10Stout: dapper; van goeden
love: van zeer
goede naam,
voortreffelijk.
12samijt:
zijdeachtig fluweel; scarlaken: een kostbare
stof, gewoonlijk rood, maar
ook wel van andere kleur. Het
laatste woord zou ook een
bijv. nmw. kunnen zijn met de
betekenis ‘rood’, maar een
overeenkomstige plaats in de
Renout
van Montalbaen:
‘Hem allen dedi cleder maken:/
Groenen samijt ieghen root
scarlaken’ (vs. 407-408), doet
veronderstellen, dat we ook in
dit vers uit de RRmM met een
zelfst. nmw. te doen hebben.
De syntaktische funktie van
dese regel is waarschijnlijk
die van een bijw. bep. van
middel (eigenlijk meer van
materiaal) met de betekenis:
‘van rood fluweel en
scharlaken’. Dit type wordt in
Stoett bij de bepalingen in de
accusatief overigens niet
genoemd.
13Mantel ende
roc: moet hier
wel als een meervoud opgevat
worden; roc:
het onder de mantel gedragen
kleed.
14Vol
hermerijns: vol
hermelijn (partitieve
genitief; in hermerijns,
lat. hermelinus, assimilatie
van de 1 aan de r); wit ende
claer: helder
wit.
15dor:
waarsch. een verschrijving,
anticiperende op dor houwen;
sindael: een
zijden stof, een soort taf;
dor
houwen:
doorgestikt; de mantels waren
dus met blauw sindael
gevoerd.
17diren:
kostbare; zie voor de
woordvolgorde in dit vs.
Stoett par. 137.
18Geaetsemeert:
getooid; uitgedost; stoeden: stonden (vgl.
vL. I, par. 61a).