties worden geboekt. De gedachte dringt zich op dat de literatuurwetenschap niet over een hecht georganiseerd onderzoeksprogramma beschikt. Om deze opmerking op haar juistheid te toetsen, moeten we bekijken waarop de literatuurwetenschap, zoals zij thans reilt en zeilt, gefundeerd is. In het vorige stuk werd betoogd dat we door aandacht te besteden aan de twee literatuurwetenschappelijke methodes - de hermeneutische en de linguistisch-logische - en aan het type problemen dat zij moeten oplossen, inzicht zouden krijgen in wat we de basisproblemen van de literatuurwetenschap hebben genoemd. Onder basisproblemen werden de postulaten verstaan die de literatuurwetenschap in zake literaire teksten huldigt en die de grondslag voor literatuurwetenschappelijke praktijk uitmaken.
Voordat ik op de zogenaamde ‘hermeneutische methode’ inga, moet eerst een antwoord gegeven worden op de vraag of het inderdaad redelijk is, te zeggen dat er twee literatuurwetenschappelijke methoden zijn. Het sterkste argument dat ik kan aanvoeren om deze tweedeling te rechtvaardigen is het volgende: gegeven het feit dat we ons interesseren voor, pretentieus gezegd, de grondslagen van de literatuurwetenschap en gegeven het feit dat we hier de vraag naar de aard en de houdbaarheid van literatuurwetenschappelijke methoden centraal stellen, dan komt het voor de hand te liggen dat we de literatuurwetenschappelijke methoden direkt een globale typering geven op grond van de manier waarop ze zich verhouden tot het methodologische kader dat in het vorige hoofdstuk geschetst is. In de praktijk van de literatuurwetenschap nu, blijkt dat sommige methoden - de hermeneutische - zich expliciet buiten het gegeven methodologische kader plaatsen, en dat andere methoden - de linguistisch-logische - binnen dit kader willen blijven. Dit is de motivering van het eerder gemaakte onderscheid tussen hermeneutische en linguistischlogische methoden. Ik volg dus niet het koerante literatuurwetenschappelijke spraakgebruik waarin over de ‘biografische’, de ‘sociologische’, de ‘psychoanalytische’ methode of benadering wordt gesproken, omdat het mij hier om een methodologische typering en evaluatie gaat. Aan het eind van dit stuk zal ter sprake komen welke methoden of benaderingen hermeneutisch zijn, maar eerst wil ik zeggen wat men onder ‘hermeneutisch’ moet verstaan.
| |
Hermeneutiek: een methode en een type probleem
Hermeneutisch' is afgeleid van het Griekse woord ‘ἐρμηνευειν’ of herméneuein dat ‘vertolken’ en ‘verklaren’ betekent. Een belangrijkere reden om de aanduiding ‘hermeneutisch’ te gebruiken is dat ik zo een methode van onderzoek, haar methodologische status en het type problemen dat zij wil oplossen met elkaar in verband kan brengen.
Laten we eerst eens kijken naar het type probleem dat de hermeneutische methode voor haar rekening neemt. Eenvoudig gezegd, is dit probleem de betekenis van een verschijnsel. Het kan hier gaan om de betekenis van teksten - hiermee zullen we ons vooral bezighouden -, maar ook om de betekenis van sociale verschijnselen, individueel of kollektief gedrag, zeden, gebruiken, maatschappelijke processen, of zelfs om de betekenis van het Zijn. Door achter de betekenis van een verschijnsel te komen verkrijgt men intersubjektieve kennis van en inzicht in dat verschijnsel.
Er zijn hier twee dingen van belang.
Door een verschijnsel een betekenis toe te kennen, ofte zeggen dat het een betekenis in zich bergen kan, zit men aan een bepaalde visie op dat verschijnsel vast. Het geldt voor de hermeneutikus niet als iets dat simpelweg zintuigelijk waarneembaar is en beschreven en verklaard moet worden op de manier die bijvoorbeeld Popper en Hempel bedoelen. Het verschijnsel, hoewel het zintuigelijk waarneembaar kan zijn, wordt tot een ‘Äusserung seelischen Lebens’ (Dilthey) die een appèl op ons doet om geduid te worden. Minder luxueus uitgedrukt: we vatten een verschijnsel, dat zintuigelijk waarneembaar kan
| | | | zijn (gedrag), een tekst of de verschijningsvorm van maatschappelijke instellingen, als een teken op waarachter een vorm van menselijk beleven (motieven, zeden, intenties, opvattingen, de geest van een tijdperk) schuilgaat. Dit beleven kunnen we alleen begrijpen (‘Verstehen’) door onze persoonlijke levenservaring (in hermeneutisch jargon: ‘ons beleven van ons eigen leven’) in te zetten. We moeten de gegeven ‘Äusserung seelischen Lebens’ om zo te zeggen voor onze eigen rekening nemen om begrip te krijgen voor het andere beleven, de andere geestelijke wereld die achter het verschijnsel steekt. We brengen onze persoonlijke ervaring dus in kontakt met die van anderen. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk verhaal alleen gehouden kan worden over verschijnselen waaraan een duidelijke menselijke (sociale, psychologische, historische, ethische) dimensie toegekend kan worden en dat de boven gegeven benadering van verschijnselen uit de werkelijkheid hemelsbreed verschilt met die van de natuurwetenschappen.
Ter afsluiting van dit eerste punt geven we het volgende voorbeeld. We krijgen een kunstwerk in handen, zeg Turks Fruit van Jan Wolkers. Deze tekst vatten we op als voorzien van een bepaalde betekenis, als een ‘Äusserung seelischen Lebens’ zo men wil. We zien de tekst dan niet meer als het relaas over iemand die zijn geliefde heeft verloren, maar we veronderstellen dat hij een unieke uiting van een bepaalde ervaring is. Om deze in haar eigenheid te begrijpen (‘Verstehen’) moeten we tijdens onze lektuur steeds verder- of diepergaande betekenissamenhangen op het spoor zien te komen. Hierbij doen we vrijwel voortdurend een beroep op onze eigen levenservaring: wat ons in de tekst over de personen meegedeeld wordt, blijft onbegrijpelijk als we ons niet kunnen verplaatsen in hun situaties en beweegredenen, en vooral als we wat in de tekst aan konklusies en interpretaties wordt gesuggereerd niet door een beroep op onze eigen levenservaring kunnen verhelderen. De diepere betekenis die we zo aan een tekst toekennen, zal overigens nogal variëren. Onze eigen subjektiviteit blijft een rol spelen en we kunnen, om op onze voorbeeldtekst terug te komen, Turks Fruit ‘verstehen’ als de uiting van (existentiële) wanhoop, van een boodschap (‘Niets blijft, zelfs de liefde niet’), als de unieke realisering van het genre ‘romantekst’ (dan valt het woord ‘struktuur’ nog al eens) of als de manifestatie van typisch twintigste-eeuwse ideeën en opvattingen.
Het feit dat we bij het ‘verstehen’ van een tekst onze persoonlijke levenservaring kunnen inzetten om andere ervaring die de tekst bergt op te sporen en te begrijpen, is voor een hermeneutikus een aanduiding van de mogelijkheid dat er, ondanks bepaalde variaties en nuances, altijd overeenstemming bereikt kan worden over de betekenis van een tekst, of, algemener, van een verschijnsel.
Het tweede punt dat ik ter sprake wil brengen is het betekenisbegrip waaraan men, bij het hanteren van de hermeneutische methode, gebonden is. De betekenis vaneen verschijnsel wordt vastgelegd door een interpretatie van dat verschijnsel. Een interpretatie nu vindt altijd plaats in de taal, nog beter: in een gesprek. Verschillende individuen konfronteren hun, in eerste instantie persoonlijke, interpretatie van een verschijnsel met elkaar en trachten, door diskussie, te komen tot overeenstemming over een interpretatie waarin de betekenis van het verschijnsel dat men bestudeert het meeste tot zijn recht komt. Merk op dat Gadamer (1960: 351ff.) de manier waarop de betekenis van een tekst door een individuele lezer wordt bepaald reeds als een gesprek (‘een logika van vraag en antwoord’) tussen lezer en tekst karakteriseert. Bij zijn lektuur van de tekst stuit de lezer op betekenismogelijkheden die hij telkens moet toetsen aan wat in de tekst staat - de tekst antwoordt, om zo te zeggen, bevestigend of ontkennend op de betekenissen die de lezer voorstelt.
Doordat de zogenaamde ‘hermeneutische filosofen’ (Heidegger, Gadamer, Apel, Habermas) het onderzoek naar de betekenis van verschijnselen, en het hanteren van de hermeneutische methode, fundamenteel achten voor de menswetenschappen, waaronder psychologie, sociologie, literatuurwetenschap, geschiedwetenschap gerekend worden, ligt het voor de hand te vragen naar de rol van de taal bij dit onderzoek. Het begrip ‘betekenis’ is immers nauw met taal verbonden; wanneer men een taal spreekt noch verstaat, kan men geen betekenisanalyse ondernemen. De hermeneutische filosofen huldigen allen de opvatting dat de betekenis alleen in de taal bestaat. De taal is het medium met behulp waarvan men de betekenis van verschijnselen uit de werkelijkheid tracht te bepalen. De hermeneutische filosofen hebben een heel specifieke draai aan deze uitspraak gegeven. Voor hen is in de taal een manier om de werkelijkheid te beschouwen, ja een werkelijkheidsopvatting, gegeven. Zo zegt Habermas (1971: 289) dat we de werkelijkheid volgens de regels van de grammatika interpreteren, hetgeen een, eerlijk gezegd vrij dolle, variatie is op Gadamers (1960: 415, 417) stelling dat de taal ‘wereldervaring’ is, waarmee bedoeld wordt dat iedere taal in zich een opvatting over de werkelijkheid bergt. Alleen binnen deze opvatting, dus binnen de taal, kunnen we aan verschijnselen betekenis toekennen.
We zien hier een onontwarbare verstrengeling van ‘betekenis’ en ‘taal’. Een ander kenmerkend aspekt van de hermeneutische opvatting is, dat betekenis historisch van aard is. Om een verschijnsel te duiden, moeten we beschikken over een taal. Daarenboven dienen we ons er rekenschap van te geven dat ons vermogen om betekenis te geven historisch bepaald is. Volgens Gadamer is het zo dat met de taal een werkelijkheidsopvatting verbonden is. Deze werkelijkheidsopvatting - waarbinnen verschijnselen uit de werkelijkheid hun betekenis hebben of krijgen - noemt Gadamer (1960: 280) een horizon. Deze is typisch tijdgebonden. We hebben, als twintigste eeuwers, opvattingen over de wereld en een benadering van verschijnselen die verschillen van die van iemand uit een ander tijdperk. Wanneer we een tekst uit het verleden willen ‘verstehen’, zou- | | | | den we die tekst ofwel strikt binnen onze eigen horizon kunnen interpreteren - we begrijpen een tekst, zeg Hamlet, als twintigste - eeuwers - ofwel we zouden kunnen nagaan welke betekenis Hamlet voor de tijdgenoten van Shakespeare had. De eerste manier van betekenisgeven wijst Gadamer zonder meer af - we laten dan onze twintigste-eeuwse vooroordelen en opvattingen los op Hamlet en verwerven geen kennis van deze tekst. We dienen er, nog altijd volgens Gadamer, naar te streven een verschijnsel - hier: een overgeleverde tekst - in zijn historische eigenheid te begrijpen. Dit wil echter niet zeggen dat we, om terug te komen op ons voorbeeldje, simpelweg de horizon gaan rekonstrueren waarbinnen de tijdgenoten van Shakespeare Hamlet betekenis gaven. Zo'n rekonstruktie ondernemen we altijd vanuit onze eigen, twintigste-eeuwse, horizon. Wat er bij deze rekonstruktie gebeurt is volgens Gadamer de versmelting van onze twintigste-eeuwse horizon
met de zeventiende-eeuwse horizon waarbinnen Hamlet oorspronkelijk betekenis kreeg. Door deze versmelting stijgen we uit boven de specifiekheid van onze twintigste-eeuwse horizon en boven de specifiekheid van de zeventiende-eeuwse horizon. Er komt algemeenheid tot stand, en we worden ons bewust dat er een traditie is waarvan we deel uitmaken.
Het hermeneutische betekenisbegrip is buitengewoon dubieus en berust op nogal ongehoorde spekulaties over de taal. We hebben voortdurend gesproken over de ‘betekenis’ van verschijnselen. We bevinden ons daarmee op glad ijs. De enige wetenschappen die een uitgewerkt betekenisbegrip hebben - de linguistiek en de logika - kennen betekenis alleen aan taalbouwsels toe. Het wordt er dan niet duidelijker op wat we onder de betekenis van een ‘verschijnsel’ moeten verstaan. Als we spreken over de ‘betekenis’ van een bepaald gedrag, gebruiken we het woord ‘betekenis’ dan niet op dezelfde overdrachtelijke manier waarmee we over de ‘betekenis’ (de zin) van het leven praten? Zouden we niet veeleer moeten spreken van oorzaken, motieven van gedrag en via hypothesen uitmaken of deze oorzaken en motieven werkelijk aanwezig zijn? Ik vermoed dat de al gesignaleerde opvatting van verschijnselen als tekens (van ‘seelisches Leben’) waardoor zij een enigszins talig karakter krijgen, en de verstrengeling van taal en betekenis voor de hermeneutikus een vluchtweg is om met een gerust hart over de betekenis van verschijnselen te spreken. Het zou te ver voeren om hier na te gaan in hoeverre de hermeneutische methode uitgaat van de universaliteit van de taal. Er zijn in ieder geval aanzetten bij de hermeneutische filosofen om de taal én objekt van onderzoek én instrument van onderzoek én een ‘theorie’ over de werkelijkheid te laten zijn.
Maar ook als we niet zonder meer spreken over de betekenis van verschijnselen, en alleen over de betekenis van teksten zijn we niet uit de moeilijkheden. De ‘grootste’ taalbouwsels waaraan de linguistiek en de logika betekenis toekennen zijn zinnen of uitspraken. Globaal geldt dat de betekenis van een zin of een uitspraak verkregen wordt uit de betekenis van de elementen waaruit de zin of de uitspraak is opgebouwd. Stel nu dat we een tekst als een taalbouwsel opvatten, kunnen we dan een analoge opvatting huldigen over de betekenis van teksten? Het lijkt me dat als we deze vraag met ‘ja’ beantwoorden, we meteen vastzitten aan het idee dat een tekst op dezelfde wijze is opgebouwd als een zin of een uitspraak. Een bewijs voor de stelling dat een tekst, kwa konstruktie, lijkt op een (lange) zin, is bij mijn weten nog nooit geleverd. Argumenten tegen deze stelling geeft Palek (1968), maar we hebben op dit ogenblik nog geen helder idee over de (specifieke) manier waarop een tekst is opgebouwd noch over de elementen waaruit een tekst bestaat. We zitten, kortom, met het probleem het begrip ‘betekenis van een tekst’ een zinnige inhoud te geven. Hoe groot dit probleem is, kan geïllustreerd worden door het empiristische betekenisbegrip even aan te stippen. Volgens een empirist moet er onderscheid gemaakt worden tussen ‘logische’ en ‘empirische’ betekenis. Van logische betekenis is sprake bij die zinnen die waar of onwaar zijn op logische gronden (bijvoorbeeld: ‘Het regent en het regent niet’, ‘Het regent of het regent niet’), een empirische betekenis wordt toegekend aan die zinnen die waar of onwaar zijn op empirische gronden, waarvan de (on)waarheid vastgesteld kan worden door middel van waarnemingen of tests. Ik vereenvoudig hier zeer (vgl. Stegmüller 1972: 262ff.), maar het probleem is, geloof ik, wel duidelijk. Als we in gedachte
houden dat de logika zich interesseert voor de logische betekenis, en dat de linguistiek zich bij de ontwikkeling van een betekenis steeds weer op de logika oriënteert, komen we tot de volgende konklusie: er is geen enkel betekenisbegrip waarmee we kunnen verduidelijken wat we onder ‘betekenis van een tekst’ moeten verstaan.
| |
Hermeneutiek en methodologie
We hebben kort aangegeven hoe men, in de hermeneutische opvatting, door achter de betekenis van een verschijnsel te komen, inzicht in en kennis van dat verschijnsel verwerft. We zagen dat deze kennis op een bepaalde wijze werd verkregen, namelijk door onze persoonlijke levenservaring in te zetten teneinde het andere beleven, dat het verschijnsel dat we bestuderen bepaalt, te vatten. Deze, voor de hermeneutiek typische, wijze van begrijpen wordt ook wel ‘Verstehen’ genoemd. In plaats van de aanduiding ‘hermeneutische methode’ hadden we ook van ‘verstehende methode’ kunnen spreken.
In de geschiedenis van de hermeneutiek treffen we verschillende opvattingen van het Verstehen aan. Men kan in Göttner (1973: 61ff.) nalezen hoe het Verstehen in de negentiende eeuw bij Schleiermacher, een vorm van psychologisch invoelen is: men interpreteert een tekst door een filologische analyse en door zich in de positie van de auteur in te denken. Men probeert zich dan voor te stellen, hoe deze auteur juist deze tekst kon schrijven. Gaandeweg wordt het Verstehen minder psychologisch, en komt de nadruk te liggen op de opvattingen over de werkelijkheid die we met onze taal hebben meegekregen en vanwaaruit we de verschijnselen betekenis toekennen. Ik zal
| | | | hier niet op ingaan.
Hoe doel van de hermeneutische methode is kennis te verkrijgen van verschijnselen uit de werkelijkheid. De hermeneutikus claimt dat het hier om wetenschappelijke kennis gaat en dat het mogelijk is met behulp van de hermeneutische methode verklaringen van verschijnselen te geven en hypothesen te toetsen. Hier rijst een soortgelijk probleem als hetgeen we naar aanleiding van het betekenisbegrip opwierpen: is het mogelijk een kader aan te geven waarin we de claim van de hermeneutikus wat nader kunnen bekijken?
We vragen dan: is de claim van de hermeneutikus in te passen binnen de methodologische opvattingen die in het vorige stuk ter sprake kwamen? Laten we dit eens nagaan aan de hand van een klassiek voorbeeld (Abel 1948; Stegmüller 1969: 360ff.; Göttner 1973: 68). Stel het begint in april te vriezen en ik zie dat mijn overbuurman ophoudt met lezen, zijn huis verlaat en hout begint te hakken. Daarna draagt hij het hout naar binnen, legt het in zijn kachel, steekt het aan en vervolgt zijn lektuur. De interpretatie die ik van zijn handelingen geef is: de man heeft het koud gekregen en probeert daar iets aan te doen door zich te warmen. De voornaamste stappen die ik bij deze duiding moet doen zijn klaarblijkelijk de volgende. Op basis van mijn eigen ervaring kom ik tot de algemene uitspraak dat iemand die het koud heeft zich gaat warmen. Aangezien het, verder, zo is dat de lage temperatuur - en het begint te vriezen - de temperatuur van het lichaamsoppervlak doet dalen, kan ik, door mij weer op basis van mijn eigen ervaring in de positie van mijn buurman te denken, ‘verstehen’ dat hij het koud heeft gekregen. Mogen we nu beweren dat de hermeneutische methode ons hier een verklaring van het gedrag van mijn buurman aan de hand heeft gedaan? Dan zou het zo moeten zijn, dat de net gegeven interpretatie van het gedrag van mijn buurman zich laat rekonstrueren binnen het verklaringsmodel dat Hempel heeft opgesteld. We dienen volgens dit model met behulp van antecedensvoorwaarden en strikte of waarschijnlijkheidswetten een explanandum-zin (hier: de beschrijving van het gedrag van mijn buurman) deduktief af te leiden of rationeel geloofwaardig te laten zijn. Onze antecedensvoorwaarden zijn de zinnen die de daling van temperatuur en de waargenomen handelingen van mijn buurman beschrijven. Als wetten kunnen we aanvoeren:
| (A) | Een lage temperatuur doet de temperatuur van het lichaamsoppervlak
dalen; |
| (B) | In een gegeven situatie (die van mijn buurman) kan
warmte alleen ontstaan doordat er een vuur aangemaakt
wordt; |
| (C) | Wanneer iemand het koud heeft, zal hij warmte zoeken. |
Er kunnen nu moeilijkheden gemaakt worden over de relatie waarin de psychologische hypothese (C) staat tot de hypothesen (A) en (B). Het verband tussen de bewering dat de temperatuur van het lichaamsoppervlak daalt en de bewering dat degene die dat overkomt het koud heeft, berust op Verstehen. Ik heb mij kennelijk ingeleefd in een situatie, en op basis van mijn eigen ervaringen heb ik samenhang tussen de zo juist gegeven beweringen geschapen. Ook de hypothese (C) berust op een generalisering van mijn eigen ervaringen. De clou is nu dat ik geen rekening houd met andere of tegengestelde mogelijkheden, bijvoorbeeld dat mijn buurman ongevoelig is voor kou, dat hij de kachel heeft aangemaakt omdat hij dat gezellig vindt. De verklaring die ik op de boven geschetste wijze van het gedrag van mijn buurman geef, is geheel gebonden aan mijn persoonlijke ervaringen, mijn voorstellingsvermogen en mijn vaardigheid mij in de situatie van een ander te verplaatsen. Andere personen zouden met geheel verschillende, zelfs met tegengestelde, verklaringen op de proppen kunnen komen. Ook in dergelijke verklaringen zal altijd een psychologische hypothese van het type (C) voorkomen, die verkregen wordt door hypothesen als (A) en (B) in verband te brengen met gevoelens, ervaringen en motieven, die de interpretator aan mijn buurman zal toeschrijven. Om het verband tussen (A) en (B) enerzijds, en (C) anderzijds te funderen kunnen alleen persoonlijke ervaringen van de interpretator aangevoerd worden. We zeggen dat de hermeneutische methode niet kennisvermeerderend is. Alles wat nodig is om het gedrag van mijn buurman te interpreteren ligt al in de eigen ervaring van de interpretator besloten (Van Rees/Verdaasdonk 1974: 122). Er is met name geen onafhankelijk, ‘nieuw’ materiaal waaraan (C) getoetst kan worden. De hermeneutische methode kan misschien een manier zijn om op hypothesen te komen, een toetsingsprocedure levert zij niet. Het zal duidelijk zijn dat de
geschetste interpretatie van het gedrag van mijn buurman niet kan gelden als een wetenschappelijke verklaring in de zin die Hempel daaraan geeft. Voor kritiek op latere versies van het Verstehen (met name die van Haberman) waarin de omgangstaal als wetenschappelijke taal en als ‘theorie’ wordt opgevat, verwijs ik naar 't Hart / Louter / Verdaasdonk (1974).
| |
Literatuur
| |
Abel, Th. |
|
| 1948 |
|
‘The Operation Called “Verstehen”’ in: American Journal of Sociology 54, pp. 211-218. |
| |
Gadamer, H.-G. |
|
| 1960 |
|
Wahrheit und Methode, Tübingen: Mohr. |
| |
Göttner, H. |
|
| 1973 |
|
Logik der Interpretation, München: Fink. |
| |
Habermas, J. |
|
| 1971 |
|
Zur Logik der Sozialwissenschaften, Frankfurt am Main: Suhrkamp |
| |
Hart, C. 't/Louter, J./Verdaasdonk, H. |
|
| 1974 |
|
‘Omgangstaal en wetenschappelijke taal. Een kritiek op de kommunikatieve opvattingen van J. Habermas’ mimeo. |
| |
Palek, B. |
|
| 1968 |
|
Cross-Reference. A study from Hypersyntax, Praha: Universita Karlova |
| |
van Rees, C.J./Verdaasdonk, H. |
|
| 1974 |
|
‘Methodologie en literatuurbeschouwing’ in: Controversen in de taalkunde en de literatuurwetenschap, Den Haag: Servire, pp. 102 ff. |
| |
Stegmüller, W. |
|
| 1969 |
|
Probleme und Resultate der Wissenschaftstheorie und Analytischen Philosophie. Bd. I., Erklärung und Begründung, Berlin: Springer. |
| 1972 |
|
Das Wahrheitsproblem und die Idee der Semantik, Berlin: Springer. |
|
|
|